Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC2264

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/740 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak inzake ziekmelding brandweermannen Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/740 AW

tussen:

[eiser], wonende te Almere,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van de Veerdonk,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.H.G.T.E. de Wit, T. Kriek en D. Kransen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 19 januari 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 10 december 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 23 oktober 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij de Brandweer Amsterdam bestaan er binnen de uitrukdienst een zogenaamde A- en B-ploeg. Beide ploegen bestaan uit ongeveer 125 brandweermedewerkers. Eiser is werkzaam binnen de B-ploeg.

Op 5 november 2005 meldt (vrijwel) de gehele A-ploeg zich ziek. De Commandant van de Brandweer is van mening dat de ziekmeldingen, gelet op de massaliteit daarvan, verband houden met de lopende onderhandelingen over het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). Bij besluiten van 10 november 2005 heeft verweerder dan ook medegedeeld dat de bezoldiging van de medewerkers van de A-ploeg over de op 5 november 2005 ten onrechte niet gewerkte uren zal worden ingehouden. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat de betrokkenen zich schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. Bij eenzelfde of soortgelijke handeling in de toekomst zal een disciplinaire maatregel worden opgelegd. In de wekelijkse personeelsuitgave van de ‘Flits’, die onder de medewerkers van de A- en B-ploeg wordt verspreid, besteedt de Brandweer aandacht aan de massale ziekmelding van 5 november 2005.

Op 6 december 2005 heeft eiser zich ziek gemeld. Naast eiser hebben op die dag ook (vrijwel) alle andere medewerkers van de B-ploeg zich ziek gemeld.

Bij brief van 12 december 2005 heeft de Commandant geconstateerd dat eiser de ziekmelding als stakingsmiddel heeft gebruikt. De Commandant is dan ook voornemens de bezoldiging over de ten onrechte niet gewerkte uren in te houden alsmede, in verband met plichtsverzuim, bij wijze van disciplinaire maatregel twee verlofdagen in te houden.

Op 10 januari 2006 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

Bij besluit van 13 maart 2006 heeft verweerder mede gedeeld dat de bezoldiging over de op 6 december 2005 ten onrechte niet gewerkte uren zal worden ingehouden op grond van artikel 453 van het Ambtenaren Reglement Amsterdam (ARA). Voorts zullen, bij wijze van disciplinaire maatregel, twee verlofdagen worden ingehouden op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2006 gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser op de dag van ziekmelding thuis door een bedrijfsarts is onderzocht. Deze achtte eiser arbeidsgeschikt, zodat het ervoor gehouden moet worden dat eiser die gehele dag arbeidsgeschikt was en zich dus ten onrechte ziek heeft gemeld. Eiser heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan arbeidsverzuim als gevolg van verwijtbaar of nalatig handelen, zodat de bezoldiging over zes niet gewerkte uren kon worden ingehouden. Het verwijtbaar of nalatig handelen levert voorts plichtsverzuim op, zodat een disciplinaire maatregel kon worden opgelegd. Nu eiser zich niet direct na zijn bezoek aan de bedrijfsarts hersteld heeft gemeld, doch pas de volgende dag, zijn er terecht twee verlofdagen ingehouden, aldus verweerder.

In beroep heeft eiser – kort weergegeven – aangevoerd dat hij zich heeft ziek gemeld in verband met pijn in zijn lies na een ondergane operatie, conform het ziekteverzuimprotocol, omdat hij zich niet in staat voelde om op dat moment zijn zware werkzaamheden te verrichten. De ziekmelding was dus terecht. Eiser is bij de controle niet arbeidsgeschikt geacht door zijn werkgever of door de bedrijfsarts en hoefde niet aan het werk. Eiser had op 7 december 2005 een afspraak in het Flevoziekenhuis. Gesteld kan dan ook worden dat de leiding van de Brandweer op de hoogte was van eisers ziektebeeld en derhalve van zijn beperkte inzetbaarheid. Eiser ziet dan ook niet wat hem verweten wordt. Er is sprake van vooringenomenheid bij de besluitvorming.De bewijslast ten aanzien van eisers arbeidsgeschiktheid berust bij verweerder, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 453, eerste lid, van het ARA wordt over de tijd van arbeidsverzuim als gevolg van nalatigheid of verwijtbaar handelen van de ambtenaar, hem geen bezoldiging betaald, onverminderd de elders in de rechtspositieregelingen gegeven regels met betrekking tot het niet vervullen van de betrekking.

Ingevolge artikel 511, eerste lid, van het ARA gaat arbeidsongeschiktheid in op de dag dat de ambtenaar zich volgens de procedure genoemd in artikel 502a, eerste lid, arbeidsongeschikt heeft gemeld. Ingevolge het tweede lid eindigt de arbeidsongeschiktheid op het moment dat de ambtenaar:

a op advies van de arbodeskundige medisch geschikt is verklaard voor het volledig vervullen van zijn functie, of

b zijn functie volledig is gaan vervullen, tenzij dit in strijd is met de voorschriften van de arbodeskundige of gemaakte afspraken.

Ingevolge artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA kan de ambtenaar de straf worden opgelegd van vermindering van het recht op vakantie met ten hoogste drie dagen.

Eiser is om 21.45 uur door een bedrijfsarts en een controleur bezocht. Uit de verklaring van de bedrijfarts, die zich in het dossier bevindt, blijkt dat deze eiser mondeling arbeidsgeschikt heeft verklaard. Eiser betwist dit, maar heeft dat niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij de volgende dag naar het Flevoziekenhuis moest voor controle in verband met een eerdere operatie aan zijn lies. De rechtbank is van oordeel dat daaruit niet kan worden afgeleid dat eiser niet geschikt was om te werken.

Eisers arbeidongeschiktheid is dus, ingevolge artikel 511, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARA geëindigd op het moment dat de bedrijfarts hem arbeidsgeschikt heeft verklaard. Na het aanhoren van het oordeel van de bedrijfsarts heeft eiser zich echter niet direct hersteld gemeld en is evenmin aan het werk gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank was vanaf het moment waarop eiser arbeidsgeschikt is verklaard sprake van arbeidsverzuim als gevolg van nalatigheid als bedoeld in artikel 453, eerste lid, van het ARA. Eiser heeft immers niet voldaan aan de opdracht om aan het werk te gaan. Eiser heeft zich pas op 11 december 2007 hersteld gemeld, zodat hij gedurende in ieder geval zes uren ten onrechte niet gewerkt heeft en eiser over die uren geen recht heeft op bezoldiging.

Nu aan het plichtsverzuim, en het inhouden van twee verlofdagen, door verweerder eveneens het verwijtbaar of nalatig handelen in de vorm van het voorwenden van ziekte ten grondslag is gelegd, kan ook dit deel van het bestreden besluit, gelet op het bovenstaande, stand houden.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

Voor vergoeding van griffierecht dan wel veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2008 door mr. R.B. Kleiss, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Is verhinderd te tekenen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.