Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC2259

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/252 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak inzake ziekmelding brandweermannen Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/164
JIN 2008/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/252 AW

tussen:

[eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van de Veerdonk,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M.H.G.T.E. de Wit, T. Kriek en D. Kransen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 15 januari 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 december 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 23 oktober 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij de Brandweer Amsterdam bestaan er binnen de uitrukdienst een zogenaamde A- en B-ploeg. Beide ploegen bestaan uit ongeveer 125 brandweermedewerkers. Eiser is werkzaam binnen de B-ploeg.

Op 5 november 2005 meldt (vrijwel) de gehele A-ploeg zich ziek. De Commandant van de Brandweer is van mening dat de ziekmeldingen, gelet op de massaliteit daarvan, verband houden met de lopende onderhandelingen over het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO). Bij besluiten van 10 november 2005 heeft verweerder dan ook medegedeeld dat de bezoldiging van de medewerkers van de A-ploeg over de op 5 november 2005 ten onrechte niet gewerkte uren zal worden ingehouden. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat de betrokkenen zich schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. Bij eenzelfde of soortgelijke handeling in de toekomst zal een disciplinaire maatregel worden opgelegd. In de wekelijkse personeelsuitgave van de ‘Flits’, die onder de medewerkers van de A- en B-ploeg wordt verspreid, besteedt de Brandweer aandacht aan de massale ziekmelding van 5 november 2005.

Op 6 december 2005 heeft eiser zich ziek gemeld. Naast eiser hebben op die dag ook (vrijwel) alle andere medewerkers van de B-ploeg zich ziek gemeld.

Bij brief van 12 december 2005 heeft de Commandant geconstateerd dat eiser de ziekmelding als stakingsmiddel heeft gebruikt. De Commandant is dan ook voornemens de bezoldiging over de ten onrechte niet gewerkte uren in te houden alsmede, in verband met plichtsverzuim, bij wijze van disciplinaire maatregel twee verlofdagen in te houden.

Op 10 januari 2006 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

Bij besluit van 13 maart 2006 heeft verweerder mede gedeeld dat de bezoldiging over de op 6 december 2005 ten onrechte niet gewerkte uren zal worden ingehouden op grond van artikel 453 van het Ambtenaren Reglement Amsterdam (ARA). Voorts zullen, bij wijze van disciplinaire maatregel, twee verlofdag worden ingehouden op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 13 maart 2006 gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser op de dag van ziekmelding door een bedrijfsarts is onderzocht. Deze achtte eiser per 7 december 2005 arbeidsgeschikt, zodat eiser (in ieder geval) op 8 december 2005 zijn werkzaamheden diende te hervatten. Eiser heeft zich evenwel op die datum niet hersteld gemeld, zodat sprake is van arbeidsverzuim als gevolg van verwijtbaar of nalatig handelen. De bezoldiging over de niet gewerkte uren kon dan ook worden ingehouden. Het verwijtbaar of nalatig handelen levert voorts plichtsverzuim op, zodat een disciplinaire maatregel kon worden opgelegd. Nu eiser zich niet direct na het onderzoek door de bedrijfsarts doch pas op 9 december 2005 hersteld heeft gemeld, zijn er terecht twee verlofdagen ingehouden, aldus verweerder.

In beroep heeft eiser – kort weergegeven – aangevoerd dat hij zich heeft ziek gemeld, conform het ziekteverzuimprotocol, omdat hij zich niet in staat voelde om op dat moment zijn zware werkzaamheden te verrichten. De ziekmelding was dus terecht. Eiser is per 7 december 2005 arbeidsgeschikt geacht. Zijn eerste werkdag zou volgens het rooster zijn op 8 december 2005. Eiser had evenwel geruild met een collega, zodat dit 10 december 2005 werd. Op die dag is eiser gewoon gaan werken, zodat het eiser niet duidelijk is wat hem verweten wordt. Er is sprake van vooringenomenheid bij de besluitvorming, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 453, eerste lid, van het ARA wordt over de tijd van arbeidsverzuim als gevolg van nalatigheid of verwijtbaar handelen van de ambtenaar, hem geen bezoldiging betaald, onverminderd de elders in de rechtspositieregelingen gegeven regels met betrekking tot het niet vervullen van de betrekking.

Ingevolge artikel 511, eerste lid, van het ARA gaat arbeidsongeschiktheid in op de dag dat de ambtenaar zich volgens de procedure genoemd in artikel 502a, eerste lid, arbeidsongeschikt heeft gemeld. Ingevolge het tweede lid eindigt de arbeidsongeschiktheid op het moment dat de ambtenaar:

a op advies van de arbodeskundige medisch geschikt is verklaard voor het volledig vervullen van zijn functie, of

b zijn functie volledig is gaan vervullen, tenzij dit in strijd is met de voorschriften van de arbodeskundige of gemaakte afspraken.

Ingevolge artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA kan de ambtenaar de straf worden opgelegd van vermindering van het recht op vakantie met ten hoogste drie dagen.

Gelet op artikel 511 van het ARA vangt arbeidsongeschiktheid aan op de dag van de ziekmelding en eindigt op het moment dat de bedrijfsarts de betrokkene arbeidsgeschikt verklaart. Niet in geschil is dat eiser door de bedrijfsarts per 7 december 2007 arbeidsgeschikt is geacht. Gesteld noch gebleken is dat het onderzoek door de bedrijfsarts onvoldoende zorgvuldig is verricht dan wel dat diens oordeel onjuist geacht moet worden. Het voorgaande leidt ertoe dat eiser met ingang van 7 december 2005 arbeidsgeschikt geacht moest worden en zich dus (in ieder geval) op de eerstvolgende werkdag hersteld diende te melden. Eiser heeft dit nagelaten en is ook niet aan het werk gegaan op die dag. Ter zitting is gebleken dat eiser zijn stelling dat hij de dienst van die dag zou hebben geruild, niet langer handhaaft.

Het bovenstaande leidt ertoe dat eiser verzuimd heeft als gevolg van verwijtbaar handelen, hij heeft de opdracht om weer aan het werk te gaan niet opgevolgd, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 453, eerste lid, van het ARA kon overgaan tot het inhouden van eisers bezoldiging over zes van de op 8 december 2005 niet gewerkte uren.

Nu aan het plichtsverzuim door verweerder eveneens het verwijtbaar of nalatig handelen door niet aan het werk te gaan terwijl hij arbeidsgeschikt werd geacht, ten grondslag is gelegd, was verweerder bevoegd een disciplinaire straf op teleggen. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde straf niet onevenredig is. Hierbij acht de rechtbank van belang de bijzondere omstandigheden gelegen in de massale ziekmelding, de gevolgen die de eerdere massale ziekmelding in november 2005 had gehad en de aankondiging in de ‘Flits’ dat bij soortgelijke handelingen een disciplinaire straf zal worden opgelegd.

Ook dit deel van het bestreden besluit kan daarom, gelet op het bovenstaande, stand houden.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit stand houdt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding over te gaan tot een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 januari 2008 door mr. R.B. Kleiss, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Is verhinderd te tekenen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: A