Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC2654

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
385699 / KG ZA 07-2351 AB/MG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De weduwe van Endstra heeft als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter de aandelen MVG van die dochter verkocht zonder de vereiste machtiging van de kantonrechter en ondanks het feit dat die aandelen nog tot een onverdeelde gemeenschap behoorden. Daarmee handelde zij onrechtmatig tegen de overige erfgenamen.

Het wordt haar verboden medewerking te verlenen aan een overeenkomst tot verkoop en levering van de aandelen van haar dochter, zolang die aandelen niet zijn verdeeld en de kantonrechter nog geen machtiging heeft gegeven. De vorderingen tegen de beide andere gedaagden - 50% aandeelhouder van MVG en bestuurder van MVG - worden afgewezen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de aandelen direct of indirect aan één van hen zijn verkocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 385699 / KG ZA 07-2351 AB/MG

Vonnis in kort geding van 24 januari 2008

in de zaak van

1. [eiseres 1], handelend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [kind eiseres 1], geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1991,

beiden wonende te Amsterdam,

procureur mr. J. van der Steenhoven,

advocaten mrs. J. van der Steenhoven en M. Singeling te Amsterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Amsterdam,

3. [eiser 3],

wonende te Zandvoort,

4. [eiseres 4], handelend in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [kind eiseres 4], geboren te Haarlem op [geboortedatum] 1990,

beiden wonende te Zandvoort,

procureur mr. J. van der Steenhoven,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem,

eisers bij dagvaarding van 11 december 2007,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Amsterdam,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat mr. C. de Jongh te ’s-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te Amsterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te Amsterdam,

procureur mr. E.J.M. van Diepen-Salet

advocaat mr. H.C. van Olden te Utrecht,

gedaagden.

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eisers gezamelijk] worden aangeduid of ieder afzonderlijk als [eiseres 1] (wettelijk vertegenwoordiger van [kind eiseres 1]), [kind eiseres 1],[kind eiseres 4], [eiser 3], [eiseres 4] (wettelijk vertegenwoordiger van [kind eiseres 4]) en [kind eiseres 4]. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk in enkelvoud als [gedaagden gezamelijk] worden genoemd of afzonderlijk als [gedaagd[gedaagde 3][gedaagde 2] en [gedaagde 3].

1. De procedure

Ter terechtzitting van 9 januari 2008 hebben [eisers gezamelijk] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden gezamelijk] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. [kind eiseres 1],[kind eiseres 4], [eiser 3], [kind eiseres 4] en [kind gedaagde 1] (hierna: [erven]) zijn de kinderen van [overledene], overleden te Amsterdam op 17 mei 2004. [kind gedaagde 1] is de minderjarige dochter van [gedaagde 1]. [overledene] heeft geen testament achtergelaten en zijn vijf kinderen, allen buiten huwelijk geboren en allen erkend, zijn de enige erfgenamen, allen voor gelijke delen. De nalatenschap is door de erven beneficiair aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.2. Tot de nalatenschap van [overledene] behoort onder meer een aandelenpakket van 50% in Museum Vastgoed Groep B.V. (hierna: MVG), gevestigd te Amsterdam.

2.3. In de akte vaststelling gerechtigdheid deelgenoten van 16 mei 2006 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Zij willen bij deze akte overgaan tot:

- de gedeeltelijke beschrijving van de nalatenschap van na te noemen erflater;

- de gedeeltelijke verdeling van nalatenschap van na te noemen erflater. (…)

BEVOEGDHEID TOT VERDELEN

Op grond van het vorenstaande zijn genoemde kinderen van erflater, ieder voor een gelijk aandeel, gerechtigd tot gemelde aandelen. (…)

OVEREENKOMST

De deelgenoten zijn overeengekomen gemelde aandelen te verdelen op na te melden wijze aan na te noemen personen.

VERDELING

Ter uitvoering van voormelde overeenkomst wordt toegedeeld en geleverd aan:

(…)

5. DE DEELGENOTE [kind gedaagde 1]

(…)

Museum Vastgoed Groep

3.a. het een/vijfde onverdeeld aandeel in eenmiljoen

zevenhonderdeenduizend vierhonderdnegenenzestig

(1.701.469) aandelen in gemelde besloten vennootschap met

beperkte aansprakelijkheid: ‘Museum Vastgoed Groep B.V.’,

genummerd 1.701.470 tot en met 3.402.938,

(…)

3.b. dertigduizend (30.000) preferente aandelen in gemelde

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid:

‘Museum Vastgoed Groep B.V.’,

Genummerd P270.001 tot en met P300.000,

(…)

ONVERDEELDHEID

Omtrent het stemrecht op alle hiervoor gemelde in onverdeeldheid blijvende aandelen, zullen de deelgenoten, bij afzonderlijk voor mij, notaris, te verlijden akte, nog een nadere overeenkomst met elkaar aangaan.”

2.4. Op 27 september 2006 hebben de [erven], en voor zover deze nog minderjarig zijn hun wettelijke vertegenwoordigers, een protocol gesloten, waarin zij verklaren dat zij gevraagd en ongevraagd informatie over hun financiële en zakelijke verhouding tot de vennootschappen waarin [overledene] deelnam aan elkaar zullen verstrekken.

2.5. [gedaagde 3] is houder van de overige 50% van de aandelen in MVG. [gedaagde 2] is de bestuurder van MVG.

2.6. Volgens een ‘KOOPOVEREENKOMST AANDELEN MUSEUM VASTGOED GROEP B.V.’ van 9 november 2006 heeft [kind gedaagde 1], vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger [gedaa[gedaagde 1], het aan haar toebedeelde en geleverde een/vijfde onverdeeld aandeel in 1.701.469 aandelen in MVG alsmede 30.000 preferente aandelen genummerd P270.001 tot en met P300.000 in MVG voor een koopprijs van € 4.650.000,00 verkocht aan Rigi Invest Holding A.G. (hierna: Rigi), vertegenwoordigd door P. Iten. Deze koopovereenkomst bevat, voor zover van belang, de volgende bepalingen:

“i. dat Koper de Aandelen van Verkoper wil kopen en geleverd krijgen, indien en zodra de Aandelen aan verkoper zijn toebedeeld in het kader van de verdeling van de gemeenschap die bestaat tussen de erfgenamen ten aanzien van de aandelen in de Vennootschap;

j. dat de statuten van de Vennootschap voorzien in een blokkeringsregeling op grond waarvan een voorgenomen overdracht van aandelen de goedkeuring behoeft van de algemene vergadering van aandeelhouders van de Vennootschap;

(…)

Artikel 3. Overdracht; levering Aandelen

3.1 Verkoper is gehouden (een deel van) de Aandelen te verkopen en te leveren en Koper is gehouden (een deel van) de Aandelen te kopen en af te nemen indien en nadat te zijner genoegen de volgende (opschortende) voorwaarden zijn vervuld:

a. (een deel van) de Aandelen zijn aan Verkoper toegedeeld in het kader van de verdeling van de gemeenschap of anderszins waardoor Verkoper eigenaar en enig gerechtigde tot (dat deel van) de Aandelen is; én

b. Verkoper heeft de blokkeringsregeling zoals vastgelegd in de statuten van de Vennootschap gevolgd en Koper is op grond van de uitkomst van die procedure gerechtigd (dat deel van) de Aandelen over te nemen onder de voorwaarden zoals vastgelegd in deze Overeenkomst.

Indien en zodra Verkoper derhalve beschikkingsbevoegd is over (een deel van) de Aandelen te beschikken komt voor die Aandelen de koop tot stand, zulks onder instandlating van deze overeenkomst voor de alsdan nog niet toebedeelde Aandelen althans de Aandelen waar Verkoper nog niet over kan beschikken. (…)

3.2 Binnen één maand na het in vervulling gaan van de in artikel 3.1 genoemde voorwaarden zullen door partijen op het kantoor notaris mr. [naam notaris] te Rotterdam, dan wel een andere door Koper aan te wijzen notaris, de volgende handelingen worden verricht:

a. Verkoper overhandigt Koper bewijzen waaruit blijkt dat (een deel van) de Aandelen aan Verkoper zijn toegedeeld;

b. Verkoper overhandigt aan Koper bewijzen waaruit blijkt dat Verkoper aan haar verplichtingen uit de blokkeringsregeling vastgelegd in de statuten van Vennootschap heeft voldaan en waaruit blijkt dat Koper gerechtigd is (een deel van) de Aandelen in Vennootschap te kopen; (…)

Artikel 4. Garanties

(…)

4.3 Mevrouw [gedaagde 1] garandeert Koper en staat er voor in dat zij over alle noodzakelijke volmachten en alle noodzakelijke rechterlijke machtigingen beschikt om deze Overeenkomst namens Verkoper te sluiten.”

2.7. [gedaa[gedaagde 1] heeft voorafgaand aan de koopovereenkomst van 9 november 2006 de kantonrechter niet om toestemming gevraagd om te kunnen beschikken over het aandelenbezit van [kind gedaagde 1].

2.8. De Belastingdienst heeft bij brief van 3 juli 2007 aan [naam fiscaal adviseur], fiscaal adviseur van de [erven], bericht bereid te zijn uitstel van betaling te verlenen voor de opgelegde aanslagen successierecht in afwachting van de beslissing van de Inspecteur op de daartegen ingediende bezwaarschriften, indien 50% van de aandelen in MVG ter meerdere zekerheid wordt verpand.

2.9. Bij e-mailbericht van 24 september 2007 heeft [naam adv[naam adviseur], de toenmalige adviseur van [gedaa[gedaagde 1], aan [naam fiscaal adviseur] laten weten dat de pandakte na bestudering door [naam 2e adviseur], eveneens een (voormalig) adviseur van [gedaa[gedaagde 1], geheel akkoord is bevonden. Vervolgens heeft het notariskantoor [naam notariskantoor] op 23 oktober 2007 de conceptakte van verpanding aan alle betrokkenen gezonden. [gedaa[gedaagde 1] heeft uiteindelijk niet ingestemd met deze conceptakte.

2.10. Bij brief van 5 oktober 2007 heeft [naam adviseur] aan mr. [raadsman eiseres 1], de raadsman van [eiseres 1], wettelijk vertegenwoordiger van [kind eiseres 1], laten weten dat hij de bespreking van 9 oktober 2007 voorafgaand aan de algemene vergadering van aandeelhouders van MVG (hierna: AVA) van 10 oktober 2007 niet zal bijwonen, aangezien mede door toedoen van [eiseres 1] de verdeling van de aandelen in MVG bewust is tegengehouden, en sommeert hij [raadsman eiseres 1] om alsnog voor 10 oktober 2007 bij een notaris in Den Haag tot verdeling van deze aandelen over te gaan.

2.11. Bij brief van 9 oktober 2007 heeft [raadsman eiseres 1] [naam adviseur], voor zover relevant, als volgt bericht:

“Laat ik vooropstellen dat noch uw cliënte, noch één van haar adviseurs, waar ik u onder schaar, aan mij, mijn cliënte of één van de andere erven een verzoek gedaan heeft om de aandelen van de besloten vennootschap Museum Vastgoed, zoals u zegt “te verdelen”.

Uw cliënte heeft meegewerkt aan de akte, waarbij de gedeeltelijke opheffing van de verdeling werd vastgesteld en bij welke akte nadrukkelijk de onverdeeldheid van de aandelen in Museum Vastgoed BV gehandhaafd werd.”

2.12. [eisers gezamelijk] hebben op 9 oktober 2007, buiten aanwezigheid van [gedaa[gedaagde 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] of haar adviseur [naam adviseur], de AVA van 10 oktober 2007 voorbesproken.

2.13. Bij de AVA van 10 oktober 2007 was [naam adviseur] namens [gedaa[gedaagde 1], wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1], aanwezig.

2.14. Van het verloop van de AVA is een notarieel proces-verbaal opgemaakt, waarin zover van belang, het volgende is opgenomen:

“De heer [gedaagde 3]:

(…) Wij zijn geïnformeerd door een aandeelhouder dat deze haar aandelen, het gaat om mevrouw [gedaa[gedaagde 1], heeft verkocht. Zij kan alleen niet leveren en omdat zij niet kan leveren omdat de verdeling van de aandelen wordt tegengehouden (…). Hebben we een situatie dat dadelijk er een nieuwe aandeelhouder is en deze aandeelhouder is het eens met het gevoerde beleid van de directie, staat er ook achter, dus ik denk dat er een situatie dan is van zestig procent (…) van de aandeelhouders die dit beleid onderschrijft. (…) bekendgemaakt dat [gedaa[gedaagde 1] het aandeel van haar minderjarige dochter in het onverdeelde aandelenbezit MVG heeft verkocht aan een derde. (…)

De heer [raadsman eiseres 1]

“U heeft in de vergadering aangegeven dat er een koper is van een deel van de aandelen. Kunt u zeggen wie de koper is?”

De heer [gedaagde 3]

“Nee, want de koper heeft nadrukkelijk dat verzocht om anoniem te blijven op dit moment. Op het moment dat wij uit onze hoedanigheid als directie onze goedkeuring te verlenen door een overdracht dan zullen wij alle aandeelhouders informeren. (…)

De heer [raadsman eiseres 1]:

“Zijn er bijzondere afspraken tussen u, uw vennootschappen en Museum Vastgoed of een van haar deelnemingen?”

De heer [gedaagde 3]

“Nee, nee ik kan u wel zeggen dat ik niet de koper ben.”

De heer [raadsman eiseres 1]

“U bent ook niet direct…?”

De heer [gedaagde 3]

“Of indirect, neen. Er is absoluut een derde partij die deze aandelen koopt.”

De heer [raadsman eiseres 1]:

“Heeft u bemiddeld bij deze verkoop?”

De heer [gedaagde 3]

“Nee.””

2.15. [gedaagde 3] is op 16 oktober 2007 door de nationale recherche gehoord en heeft daarbij, voor zover relevant, verklaard:

“(…) tegelijkertijd moet ik met deze dame een erfenis afwikkelen. Ik heb het met haar al afgewikkeld. De waarde van de aandelen is volgens het jaarrapport 4,3 miljoen en ik betaal haar 4,6. Zij krijgt een supermooie prijs, maar dat komt omdat ik ook in de clinch lig met de andere aandeelhouders. En omdat zij nu oversteekt is de positie van de andere aandeelhouders zodanig dat ze zeg maar niet meer de hele dag moeilijk kunnen doen. Daarmee hebben we veel gewonnen. Er ontstaat een nieuwe situatie.”

Dit proces-verbaal is op 25 oktober 2007 door [gedaagde 3] ondertekend.

2.16. Bij brief van 24 december 2007 heeft [gedaagde 3] de nationale recherche verzocht een onjuistheid in het proces-verbaal van 25 oktober 2007 te corrigeren. Abusievelijk zou in het proces-verbaal zijn opgenomen dat [gedaagde 3] de koper van de aandelen MVG zou zijn in plaats van Rigi Invest Holding A.G.

2.17. Bij verzoekschrift van 10 december 2007 hebben [eisers gezamelijk] deze rechtbank ex artikel 3:178 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht een vordering tot verdeling van de aandelen voor een periode van drie jaar uit te sluiten. Daarnaast hebben [eisers gezamelijk] eveneens op 10 december 2007 bij de kantonrechter het verzoek ingediend tot benoeming van een bijzonder curator die de belangen van [kind gedaagde 1] zal gaan behartigen voor de duur van de vereffening van de nalatenschap.

3. Het geschil

3.1. [eisers gezamelijk] vorderen – samengevat – op straffe van verbeurte van een dwangsom:

I. [gedaa[gedaagde 1] te gebieden om aan hen afschrift te verstrekken van de koopovereenkomst aandelen in MVG waarbij [gedaa[gedaagde 1] het onverdeelde aandelenbelang van [kind gedaagde 1] heeft willen vervreemden aan een derde;

II. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te gebieden om aan hen kopieën te verstrekken van alle in het bezit van [gedaagde 2] dan wel MVG zijnde gegevens omtrent de pretense aandelenverkoop zoals hiervoor onder I genoemd;

III. [gedaa[gedaagde 1] te gebieden over te gaan tot het verlenen van volledige medewerking aan het verpanden van de door de [erven] gehouden aandelen in MVG aan de Belastingdienst;

IV. [gedaagden gezamelijk] hoofdelijk te verbieden direct of indirect medewerking te verlenen aan de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst tot verkoop en levering of bezwaring van het (onverdeelde) aandelenpakket van [kind gedaagde 1] in MVG indien en zolang dat pakket deel uitmaakt van een onverdeeldheid en de kantonrechter nog geen toestemming tot vervreemding of bezwaring heeft gegeven.

Met veroordeling van [gedaagden gezamelijk] in de kosten van dit geding.

3.2. [eisers gezamelijk] stellen daartoe – samengevat – dat sprake is van een onverdeeld aandelenbezit in de (onverdeelde) nalatenschap. Ingevolge artikel 3:190 lid 1 BW kan geen van de deelgenoten beschikken over zijn of haar aandeel in een tot deze bijzondere gemeenschap behorend goed afzonderlijk zonder toestemming van de overige deelgenoten. [gedaa[gedaagde 1] heeft toestemming gevraagd noch gekregen om het onverdeeld aandeel van [kind gedaagde 1] in de aandelen MVG te vervreemden. Desalniettemin heeft [gedaa[gedaagde 1] deze aandelen – ver onder de werkelijke waarde – namens [kind gedaagde 1] verkocht aan Rigi. Daarnaast heeft [gedaa[gedaagde 1] nagelaten in overeenstemming met artikel 1:345 lid 1 sub a BW de kantonrechter te verzoeken goedkeuring te verlenen voor het aangaan van deze aandelentransactie. [gedaa[gedaagde 1] kan dan ook niet beschikken over de aandelen in MVG, met als gevolg dat zij de verkochte aandelen niet kan leveren.

3.2.1. Daarnaast stellen [eisers gezamelijk] dat zij bij instandhouding van de onverdeeldheid van de aandelen in MVG een groot belang hebben. Immers, alleen als de [erven] over 50% van de aandelen in MVG beschikken kunnen zij door middel van de stemverhoudingen in de vennootschap MVG enig tegenwicht bieden aan [gedaagde 3], houder van de overige 50% van de aandelen. Daarnaast is het van belang dat de [erven] aan een koper van de aandelen het gehele pakket van 50% kunnen aanbieden. Een pakket van slechts 40% van de aandelen zal naar alle waarschijnlijkheid onverkoopbaar zijn. Tot slot stellen [eisers gezamelijk] dat de [erven] gezamenlijk besloten hebben het gezamenlijke aandelenpakket MVG te verpanden aan de Belastingdienst. Enkel en alleen op basis van deze zekerheid is de Belastingdienst bereid uitstel van betaling te verlenen. Indien de onverdeeldheid wordt opgeheven en [gedaa[gedaagde 1] de aandelen in MVG levert aan Rigi, schendt [gedaa[gedaagde 1] de afspraak met [eisers gezamelijk] en de afspraak met de Belastingdienst. Dit kan tot gevolg hebben dat de Belastingdienst overgaat tot invordering van de belastingschuld waarvoor de betalingstermijn inmiddels is verstreken. Het ontbreekt de [erven] echter aan voldoende (liquide) middelen om die schuld te voldoen. [gedaa[gedaagde 1] dient de overeenkomst met de Belastingdienst dan ook na te komen en haar medewerking te verlenen aan het verpanden van de door de [erven] gezamenlijk gehouden aandelen in MVG aan de Belastingdienst.

3.2.2. [eisers gezamelijk] stellen nog altijd belang te hebben bij de vordering tot afgifte van de koopovereenkomst. Zij betwijfelen of de in het geding gebrachte koopovereenkomst wel de echte is, nu deze dateert van 9 november 2006 en hier tot oktober 2007 nimmer melding van is gemaakt.

3.2.3. Ook [gedaagde 3] en [gedaagde 2] handelen onrechtmatig jegens [eisers gezamelijk] door in strijd met de waarheid te verklaren over de daadwerkelijke koper van het onverdeeld aandeel van [kind gedaagde 1] in de aandelen MVG. Daarnaast hebben zij bewust in strijd met de wet gehandeld door mee te werken aan deze aandelentransactie, terwijl zij ervan op de hoogte waren dat [gedaa[gedaagde 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] voor deze aandelentransactie toestemming had moeten vragen aan de kantonrechter, wat niet is gebeurd. Dit alles om [eisers gezamelijk] te belemmeren in het uitoefenen van hun rechten. Zij hebben dan ook recht op en belang bij het verkrijgen van alle informatie over deze koopovereenkomst.

3.2.4. [eisers gezamelijk] stellen een spoedeisend belang bij hun vorderingen te hebben, nu de koper van het onverdeelde aandeel van [kind gedaagde 1] in de aandelen MVG aanspraak maakt op levering van dit aandelenpakket, en [gedaagde 3] en [naam adviseur] op 28 november 2007 hebben opgemerkt dat de aandelen in MVG inmiddels door de rechtbank Amsterdam zouden zijn verdeeld. Ook al kan [gedaa[gedaagde 1] de aandelen in MVG niet leveren, het is [eisers gezamelijk] inmiddels wel duidelijk dat zij het met de regels niet zo nauw neemt, zodat zij een spoedeisend belang hebben bij de door hen ingestelde vorderingen.

3.3. [gedaa[gedaagde 1] heeft daarentegen allereerst aangevoerd dat [eisers gezamelijk] niet-ontvankelijk zijn, nu zij niet in persoon, maar in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] had moeten worden gedagvaard. In persoon is zij immers geen partij bij de koopovereenkomst van 9 november 2006. De vorderingen moeten om die reden worden afgewezen.

3.3.1. Vervolgens heeft [gedaa[gedaagde 1] erop gewezen dat zij voorafgaand aan de zitting de koopovereenkomst van 9 november 2006 heeft overgelegd, zodat aan deze vordering is voldaan. Hierin staat opgenomen dat zij als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] het aandelenpakket heeft verkocht aan Rigi voor € 4.650.000,00, terwijl de waarde – volgens de jaarrekening van MVG – afgerond € 4.400.000,00 bedroeg; een goede deal derhalve, die afgunst heeft gewekt bij de overige erfgenamen.

3.3.2. Tegen de overige vorderingen heeft [gedaa[gedaagde 1] primair aangevoerd dat de [erven] bij akte van 16 mei 2006 reeds een deel van de nalatenschap hebben verdeeld. Deze verdeling beëindigde de gemeenschap. Het aan [kind gedaagde 1] toekomende pakket aandelen in MVG maakt dan ook geen deel meer uit van een onverdeeldheid, zodat het [gedaa[gedaagde 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] vrijstond om deze aandelen – zonder voorafgaande toestemming – te vervreemden.

3.3.3. Subsidiair stelt [gedaa[gedaagde 1] zich op het standpunt dat door de akte van verdeling de bijzondere gemeenschap in een eenvoudige gemeenschap is omgezet. Ingevolge artikel 3:175 lid 1 BW geldt dat iedere deelgenoot over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed kan beschikken, zodat [gedaa[gedaagde 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1] de aandelen in MVG rechtsgeldig heeft verkocht.

3.3.4. Met betrekking tot het verpanden van de aandelen in MVG door de [erven] aan de Belastingdienst voert [gedaa[gedaagde 1] aan dat er andere mogelijkheden zijn om invordering van de aanslagen successierecht te voorkomen. Zo zou [kind gedaagde 1] zelf zekerheid kunnen stellen in de vorm van liquiditeiten, terwijl [eisers gezamelijk] het overgebleven 40% belang in de aandelen MVG aan de Belastingdienst kan verpanden. Zij betwist dat zij met het verpanden heeft ingestemd.

3.4. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] hebben in de eerste plaats aangevoerd dat [gedaagde 3] in privé aandeelhouder is van MVG en dat [gedaagde 2] bestuurder is van MVG. [eisers gezamelijk] hadden dan ook MVG moeten dagvaarden, indien zij informatie willen verkrijgen over de identiteit van de koper van de aandelen.

3.4.1. [gedaagde 3] noch [gedaagde 2] is van plan de resterende aandelen in MVG te verwerven. [gedaagde 2] houdt geen aandelen in MVG en heeft derhalve ook geen belang om de overige 50% aandelen in MVG te verwerven. Ook [gedaagde 3] heeft geen belangstelling meer voor de aandelen. Verder zijn [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet betrokken bij Rigi. Zij waren wel op de hoogte dat Rigi de rechtspersoon is die de aandelen van [kind gedaagde 1] heeft gekocht, maar meer is hun ook niet bekend, zodat de vordering tot het verstrekken van informatie moet worden afgewezen.

3.4.2. De vordering onder IV moet eveneens worden afgewezen, aangezien die in ieder geval overbodig is. De aandelen kunnen immers pas worden geleverd na het doorlopen van de blokkeringsregeling zoals opgenomen in artikel 10 van de Statuten. Deze blokkeringsregeling houdt in dat de AVA eerst goedkeuring aan de transactie zal moeten geven. Deze goedkeuring is nog niet formeel gevraagd en een AVA is nog niet gepland, zodat gedaagden ook niet aan het gevorderde kunnen voldoen, aldus [gedaagde 3] en [gedaagde 2].

4. De beoordeling

4.1. Zoals het de [erven] vrijstaat om met hun gezamenlijke 50% van de aandelen in MVG één lijn te trekken tegenover mede-aandeelhouder [gedaagde 3], zo is het [gedaagde 3]’s goed recht om, geconfronteerd met die ene lijn en met de advocaten van de erfgenamen, te proberen één van de erfgenamen uit dat verband los te weken. Dat is op zichzelf niet onrechtmatig. Op zichzelf handelde ook [gedaa[gedaagde 1] niet onrechtmatig tegenover de andere erfgenamen door, als vertegenwoordiger van haar minderjarige dochter, daarop in te gaan. Een en ander zal uiteraard wel volgens de wettelijke regels moeten verlopen. Zoals blijkt uit de aangehaalde bepalingen uit de koopovereenkomst van 9 november 2006 hebben de partijen bij die overeenkomst dat in ieder geval onderkend.

4.2. Volgens [eisers gezamelijk] is de verkoop van het aandeel van [kind gedaagde 1] om drie redenen onrechtmatig: (i) [gedaa[gedaagde 1] heeft nagelaten ingevolge artikel 3:190 lid 1 BW toestemming te vragen aan de overige deelgenoten, (ii) [gedaa[gedaagde 1] heeft voor deze transactie geen toestemming aan de kantonrechter gevraagd en (iii) [gedaa[gedaagde 1] heeft het aandelenpakket tegen een prijs verkocht die aanzienlijk lager is dan de werkelijke waarde.

Toestemming overige deelgenoten.

4.3. Een nalatenschap is een bijzondere gemeenschap. Hiervoor gelden de bepalingen van afdeling 3.7.2 BW alsmede die van 3.7.1 BW voor zover daarvan in afdeling 3.7.2 niet wordt afgeweken. Op 16 mei 2006 is ten overstaan van de notaris de “akte vaststelling gerechtigdheid deelgenoten” opgemaakt. Deze akte bevat een gedeeltelijke beschrijving van de nalatenschap, en houdt een gedeeltelijke verdeling van deze nalatenschap in. De akte regelt verdeling van aandelen in vier verschillende vennootschappen onder de [erven]. In twee daarvan, MVG en Nieuwe Zuider Bouwmaatschappij, krijgen zij ieder een een/vijfde onverdeeld aandeel. Nog daargelaten dat de akte slechts een gedeeltelijke beschrijving van de nalatenschap betreft, blijven derhalve twee van de vier in deze akte opgenomen goederen onverdeeld, zodat daarvoor nog steeds de regels van de bijzondere gemeenschappen gelden. [gedaa[gedaagde 1] had dan ook op grond van artikel 3:190 lid 1 BW van [eisers gezamelijk] toestemming moeten krijgen voordat zij het onverdeeld aandeel van [kind gedaagde 1] in de aandelen MVG verkocht aan Rigi.

Machtiging van de kantonrechter.

4.4. Vaststaat dat [gedaa[gedaagde 1] de kantonrechter niet om machtiging heeft gevraagd voor de verkoop van de aandelen in MVG van haar dochter. Zij heeft aangevoerd dat deze machtiging ook achteraf kan worden verkregen, maar ten tijde van de zitting was het verzoek daartoe nog niet ingediend.

Te lage prijs.

4.5. De stelling dat [gedaa[gedaagde 1] de aandelen tegen een te lage prijs zou hebben verkocht aan Rigi is gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar de

– door alle aandeelhouders goedgekeurde – jaarstukken MVG. Volgens deze jaarstukken vertegenwoordigt het aandelenpakket van [kind gedaagde 1] een waarde van ongeveer € 4.400.000,00, terwijl met Rigi uiteindelijk een koopprijs van € 4.650.000,00 is overeengekomen. Dit spoort met wat [gedaagde 3] in een onbewaakt ogenblik bij de nationale recherche heeft verklaard, namelijk dat [gedaa[gedaagde 1] daarmee een supermooie prijs heeft gekregen voor het aandelenpakket. Al met al kan op basis van de thans beschikbare gegevens niet op voorhand worden gezegd dat sprake is van een te lage verkoopprijs. Daar komt bij dat de kantonrechter alvorens machtiging te verlenen zal nagaan of de rechtshandeling in het belang van de minderjarige [kind gedaagde 1] is. Daarbij zal het niet alleen over de prijs gaan, maar ook om de vraag of het in haar belang is zich los te maken van de overige erfgenamen, dan wel met hen te blijven optrekken. In zoverre hebben de overige erfgenamen belang bij het al dan niet verlenen van een machtiging door de kantonrechter. Verder hebben [eisers gezamelijk] bij de kantonrechter een verzoek ingediend tot de benoeming van een bijzonder curator. Indien dat verzoek wordt ingewilligd, zal deze curator de belangen van [kind gedaagde 1] behartigen en daarbij nagaan of zij een reële prijs voor haar aandelen krijgt.

4.6. Nu [gedaa[gedaagde 1] zonder toestemming van de overige erfgenamen en zonder machtiging van de kantonrechter tot verkoop is overgegaan, is er voldoende aanleiding haar te verbieden als wettelijk vertegenwoordiger mee te werken aan verkoop, levering of bezwaring van het aandelenpakket van haar minderjarige dochter, zolang dat pakket deel uitmaakt van een onverdeeldheid en de kantonrechter nog geen machtiging heeft verleend. Door die toestemming en machtiging niet af te wachten handelt zij ook persoonlijk onrechtmatig jegens de overige erfgenamen, zodat het verweer dat die erfgenamen niet ontvankelijk zijn, omdat ze haar niet als wettelijk vertegenwoordiger hebben gedagvaard, niet opgaat. Bovendien is zij in de overeenkomst van 9 november 2006 ook in persoon verplichtingen aangegaan. De dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals hierna is vermeld.

4.7. [gedaa[gedaagde 1] heeft voorafgaand aan de zitting de koopovereenkomst van 9 november 2006 overgelegd. [eisers gezamelijk] hebben dan ook geen belang meer bij de vordering om een afschrift daarvan te krijgen. Er is nog wel gesteld dat daarnaast nog een andere – recentere – koopovereenkomst zou bestaan, maar dat is in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.8. Ook de vordering onder III moet worden afgewezen. Vaststaat dat de vijf [erven] onderling vergevorderde onderhandelingen hebben gevoerd over het aanbieden van zekerheden aan de belastingdienst ter voorkoming van invordering van de opgelegde successieaanslagen. Een schriftelijke overeenkomst is echter nooit getekend. [gedaa[gedaagde 1] heeft gemotiveerd betwist dat definitief overeenstemming is bereikt. Zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor het kort geding zich niet leent, kan dan ook niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat zij zich tot verpanding aan de Belastingdienst heeft verplicht.

4.9. Van enige betrokkenheid van [gedaagde 2], die onweersproken heeft gesteld slechts bestuurder van MVG te zijn, is niets gebleken. De tegen haar gerichte vorderingen worden dan ook afgewezen.

4.10. [gedaagde 3] heeft niet betwist dat hij heeft bemiddeld bij het vinden van een koper voor de aandelen van de minderjarige [kind gedaagde 1]. Verder is aannemelijk dat Rigi, althans degene(n) die daarachter zit(ten) meer tot het kamp [gedaagde 3] dan tot dat van [eisers gezamelijk], zullen behoren. Dat is echter niet onrechtmatig. Nu [gedaagde 3] gemotiveerd heeft betwist dat hij direct of indirect zeggenschap over Rigi heeft en heeft toegezegd dat hij tezijnertijd – in het kader van de benodigde toestemming van de AVA van MVG – de dan vereiste informatie over de voorgenomen verkoop van het aandelenpakket [kind gedaagde 1] zal verschaffen, is er geen grondslag om hem te gebieden thans nadere informatie over de aandelenverkoop te verstrekken. Aangezien de mate van betrokkenheid van [gedaagde 3] niet vaststaat is er ook geen grondslag om hem te verbieden mee te werken aan verkoop, levering of bezwaring van het aandelenpakket van [kind gedaagde 1]. Ook die vordering zal dus worden afgewezen.

4.11. Aangezien [eisers gezamelijk] en [gedaa[gedaagde 1] elk op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden verrekend.

4.12. Als de in het ongelijk gestelde partij worden [eisers gezamelijk] veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 3] en [gedaagde 2], begroot op:

- vast recht € 251,00

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [gedaa[gedaagde 1] om, al dan niet als wettelijk vertegenwoordiger van [kind gedaagde 1], direct of indirect medewerking te verlenen aan de totstandkoming of uitvoering van een overeenkomst tot verkoop en levering en bezwaring van het onverdeelde aandelenpakket van [kind gedaagde 1] in het geplaatste kapitaal van Museum Vastgoed Groep B.V. indien en zolang dat pakket deel uitmaakt van een onverdeeldheid en de kantonrechter nog geen machtiging tot vervreemding of bezwaring heeft gegeven,

5.2. bepaalt dat [gedaa[gedaagde 1] aan [eisers gezamelijk] een dwangsom verbeurt van € 100.000,00 indien zij niet voldoet aan het onder 5.1. bepaalde en daarnaast voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt aan [eisers gezamelijk] een dwangsom verbeurt van € 25.000,00, tot een maximum van € 500.000,00,

5.3. veroordeelt [eisers gezamelijk] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.067,00,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. verrekent de kosten van deze procedure tussen [eisers gezamelijk] en [gedaa[gedaagde 1], in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.M.C. Grob, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2008.?