Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC2666

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
370547 - HA ZA 07-1426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgen van het uitvoeren van betalingsopdrachten van de failliet door de bank, in weerwil van een gelegd derdenbeslag op de rekening van de failliet, na faillissement

Art. 33 Fw

Primair is de vraag aan de orde of de curator van de Bank afdracht kan verlangen van een door derdenbeslag getroffen saldo op de rekeningen van de failliet indien dat saldo inmiddels niet meer aanwezig is ten gevolge van het door de Bank, in weerwil van het beslag, uitvoeren van betalingsopdrachten van de failliet.

Ingevolge artikel 33 lid 2 Fw vervalt het beslag. Al hetgeen onder het beslag viel komt in het algemene faillissementsbeslag en strekt tot verhaal van de gezamenlijke schuldeisers van de failliet. Anders dan de tekst van artikel 33 Fw lijkt te suggereren, betekent dit echter niet dat alle gevolgen van het beslag teniet worden gedaan (zie HR 22 april 2005, NJ 2006, 56). Degene die zich op de resterende gevolgen van het beslag kan beroepen is echter niet langer de oorspronkelijke beslaglegger, maar de curator, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers van de failliet.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat tot de niet tenietgegane aspecten van het beslag behoort de bevoegdheid van de beslaglegger om zich de door de Bank in weerwil van het beslag gedane betalingen niet te hoeven laten tegenwerpen. Ook die bevoegdheid moet worden geacht te zijn overgegaan op de curator.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de bank in beginsel is gehouden hetgeen onder het beslag viel en niet reeds aan de curator is voldaan aan de curator af te dragen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 33
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 93
RI 2008, 37
JOR 2008/82 met annotatie van A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 370547 / HA ZA 07-1426

Vonnis van 9 januari 2008

in de zaak van

WILLEBRORDUS THEODORUS VAN DIJK

in hoedanigheid van curator in het faillissement van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TOP CLEAN B.V.,

kantoorhoudende te Spijkenisse,

eiser,

procureur mr. B.J.C. Pleiter,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. TH.T. van Zanten.

Partijen zullen hierna de curator en de Bank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juli 2007 waarbij ambtshalve een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2007 en de daarin genoemde processtukken en –handelingen,

- het verbeter proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 22 november 2001 heeft de heer [A] handelend onder de naam [A] & Partners Accountants en Belastingadviseurs (hierna: [A]) conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Bank ten laste van Top Clean B.V. (hierna: Top Clean) voor een bedrag van EUR 93.751,45 (hierna: het beslag). Op 27 december 2001 heeft de Bank verklaard dat door dit beslag het saldo op drie rekeningen is getroffen:

42.77.01.600 voor een bedrag van EUR 37.385,88

52.01.51.259 voor een bedrag van EUR 24.317,64 en

99.41.01.332 voor een bedrag van EUR 106.759,30.

De laatste rekening betreft een zogenoemde G-rekening.

2.2. Op 8 december heeft de heer [B] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Bank ten laste van Top Clean. Dit beslag heeft in totaal een bedrag van EUR 23.575,73 getroffen.

2.3. De Bank heeft een gedeelte van de door het beslag van [A] getroffen saldi niet gesepareerd maar – in weerwil van het beslag – besteed voor het uitvoeren van betalingsopdrachten van Top Clean.

Het saldo dat werd getroffen door het beslag van [B] stond op de datum van beslaglegging reeds (grotendeels) gesepareerd ingevolge het beslag van [A].

2.4. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2005 is Top Clean in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig. Op dat moment had [A] nog geen executoriale titel verkregen jegens Top Clean.

2.5. Bij brief van 3 maart 2005 heeft de curator de Bank gesommeerd over te gaan tot betaling van alle oorspronkelijke beslagen saldi. De Bank heeft op 20 februari 2007 alleen het saldo van EUR 23.575,73 op de boedelrekening betaald.

2.6. De curator heeft de vordering van [A] tot een bedrag van EUR 112.850,42 geplaatst op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren.

2.7. [A] heeft bij cessieakte van 23 juni 2006 aan de curator overgedragen de door hem op de Bank gepretendeerde vordering uit onrechtmatige daad, wegens het door de Bank niet onder zich houden van het beslagen saldo van Top Clean. De cessie is aan de Bank medegedeeld.

2.8. Bij brief van 27 augustus 2007 heeft de Belastingdienst aan Top Clean B.V. t.a.v. dhr. [A] bericht dat sinds 12-2-2002 zeven deblokkeringsverzoeken door Top Clean zijn ingediend en is een overzicht gegeven van de gedeblokkeerde bedragen.

3. Het geschil

3.1. De curator vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van de Bank tot betaling van EUR 168.462,82 althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2005 en een bedrag van EUR 2.370,94 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, kosten rechtens.

3.2. De curator baseert zijn vordering primair op afdracht van het totale in 2001 door [A] beslagen saldo. Subsidiair vordert de curator als cessionaris van [A] schadevergoeding uit onrechtmatige daad.

3.3. De Bank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In deze procedure is primair de vraag aan de orde of de curator van de Bank afdracht kan verlangen van het door het beslag getroffen saldo op de rekeningen van de failliet indien dat saldo inmiddels niet meer aanwezig is ten gevolge van het door de Bank, in weerwil van het beslag, uitvoeren van betalingsopdrachten van de failliet.

4.2. De curator stelt zich op het standpunt dat de Bank tot afdracht dient over te gaan, omdat deze bedragen ook aan hem ter beschikking zouden hebben gestaan, indien de Bank de bedragen zou hebben gesepareerd, althans in ieder geval tot het bedrag van de vorderingen die namens [A] zijn ingediend en door de curator zijn erkend.

4.3. De Bank betwist dat de curator op afdracht van het saldo aanspraak kan maken. Door de betalingen aan de schuldenaren van Top Clean is het saldo van Top Clean verminderd. Het betreffende bedrag maakte daardoor niet langer deel uit van het vermogen van Top Clean, zodat de curator daarop geen aanspraak kan maken. Het beslag maakte de betalingen van de Bank niet van onwaarde. Die betalingen zijn rechtsgeldig geschied en hebben derdenwerking. Artikel 475h Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) geeft aan dat de beslagene uitsluitend jegens de beslaglegger geen beroep toekomt op een betaling gedaan in weerwil van het beslag. Jegens alle anderen, dus ook jegens de curator is de betaling van waarde.

In gevolge het faillissement is het beslag inmiddels, op de voet van artikel 33 Faillissementswet (Fw) vervallen.

4.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 33 lid 2 Fw vervalt het beslag. Al hetgeen onder het beslag viel komt in het algemene faillissementsbeslag en strekt tot verhaal van de gezamenlijke schuldeisers van de failliet. Anders dan de tekst van artikel 33 Fw lijkt te suggereren betekent dit echter niet dat alle gevolgen van het beslag teniet worden gedaan (zie HR 22 april 2005, NJ 2006, 56). Degene die zich op de resterende gevolgen van het beslag kan beroepen is echter niet langer de oorspronkelijke beslaglegger, maar de curator, in zijn hoedanigheid van vertegen¬woordiger van de gezamenlijke schuldeisers van de failliet.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat tot de niet tenietgegane aspecten van het beslag behoort, de bevoegdheid van de beslaglegger om zich de door de Bank in weerwil van het beslag gedane betalingen niet te hoeven laten tegenwerpen. Ook die bevoegdheid moet worden geacht te zijn overgegaan op de curator.

Daartoe overweegt de rechtbank nog het volgende.

In de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad is uitgemaakt dat een bank geen vorderingen op de failliet mag verrekenen met bedragen die de bank in het kader van een derdenbeslag onder zich heeft gehouden op een gesepareerde rekening. De positie die de Bank in het onderhavige geval inneemt is dat zij het beslagen saldo niet heeft gesepareerd, maar dat saldo telkenmale heeft aangewend voor betalingen in opdracht van Top Clean. In wezen heeft de Bank aldus telkens het bedrag dat zij voor de betaling aanwendde verrekend met het saldo van Top Clean dat zij had behoren te separeren, terwijl ingevolge de in het arrest vastgestelde regel, die verrekening nu juist niet was toegestaan. Dat de Bank door niet te doen hetgeen zij krachtens de wet gehouden was te doen voor zichzelf een mogelijkheid tot verrekening heeft geschapen, die zij niet had verkregen, indien zij zich overeenkomstig haar wettelijke opdracht had gedragen, kan niet als juist worden aanvaard.

De slotsom moet dan ook luiden dat de Bank in beginsel gehouden is hetgeen onder het beslag viel en niet reeds aan de curator is voldaan, aan de curator af te dragen.

De subsidiaire grondslag behoeft geen bespreking.

4.5. Ter comparitie zijn partijen tot het eensluidende standpunt gekomen dat, zo de Bank enig bedrag aan de curator dient af te dragen zij de wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk wetboek (BW) en niet die van 6:119a BW verschuldigd is vanaf 9 maart 2005. Met betrekking tot het bedrag van EUR 23.575,73, dat door de Bank wel is voldaan is de rente verschuldigd tot aan de dag van betaling, 20 februari 2007. Met betrekking tot het meerdere is rente verschuldigd tot aan de dag van voldoening.

4.6. De Bank heeft aangevoerd dat de curator geen aanspraak kan maken op het bedrag dat door het beslag is getroffen dat op de G-rekening stond, omdat op dat bedrag een pand¬recht van de fiscus en de bedrijfsvereniging rust, welk pand recht voorgaat op het beslag.

De curator betwist niet dat op het saldo van de G-rekening een pandrecht van de fiscus en de bedrijfsvereniging was gevestigd en dat dit pandrecht in beginsel voorgaat boven het beslag. De curator heeft echter aangevoerd dat dit alleen betrekking heeft op door de Bank aan de fiscus c.q. de bedrijfsvereniging op aanslagen gedane betalingen en niet op door de fiscus in de loop der tijd gedeblokkeerde bedragen.

Onduidelijkheid is in dit stadium nog blijven bestaan over de vraag welke betalingen op grond waarvan in de loop der tijd vanaf de G-rekening zijn gedaan en of die betalingen (geheel of gedeeltelijk) moeten worden aangemerkt als de uitwinning van het aan de pandhouders toekomende pandrecht. Eveneens is nog niet duidelijk wat moet worden verstaan onder "gedeblokkeerd" in de door de curator overgelegde brief van de belastingdienst van 27 februari 2007,

De rechtbank meent dat de standpunten van partijen op dit punt thans nog onvoldoende zijn uitgewerkt en zal de zaak naar de rol verwijzen, opdat partijen (eerst de curator) zich bij akte hierover nog nader kunnen uitlaten.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 6 februari 2008 voor akte aan de zijde van de curator,

5.2. houdt iedere verder beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2008.?