Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC2960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
13-437455-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht in deze zaak wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het lichaam van het slachtoffer seksueel is binnengedrongen en dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij het slachtoffer, terwijl hij wist dat het slachtoffer aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat zij onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen. De rechtbank acht vorenbedoelde wetenschap bij verdachte aanwezig in de vorm van voorwaardelijk opzet. De rechtbank overweegt allereerst dat uit rapporten van deskundigen blijkt dat het slachtoffer cognitief en sociaal-emotioneel functioneert op het niveau van een 6-jarige en dat algemeen bekend is dat jonge kinderen, waarmee het slachtoffer in dit verband is te vergelijken, niet in staat zijn hun wil omtrent seksuele handelingen te bepalen. De rechtbank acht verder van belang dat verdachte wist dat het slachtoffer gehandicapt was en dat hij desondanks, zonder nader onderzoek naar de handicap van het slachtoffer, seksuele handelingen heeft verricht. Tevens acht de rechtbank van belang dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij aarzelingen had omtrent het aangaan van seksueel contact met het slachtoffer. Dat het slachtoffer het initiatief zou hebben genomen tot de seksuele handelingen door, onder meer, de bloes van verdachte omhoog te doen, haar hand in de broek van verdachte te doen en haar broek naar beneden te trekken, is volgens de rechtbank een conclusie die kennelijk door verdachte is getrokken. Deze conclusie berust op een interpretatie van verdachte, die voor zijn rekening komt en geen afbreuk kan doen aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/437455-07

Datum uitspraak: 29 januari 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1953,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder A primair en B primair is telastegelegd. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie niet, dat het telastegelegde dwingen (door verdachte) in beide primair telastegelegde feiten wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat verdachte door geweld, bedreiging met geweld dan wel een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van de nader omschreven seksuele handelingen.

Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder A primair en B primair telastegelegde.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder A subsidiair telastegelegde,

in de periode van juni 2007 tot en met 10 september 2007 te Amstelveen, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- zijn penis in de mond van voornoemde Keur gebracht en gehouden, terwijl hij zich aftrok,

terwijl,

- voornoemde [slachtoffer] sinds haar geboorte meervoudig gehandicapt is, te weten een verstandelijke beperking heeft en spastisch is, en

- voornoemde [slachtoffer] in een rolstoel zit, en

- voornoemde [slachtoffer] zich zeer beperkt verbaal en lichamelijk kan uitdrukken tegenover anderen,

ten aanzien van het onder B subsidiair telastegelegde,

in de periode van juni 2007 tot en met 10 september 2007 te Amstelveen, met [slachtoffer], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit dat hij die [slachtoffer]:

- haar borsten heeft gezoend en haar kruis heeft betast,

terwijl,

- voornoemde [slachtoffer] sinds haar geboorte meervoudig gehandicapt is, te weten een verstandelijke beperking heeft en spastisch is, en

- voornoemde [slachtoffer] in een rolstoel zit, en

- voornoemde [slachtoffer] zich zeer beperkt verbaal en lichamelijk kan uitdrukken tegenover anderen.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.3 De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte - (eveneens) ten aanzien van de subsidiair telastegelegde feiten - dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft hij, kort samengevat, aangevoerd dat [slachtoffer] in staat was haar wil te bepalen omtrent seksuele handelingen en dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van het beweerdelijk niet kunnen bepalen van haar wil. Volgens de raadsman is er geen sprake van een misdrijf nu sprake is van twee volwassen mensen die seks hebben gehad, terwijl zij beiden wisten wat zij deden.

De rechtbank acht, anders dan de raadsman, wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] onvolkomen in staat was om haar wil te bepalen omtrent seksuele handelingen. In het verslag van een psychologisch onderzoek betreffende [slachtoffer] van mei 2007 van GZ-psycholoog

[naam psycholoog] en een verslag betreffende de niveaubepaling van [slachtoffer] van 22 januari 2007 van gedragsdeskundige [naam gedragsdeskundige] staat dat [slachtoffer] cognitief en sociaal-emotioneel functioneert op het niveau van een 6-jarige. Algemeen bekend is dat jonge kinderen, en in dit verband is [slachtoffer] daarmee te vergelijken, niet in staat zijn om hun wil omtrent seksuele handelingen te bepalen. Daar komt bij dat [slachtoffer] spastisch is, dat ze niet kan spreken, dat actieve communicatie via een spraakcomputer verloopt en dat ze in een rolstoel zit.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het plegen van de seksuele handelingen wetenschap had - in de vorm van voorwaardelijk opzet - omtrent bovengenoemde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In dit kader is van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] regelmatig in Amstelrade, een woonvorm voor gehandicapten, heeft bezocht. Verdachte was derhalve bekend met het gegeven dat [slachtoffer] gehandicapt was. Verdachte heeft naar aanleiding van de vraag van een verbalisant of hij een grens heeft moeten overgaan, verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij heeft staan dubben en zich heeft afgevraagd of hij naar de leiding moest gaan om te vragen of hij seks met [slachtoffer] mocht hebben. Verdachte heeft ook verklaard dat hij het niet zag als een gelijkwaardige seksuele relatie. Voorts heeft verdachte naar voren gebracht dat hij niet wilde dat men hen als koppel zag, omdat hij dacht dat hij daar problemen mee zou krijgen. Gezien deze verklaringen heeft verdachte kennelijk aarzelingen gevoeld over het aangaan van seksueel contact met [slachtoffer]. Door dit niettemin door te zetten, zonder nader onderzoek, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] ten tijde van deze handelingen door een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen.

Verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer] het initiatief heeft genomen tot de seksuele handelingen door, onder meer, de bloes van verdachte omhoog te doen, haar hand in de broek van verdachte te doen en haar broek naar beneden te trekken. De rechtbank is van oordeel dat - uitgaande van deze lezing van verdachte - dat nog niet de conclusie rechtvaardigt dat zij in staat was om haar wil te bepalen. Deze conclusie die kennelijk wel door verdachte is getrokken berust op een interpretatie van verdachte die voor zijn rekening komt en geen afbreuk doet aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

Verdachte heeft aangevoerd dat [slachtoffer] heeft ingestemd met de seksuele handelingen. Voor zover verdachte hiermee een beroep op een rechtvaardigingsgrond heeft gedaan, wordt dit door de rechtbank verworpen. Gelet op hetgeen de rechtbank onder paragraaf 3.3 van deze uitspraak heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat (mogelijke) instemming - evenals het gestelde initiatief - niet wegneemt dat [slachtoffer] niet in staat was haar wil te bepalen en dat verdachte dit - in de voorwaardelijke opzet variant - wist.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten, te weten de onder A primair en B primair telastegelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarde dat verdachte een behandeling ondergaat bij De Waag. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer], heeft zij zich op het standpunt gesteld dat deze voor wat betreft de immateriële schade en de kosten voor de rechtsbijstand dient te worden toegewezen. Hierbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Voor het overige acht de officier van justitie de vordering niet ontvankelijk.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in de zomer van 2007 schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen - seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen - bij de geestelijk (en lichamelijk) gehandicapte [slachtoffer]. Hierbij heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] onvolkomen in staat was haar wil te bepalen als gevolg van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens.

Door zijn handelen heeft verdachte –zelfs al zou hij niet tot doel hebben gehad [slachtoffer] te kwetsen- misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie en heeft hij tevens ernstige inbreuk gemaakt op de licha¬melijke integriteit van het slachtoffer. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook passend.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging tevens rekening gehouden met het rapport van

3 december 2007 ten aanzien van verdachte van psycholoog [naam 2e psycholoog] en het voorlichtingsrapport van 6 december 2007 betreffende verdachte van rapporteur van de reclassering [naam rapporteur]. Volgens deze rapporten lijkt verdachte zijn aandeel in de delicten en de gevolgen voor het slachtoffer niet in te zien. Verdachte presenteert zich als het slachtoffer en er is sprake van egocentrisme. Ter terechtzitting heeft verdachte over de feiten opgemerkt dat men ‘van iets moois iets lelijks heeft gemaakt’. Deze zienswijze van verdachte bevestigt de inschatting van bovengenoemde rapporteurs. Gelet op deze houding van verdachte acht de rechtbank de kans aanwezig dat verdachte recidiveert. Met het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, met hierna te noemen bijzondere voorwaarde, beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet tot een bewezenverklaring van de primair telastegelegde feiten komt, bestaat aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 243 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder A primair en B primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder A subsidiair en B subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder A subsidiair bewezenverklaarde:

Met iemand van wie de dader weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens lijdt dat hij onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Ten aanzien van het onder B subsidiair bewezenverklaarde:

Met iemand van wie de dader weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens lijdt dat hij onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen, ontuchtige handelingen plegen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich (onverwijld) stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt het ondergaan van een behandeling bij De Waag.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.C.J. Robert, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en J.P.C. van Dam van Isselt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2008.