Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3099

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
385057 / KG ZA 07-2272 AB/EH
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen procederen in hoger beroep onder meer over het door de deskundige uitgebrachte rapport, met name over de vraag of hij de door de rechtbank gestelde vraag naar de waarde van de aandelen nu met EUR 6.675.492,= of met nihil heeft beantwoord. De rechtbank heeft gekozen voor het tweede antwoord: nihil. De deskundige heeft verklaard dat hij een eenvoudig antwoord kan geven op de vraag wat hij heeft bedoeld en dat hij bereid is om dat antwoord te geven, mits partijen hem dit gezamenlijk verzoeken.

Door de weigering van gedaagde om mee te werken aan het gezamenlijk stellen van de vraag aan de deskundige, zal de procesgang in hoger beroep worden bemoeilijkt en vertraagd. Onder deze omstandigheden handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiser door de medewerking te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 385057 / KG ZA 07-2272 AB/EH

Vonnis in kort geding van 10 januari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te Haarlem,

eiser bij gelijkluidende dagvaardingen van 7 december 2007,

procureur mr. M.P.M. Fruytier,

tegen

1. de naamloze vennootschap

PRICEWATERHOUSECOOPERS ADVISORY N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.W. van Rijswijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWFONDS VASTGOED ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

gedaagde,

procureur mr. F.B. Falkena,

advocaat mr. L.M. Ebbekink te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], PwC en Bouwfonds worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 21 december 2007 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. PwC en Bouwfonds hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 28 maart 2001 van deze rechtbank is [deskundige[deskundige PwC], werkzaam bij PwC, aangewezen als deskundige. De rechtbank heeft aan [deskundige PwC] de volgende vragen gesteld:

“1. Wat is de waarde van de aandelen in Burggolf Purmerend B.V. op 1 januari 1999?

2. Hebt u overigens nog opmerkingen die voor de beslissing van het geschil van belang kunnen zijn?”

2.2. Op 31 mei 2005 heeft [deskundige PwC] zijn deskundigenbericht ingediend bij de rechtbank. In paragraaf 5.5 van dit rapport waardeert [deskundige PwC] het eigen vermogen van Burggolf Purmerend op 1 januari 1999 “met inachtneming van het hiervoor gestelde” op EUR 6.675.492,=. In paragraaf 5.6 staat onder het kopje “nadere analyse”, voor zover hier van belang:

“Het volgende strekt ter overweging bij analyse van de uitkomst van de waardering:

1. De boekwaarde van het eigen vermogen van Burggolf Purmerend ultimo 1998 bedraagt € 5.833 negatief.

2. De aandelen Burggolf Holding B.V. zijn per 1 januari 1999 aan een derde partij verkocht voor € 0,45.

3. De waarde van Burggolf Holding vrij van bankschulden is daarbij bepaald op € 14.511.094. Deze waarde komt min of meer overeen met de boekwaarde van de materiële vaste activa op de balans van Burggolf Holding B.V. per 31 december 1998, zijnde € 14.516.830. Volgens de geconsolideerde jaarrekening van Burggolf Holding B.V. over 1998 is de geconsolideerde boekwaarde van de materiële vaste activa voor een bedrag van € 4.794.512 toe te rekenen aan Burggolf Purmerend. Indien deze waarde verminderd wordt met de uitstaande schuld aan de moedermaatschappij per 31 december 1998 van € 4.969.271 is de waarde van het eigen vermogen van Burggolf Purmerend ultimo 1998 nihil. De in paragraaf 5.5 gepresenteerde hogere uitkomst van de waardering van het eigen vermogen van Burggolf Purmerend per 1 januari 1999 wordt veroorzaakt door een herwaardering van het onroerend goed (na aftrek van de daarover verschuldigde latente belasting), een separate waardering van de exploitatie van de golfwinkel en de niet ondernemingsgebonden activa.”

2.3. Bij vonnis van 12 september 2007 heeft de rechtbank de conclusies van [deskundige PwC] overgenomen en tot de hare gemaakt. Zij zag geen aanleiding voor een aanvullend onderzoek door [deskundige PwC] of een andere deskundige. Evenals Bouwfonds heeft de rechtbank in de conclusies gelezen dat het antwoord van [deskundige PwC] op de eerste vraag “nihil” luidde. [eiser] is veroordeeld in de op EUR 55.912,= begrote kosten van het deskundigenonderzoek.

2.4. Bij vonnis van 31 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van [eiser] om verbetering van het op 12 september 2007 gewezen vonnis afgewezen.

2.5. Bij brief van 1 november 2007 heeft de raadsman van [eiser] [deskundige PwC] verzocht een eenduidig antwoord te geven op de vraag wat de waarde is van het eigen vermogen van Burggolf Purmerend.

2.6. Bij brief van 23 november 2007 heeft [eiser] Bouwfonds verzocht om samen met hem een gemeenschappelijk verzoek te doen aan [deskundige PwC] tot nadere uitlating omtrent het rapport.

2.7. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het op 12 september 2007 gewezen vonnis.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – primair PwC te veroordelen om zich nader uit te laten over het deskundigenrapport en subsidiair Bouwfonds te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom haar medewerking te verlenen aan het doen van een gezamenlijk verzoek aan [deskundige PwC] om zich nader uit te laten over deskundigenrapport, met veroordeling van PwC en Bouwfonds in de kosten van het geding.

3.2. Daartoe stelt hij primair dat PwC als deskundige, door de opdracht van de rechtbank te aanvaarden, een overeenkomst is aangegaan met de partijen namens wie de rechtbank de opdracht heeft verstrekt. PwC dient de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenis na te komen door zich uit te laten over de vraag of het eigen vermogen van Burggolf Purmerend B.V. per 1 januari 1999 nu EUR 6.675.492,= bedroeg of nihil. Subsidiair, voor zover wordt geoordeeld dat geen overeenkomst tussen [eiser] en PwC tot stand is gekomen, legt [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat PwC en Bouwfonds in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschapplijk-economisch verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig jegens [eiser] handelen door geen duidelijkheid te verschaffen over de kennelijk tweeslachtige rapportage, dan wel door het niet verlenen van medewerking aan een gezamenlijk verzoek aan de deskundige daartoe. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen omdat hij in de hoger beroep procedure moet weten wat de deskundige heeft bedoeld. Een procedure voorlopig getuigenverhoor kan lang duren en de hoger beroep procedure loopt ondertussen gewoon door. Ook kan [eiser] een voorschot eisen op de schadevergoeding die hem toekomt indien blijkt dat de deskundige heeft bedoeld de waarde van de aandelen te bepalen op EUR 6,6 miljoen. Indien blijkt dat de deskundige inderdaad heeft bedoeld de waarde van de aandelen op nihil te bepalen, dan kan [eiser] ervoor kiezen het hoger beroep in te trekken.

3.3. Het verweer van PwC komt neer op het volgende. Er is geen overeenkomst tot stand gekomen tussen [eiser] en PwC als deskundige doordat de rechtbank een opdracht heeft verstrekt. PWC heeft niet onrechtmatig gehandeld. De rapportage is niet gebrekkig en lijdt niet aan kennelijke tweeslachtigheid. Door het indienen van het deskundigenbericht bij de rechtbank en na het vonnis van 12 september 2007 is de rol van PwC in de procedure ten einde. Een deskundige kan niet op verzoek van één van de procespartijen alsnog nadere informatie verschaffen.

3.4. Bouwfonds voert ook verweer. [eiser] heeft volgens haar geen spoedeisend belang bij zijn vordering. Hij kan in de appelprocedure verzoeken een aanvullend deskundigenbericht te gelasten. Niet valt in te zien waarom die gang van zaken niet wordt gevolgd. [eiser] kan de grieven tegen het vonnis van 12 september 2007 ook formuleren zonder dat de deskundige zich eerst nader heeft uitgelaten.

Het is niet ondenkbaar dat een eigen vermogen zowel nihil als EUR 6.675.492,= bedraagt. Bouwfonds heeft geen verplichting om mee te werken aan het verzoek aan [deskundige PwC] om zich nader uit te laten over zijn rapportage. Bouwfonds ziet overigens niet in waarom in deze zaak PwC en niet [deskundige PwC] is gedagvaard.

4. De beoordeling

4.1. Bij vonnis van 28 maart 2001 heeft de rechtbank [deskundige PwC], en niet PwC, benoemd als deskundige. Het is dan ook [deskundige PwC] die in deze zaak als de deskundige moet worden aangemerkt en als enige in staat is om zich nader uit te laten als gevorderd. De vordering tegen PwC kan dan ook niet worden toegewezen. Dat de rapportage is gesteld op papier van PwC en ook de factuur door PwC is verzonden, maakt dit niet anders.

Overigens was de taak van [deskundige PwC] als deskundige in de procedure tussen [eiser] en Bouwfonds in beginsel geëindigd toen hij zijn definitieve rapport had ingediend bij de rechtbank, deze bij vonnis van 12 september 2007 zijn conclusies tot de hare maakte en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een aanvullend onderzoek. De deskundige heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat hij geen antwoord hoeft te geven op vragen die hem nadien werden gesteld door één van beide partijen in de procedure. In hoger beroep is het aan het Hof om de deskundige eventueel nadere vragen te stellen.

4.2. [eiser] zal als de ten opzichte van PwC in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PwC worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

4.3. [eiser] en Bouwfonds zijn nog steeds verwikkeld in een juridische procedure, aangezien [eiser] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 12 september 2007. Zij procederen in hoger beroep onder meer over het door [deskundige PwC] uitgebrachte rapport, met name over de vraag of hij de door de rechtbank gestelde vraag naar de waarde van de aandelen per 1 januari 1999 nu in paragraaf 5.5 van het rapport met EUR 6.675.492,= of in paragraaf 5.6 met nihil heeft beantwoord. [eiser] vindt het eerste en Bouwfonds meent dat het tweede is bedoeld. De rechtbank heeft in het vonnis van 12 september 2007 kennelijk gekozen voor het tweede antwoord: nihil.

Ter terechtzitting heeft [deskundige PwC] desgevraagd verklaard dat hij op de vraag of hij heeft bedoeld de aandelen op EUR 6.675.492,= of op nihil te waarderen, een eenvoudig antwoord kan geven. Ook heeft hij meegedeeld dat hij bereid is om dat antwoord te geven, mits zowel [eiser] als Bouwfonds hem dit verzoeken. Naar mag worden aangenomen, zal hij dat gratis doen. Voor ruim EUR 55.000,= mogen partijen toch wel een rapport met een helder en eenduidig antwoord verwachten.

4.4. Door de weigering van Bouwfonds om mee te werken aan het gezamenlijk stellen van deze vraag aan [deskundige PwC] is [eiser] genoodzaakt een memorie van grieven op te stellen waarbij hij moet gissen wat [deskundige PwC] heeft bedoeld. Het alternatief is dat hij, alvorens een memorie van grieven in te dienen, om een voorlopig deskundigenrapport verzoekt om deze eenvoudige voorvraag beantwoord te krijgen. In beide gevallen zal de procesgang in hoger beroep aanzienlijk worden bemoeilijkt en vertraagd. Onder deze omstandigheden handelt Bouwfonds onrechtmatig jegens [eiser] door haar medewerking aan het stellen van de vraag aan [deskundige PwC] te weigeren. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de vraag waarop [deskundige PwC] de waarde van de aandelen bedoelde te waarderen in hoger beroep uiteindelijk toch door hem zal moeten worden beantwoord en dat Bouwfonds geen enkel redelijk belang heeft de vraagstelling te traineren. De conclusie is dat de vordering jegens Bouwfonds zal worden toegewezen met dien verstande dat het verzoek slechts betrekking zal hebben op de eerste door de rechtbank aan de deskundige gestelde vraag, nu gesteld noch gebleken is dat de beantwoording van de tweede vraag onduidelijk is geweest.

4.5. [eiser] en Bouwfonds zullen in hoger beroep alle gelegenheid hebben om zich over het door [deskundige PwC] gegeven antwoord uit te laten. Er is dan ook geen aanleiding om te bepalen, zoals Bouwfonds nog heeft verzocht, dat [deskundige PwC] zijn antwoord eerst in concept aan partijen zal voorleggen, zodat zij zich daarover kunnen uitlaten. De dwangsom zal worden gemaximeerd als hierna vermeld.

4.4. Bouwfonds zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 251,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.151,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van PwC tot op heden begroot op EUR 1.067,00,

5.2. veroordeelt Bouwfonds om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het doen van een gezamenlijk verzoek aan [deskundige PwC] om zich uit te laten over het deskundigenrapport van 31 mei 2005, in die zin dat aan [deskundige PwC] een gemotiveerd antwoord zal worden gevraagd op de vraag of het eigen vermogen van Burggolf Purmerend B.V. per 1 januari 1999 volgens dat rapport EUR 6.675.492,= of nihil bedraagt, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 2.500,= voor iedere dag dat Bouwfonds hiermee in gebreke zal blijven, met een maximum van EUR 100.000,=.

5.3. veroordeelt Bouwfonds in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.151,31,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.M. Hansen-Löve, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2008.?