Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3115

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
AWB 06-3930 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Intrekking bijstand van een alleenstaande ouder wegens verzwegen inkomsten en het voeren van een gezamenlijke huishouding. Alsnog melding maken van de inkomsten en de hoogte daarvan maakt niet dat de inkomsten controleerbaar worden. Verweerder kon het recht op bijstand intrekken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/3930 WWB

van:

[eiseres], wonende te Hilversum,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. S.L.E.M. Poll,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 28 juli 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 20 juni 2006.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Eiseres ontving bijstand als alleenstaande ouder op het (uitkerings)adres [adres] te Hilversum.

De sociale recherche heeft vanaf 24 augustus 2005 een onderzoek verricht naar het recht op bijstand. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het op ambtseed opgemaakte onderzoeksrapport van 23 december 2005.

Bij primair besluit van 25 januari 2006 heeft verweerder het recht op bijstand herzien (ingetrokken) met ingang van 1 september 1998.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van het primair besluit. Eiseres ontving volgens onderzoek door de sociale recherche vanaf 1 september 1998 inkomsten uit arbeid welke inkomsten niet aan verweerder zijn opgegeven. Nu er geen administratie of andere stukken inzake de genoten inkomsten zijn overgelegd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Eiseres voerde voorts vanaf 1 april 2003 een gezamenlijke huishouding met [betrokkene]; dit blijkt uit verklaringen van eiseres en [betrokkene], aldus verweerder.

In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. In het onderzoeksrapport wordt slechts gesproken van een vermoeden van bijverdiensten en samenwoning. Eiseres heeft erkend dat zij er “werkhuisjes” op na hield waar zij 18,5 uren per week werkzaam was voor € 111,- per week, in de tijd oplopend tot € 180,- per week te verminderen met reiskosten. Deze gegevens zijn verifieerbaar, ook bij de opdrachtgevers. Voorts is het zo dat er niet onafgebroken is gewerkt: gedurende de schoolvakantie van de zoon van eiseres en gedurende één jaar waarin eiseres revalideerde heeft eiseres niet gewerkt. Eiseres heeft aangevoerd dat zij sinds 28 januari 1986 staat beschreven op het uitkeringsadres. [betrokkene] staat sinds 2 juli 2003 beschreven op het adres [2e adres] te Hilversum. Het ziekenfonds heeft deze adressen gescheiden in zijn administratie staan. Eiseres en [betrokkene] zijn elkaar na 23 jaar in maart 2003 weer tegengekomen. De relatie werd in de zomer van 2005 pas serieuzer en in december 2005 zijn zij gaan samenwonen. Tot december 2005 werd niet samengewoond aangezien [betrokkene] slecht overweg kon met de zoon van eiseres. Eiseres en [betrokkene] hebben gescheiden rekeningen. Behalve zijn vissen heeft [betrokkene] in de woning van eiseres geen privé-zaken. Eiseres en [betrokkene] gebruikten en betaalden elk hun eigen zaken. [betrokkene] betaalt geen vaste lasten, noch voorziet hij anderszins in het levensonderhoud van eiseres. [betrokkene] heeft de samenwoning ontkend. Tot juli 2005 overnachtte [betrokkene] één tot twee keer per week bij eiseres en nadien twee tot vier keer per week, aldus eiseres. Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat de vorderingen van voor 25 januari 2001 zijn verjaard.

2.2. De rechtbank overweegt het volgende.

2.2.1. Juridisch kader

Van een gezamenlijke huishouding is volgens de Wet werk en bijstand (Algemene bijstandswet) sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Op grond van vaste jurisprudentie kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermede samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden aannemelijk doen zijn dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium is voldaan. Daarbij is niet vereist dat de geboden verzorging van weerszijden dezelfde omvang en intensiteit heeft. (Centrale Raad van Beroep 8 mei 2001, JABW 2001/105)

Volgens de wet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Het is zowel onder de Abw als onder de Wwb vaste jurisprudentie dat de schending van de inlichtingenverplichting grond voor intrekking van het recht op bijstand oplevert indien door die schending het recht niet kan worden vastgesteld (Centrale Raad van Beroep 28 juni 2005, LJN: AT8526, gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Het college kan een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.2.2. Beoordeling

Het bestreden besluit is gebaseerd op het onderzoeksrapport van de sociale recherche van 23 december 2005. De inhoud van dit rapport is niet betwist.

Ter zake van de genoten inkomsten

De rechtbank is van oordeel dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden ter zake van de door haar genoten en voor verweerder verzwegen inkomsten. Zij erkent op verschillende adressen te hebben gewerkt en vanaf in ieder geval 1 september 1998 inkomsten te hebben genoten.

De hoogte van de sinds 1 september 1998 genoten inkomsten is voor verweerder niet middels objectieve gegevens controleerbaar; de inkomsten zijn immers niet aan verweerder verantwoord middels bijvoorbeeld bankafschriften. Dat blijkens het onderzoeksrapport eiseres heeft toegegeven inkomsten uit arbeid te hebben genoten, daarbij concrete bedragen en opdrachtgevers heeft genoemd en dat die opdrachtgevers een en ander hebben bevestigd, biedt slechts steun aan het standpunt van verweerder dat er sprake is van verzwegen inkomsten. Daarmee staat voor verweerder bovendien nog niet vast dat er niet hogere of andere inkomsten zijn genoten. In het licht hiervan is de omstandigheid dat eiseres mogelijk door ziekte of in vakanties van haar zoon niet onafgebroken heeft gewerkt niet relevant.

Gelet op voornoemde jurisprudentie heeft verweerder het recht op bijstand derhalve kunnen herzien (intrekken) in verband met de verzwegen inkomsten waardoor het recht niet kon worden vastgesteld.

Ter zake van het voeren van een gezamenlijke huishouding

Uit het onderzoeksrapport blijkt het volgende. Eiseres heeft verklaard dat [betrokkene] bijna elke dag bij haar is en zijn kleding, toiletartikelen en administratie op het uitkeringsadres bewaart. [betrokkene] heeft desgevraagd verklaard dat hij er woonde. De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport genoegzaam blijkt dat eiseres en [betrokkene] beiden hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat uit het onderzoeksrapport voldoende blijkt dat sprake is van wederzijdse zorg. Daartoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Eiseres heeft verklaard zij de motorfiets van [betrokkene] op haar naam heeft staan omdat [betrokkene] problemen heeft met de belastingdienst; dat zij ook voor [betrokkene] boodschappen doet; dat zij de kleding van [betrokkene] wast; dat [betrokkene] af en toe de boodschappen betaalt; dat eiseres vindt dat [betrokkene] eigenlijk elke week € 200,- aan eiseres moet betalen, dat dat soms maanden niet gebeurt maar soms een periode ook wel; dat eiseres gebruik maakt van de op het uitkeringsadres staande computer van [betrokkene]s bedrijf.

[betrokkene] heeft verklaard dat hij af en toe bedragen variërend van € 50,- tot € 150,- aan eiseres betaalt omdat hij toch ook eet op het uitkeringsadres; dat hij bijvoorbeeld € 100,- aan eiseres betaalt voor bijvoorbeeld een broek; dat hij een dvd-speler en een airconditioner voor eiseres heeft gekocht; dat hij een reparatie van € 400,- voor de auto van eiseres heeft betaald.

De rechtbank onderschrijft de conclusie van verweerder dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. [betrokkene] heeft weliswaar verklaard dat hij zich nooit heeft thuis gevoeld op het uitkeringsadres en dat hij zijn verblijf aldaar daarom niet als samenwonen heeft ervaren, maar deze omstandigheden zijn subjectief en veranderen niets aan de objectieve gegevens die hiervoor zijn genoemd.

Nu door het verzwijgen van de gezamenlijke huishouding ten onrechte bijstand is betaald, was verweerder bevoegd om het recht op bijstand in verband hiermee in te trekken.

Ter zake van het beroep op verjaring

Het beroep op verjaring kan niet slagen, reeds omdat bij het in dit geding te toetsen besluit niet is beslist dat de te veel betaalde bijstand zal worden terug- en ingevorderd.

2.2.3. Conclusie

Het bestreden besluit kan in rechte standhouden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 januari 2008 door mr. J.J. Bade, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. van Bremen, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht .

Afschrift verzonden op:

DOC: B