Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC1802

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
365214
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ6269, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersrecht, letselschade, voetganger of door een motorrijtuig vervoerde persoon, eigen schuld, billijkheidscorrectie

Art. 185 WVW

Het betreft een aanrijding op de snelweg A28.

Aan de orde is onder meer de vraag of eiser (het slachtoffer) moet worden aangemerkt als voetganger en daarmee de bescherming geniet van artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet of dat hij een persoon is die door een motorrijtuig werd vervoerd. De rechtbank komt in dit geval tot de conclusie dat eiser dient te worden aangemerkt als voetganger.

Daarnaast is de vraag aan de orde of sprake is van eigen schuld van de zijde van eiser alsmede de vraag of de billijkheidscorrectie dient te worden toegepast. Ook deze vragen worden bevestigend beantwoord.

De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat de volledige door eiser ten gevolge van de aanrijding geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/49
NJF 2008, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 365214 / HA ZA 07-784

Vonnis van 9 januari 2008

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. J.S. Top,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVE SCHADE,

gevestigd te Assen,

gedaagde,

procureur mr. F.B. Falkena.

Partijen zullen hierna A en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 9 mei 2007, bij welk vonnis een comparitie is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 9 oktober 2007, met de daarin genoemde proceshandelingen en/of – stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 28 oktober 2005, rond 21:00 uur, reed B als bestuurster van een Fiat over de A28, een voor openbaar verkeer openstaande (snel)weg. Als inzittenden van de Fiat waren aanwezig: de toenmalige partner van B, A, en C. Op enig moment kreeg de Fiat een klapband. B verloor hierdoor de macht over het stuur. De Fiat, welke ging draaien, is uiteindelijk tegen de vangrail bij de linkerrijbaan tot stilstand gekomen. De motor en de lichten functioneerden niet meer. De alarmlichten, al dan niet in werking gezet, waren tevens uit. B, A en C zijn uit de Fiat gestapt en zijn naar de vluchtstrook gelopen.

2.2. Ter plaatse van het ongeval is geen openbare straatverlichting aanwezig.

2.3. Een aantal automobilisten die getuige waren van het onder 2.1. bedoelde voorval hebben hun auto op de vluchtstrook geparkeerd en zijn uitgestapt.

2.4. Met een aantal personen is A vervolgens teruggelopen naar de Fiat. Het was de bedoeling de Fiat van de linkerrijbaan naar de vluchtstrook te duwen. Nadat A had gecontroleerd of de handrem er af was, heeft hij zich opgesteld tussen het linkerportier van de Fiat (aan de bestuurderszijde) en de Fiat zelf.

2.5. Op het moment dat A tussen het linkerportier van de Fiat en de Fiat zelf stond opgesteld, kwam een auto van het merk Volvo aanrijden, bestuurd door de verzekerde van Univé, D. D reed de op de A28 wettelijk toegestane snelheid van 120 kilometer per uur. D heeft de Fiat en A aangereden. Daarna heeft D naar rechts gestuurd, richting de vluchtstrook. Daar heeft hij een op de vluchtstrook geparkeerde auto aangereden.

2.6. Door de aanrijding heeft A zeer ernstig, blijvend, letsel opgelopen. Als gevolg van de aanrijding moest het rechteronderbeen van A geamputeerd worden, had hij een gebroken linkeronderbeen, een – op twee plaatsen – gebroken rechterhand, een hersenschudding, een C2-fractuur, een longkneuzing en meerdere snijwonden.

2.7. De politie Drenthe, basiseenheid Assen Centrum Zuid, heeft van de aanrijding een proces-verbaal opgesteld. In het proces-verbaal is van de verbalisanten die ter plaatse van het ongeval zijn geweest een verklaring opgenomen. Deze verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“[…]

Door enkele getuigen werd ons, diverse verbalisanten, verklaard dat zij hadden gezien dat de zwarte Fiat Punto had stilgestaan op de linkerrijstrook van de A28. […]

Enkele getuigen verklaarden dat zij waren gestopt omdat die auto daar stilstond en om eventueel hulp te verlenen. Een aantal getuigen verklaard vervolgens dat zij hadden gezien en/of geholpen met het van de rijbaan wegduwen van deze zwarte Fiat Punto.

Zij verklaarden daarbij dat op het moment dat enkele personen deze auto bezig waren weg te duwen er een personenauto aan kwam rijden over de linkerrijstrook die vervolgens tegen de zwarte Fiat Punto aanreed. Waarbij zij hadden gezien dat een man, die ook bezig was met het wegduwen van deze auto daarbij werd aangereden.”

In het proces-verbaal is voorts een verklaring opgenomen van D. Op 28 oktober 2005 heeft D het volgende verklaard:

“ […] Ik reed op de linker rijbaan. Ik denk dat ik zo’n 120 kilometer per uur reed. Op dit moment was het erg donker. Ik kon niet veel zien op de weg. Mede omdat er geen wegverlichting aanwezig was. Het was droog weer en het wegdek was volgens mij ook droog. […]

Ik zag op de vluchtstrook een aantal auto’s staan. Ik denk dat er zo’n 5 a 6 auto’s stonden. Ik zag dat deze auto’s stil stonden. Ik heb op het moment dat ik deze auto’s zag staan het gas los gelaten. Ik heb een paar seconden mijn aandacht bij de auto’s die op de vluchtstrook stonden gehad. Ik dacht namelijk dat er iets was gebeurd op de vluchtstrook. Hiervoor ben ik ook op de linker rijbaan blijven rijden.

Vervolgens keek ik voor mij op de weg en zag ik een auto op de linker rijbaan staan. Ik zag dat deze auto stil stond. Ik zag dat het een donkere Fiat was. Verder zag ik iets op de weg liggen. Ik wist op dat moment nog niet wat het was. Ik zag geen mensen om het stilstaande voertuig. Ik weet niet hoeveel meter dit allemaal van mij vandaan lag/stond, het ging namelijk allemaal erg snel. Op het moment dat ik de auto zag staan ben ik vol op de rem gaan staan. Ik weet niet hoe de auto op de linker rijbaan stond. […] Ik voelde dat ik de auto die op de linker rijbaan stond nog schampte. Ik schampte de auto met mijn linker voorkant van de auto. […] Tijdens heb remmen heb ik naar rechts gestuurd. Waardoor ik tot stilstand kwam tegen een stilstaand voertuig. Dit gebeurde op de vluchtstrook. […]

Ik zag dat er een persoon op de weg lag. […] Ik weet niet of ik de persoon heb geraakt. Maar voor mijn gevoel niet. Ik heb ook niets gevoeld, behalve het schampen tegen het stilstaand voertuig op de linker rijbaan en het botsten tegen het stilstaand voertuig op de vluchtstrook. […] ”

In het proces-verbaal is een aanvullende verklaring opgenomen die D op 4 november 2005 heeft afgelegd bij de politie. Deze verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ […] Ik vermoed dat ik de donkere auto, die op de linkerrijstrook stilstond, heb aangereden met een snelheid van tussen de 80 en 100 km/h. Ik weet niet precies hoe hard ik toen reed. Ik was al aan het remmen.

Op het moment van de aanrijding weet ik niet hoe deze auto op de rijstrook stilstond. Na de aanrijding zag ik dat deze donkere auto op de linker rijstrook stilstond met de neus in de richting Groningen.

Ik heb geen verlichting aan die auto gezien. Ik heb geen koplampen en geen achterlichten gezien. Ik heb ook geen reflectoren op deze auto gezien.

Deze auto stond als het ware helemaal plotseling voor mij op de rijstrook. Alsof iemand plotseling een zwarte doos voor je gezicht houdt. Ik heb niet gezien dat deze auto verlichting aan had. Ik kan niet zeggen of de auto verlichting aan had. Ik heb geen enkele verlichting op die auto gezien.

[…]

Ik heb absoluut geen mense of mensen rondom die donkere auto gezien. Ik wist niet dat ik een persoon had aangereden. […]

In het proces-verbaal is voorts een verklaring opgenomen van E. Op 28 oktober 2005 heeft E het volgende verklaard:

“ Toen ik de auto voor mij zag rijden zag ik op een gegeven moment de auto de vangrail twee keer raken en daarna een draai van 360 graden maken. Toen ik zag dat de auto stil stond ben ik samen met mijn vriendin uitgestapt. Ik heb de auto op de vluchtstrook neergezet.

Ik zag uit de auto die tegen de vangrail stond drie mensen uitstappen. Ik ben toen naar de mensen toe gelopen. De jongen die later werd aangereden zei dat hij de auto wilde verplaatsen om de weg weer vrij te krijgen. Ik wilde samen met de jongen de auto wegduwen, toen hoorde ik die jongen roepen: “kijk uit jongens er komt een auto aan” of woorden van gelijke strekking. […]”

In het proces-verbaal is voorts een verklaring opgenomen van F. Op 28 oktober 2005 heeft F het volgende verklaard:

“ […]

Op een gegeven moment zag ik een rij auto’s op de vluchtstrook staan. […] Ik zag dat er een auto stil stond op de linker rijbaan. Ik zag dat er 2 a 3 personen bij deze auto stonden. Ik kon niet goed zien of het er nu 2 personen waren of drie. […] Ik zag dat er een persoon aan de bestuurderskant stond en een aan de bijrijderskant beide personen hadden hun deuren van de auto open staan. Ik zag dat G naar deze auto toe rende. Ik zag dat hij linksachter de auto ging staan. Ik zag dat ze de auto weg probeerde te duwen. Ik hoorde een auto met hoge snelheid aan komen rijden. […] Ik zag dat deze auto vol op de persoon in reed die aan de bijrijderskant stond. Ik zag dat de persoon de lucht in vloog en een paar meter verderop op de grond neer viel. Ik zag dat de auto die de persoon heeft geraakt zonder te stoppen door reed in de richting van Groningen. […]“

In het proces-verbaal is voorts een verklaring opgenomen van de broer van F, G. Op 28 oktober 2005 heeft G het volgende verklaard:

“ […] Ook zag ik op de linker weghelft een auto stilstaan. […] Ik heb toen mijn auto op de vluchtstrook geparkeerd. Ik ben naar de stilstaande auto toegelopen. Ik wilde helpen om de stilstaande auto van de weg af, richting de vluchtstrook te duwen.

Ik stond samen met nog twee mannen bij de stilstaande auto. Ikzelf stond bij de linkervoorkant, en een (1) van de twee andere mannen stond bij de rechtervoorkant van de auto. De derde man stond bij het voorportier aan de bestuurderskant van de auto.

Op een gegeven moment zie ik een auto met hoge snelheid aan komen rijden […] Voor ik het wist schepte deze auto de man die bij het linkerportier van de stilstaande auto stond. […]”

In het proces-verbaal is een aanvullende verklaring opgenomen die G op 11 november 2005 heeft afgelegd bij de politie. Deze verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ […] Ik zag dat die auto stilstond op de linkerrijstrook. Ik zag dat deze auto een Fiat Punto was. Die auto was donker van kleur. Deze Fiat stond met de neus in de richting van de vangrail. Hij stond als het ware half gekeerd. Deze auto had geen verlichting aan. […] Deze Fiat stond dus gewoon in het donker en onverlicht op de linkerrijstrook.

Ik heb volgens mij iemand horen roepen dat die donkere Fiat van de weg af moest. Nadat iemand dit riep heb ik gezegd/geroepen dat ik kwam helpen. […]

Nadat ik gezegd had dat ik kwam helpen zijn we met drie personen naar de Fiat toegelopen. We waren daar toen met drie manne. Ikzelf, een jongen die later Karel bleek te heten en een marokkaan.

De marokkaanse jongen ging bij de bestuurdersstoel om te kijken of de auto van de handrem was. Dat bleek zo te zijn. Daarna begon ik te duwen bij de motorkap van de auto en Karel stond naast mij te duwen bij de motorkap. De Marokkaanse jongen stond toen in de deuropening van het bestuurdersportier. Hij duwde waarbij hij zo stond dat hij als het ware in de auto keek. Op het moment dat wij begonnen te duwen zag ik een auto aankomen. […]”

In het proces-verbaal is voorts een (aanvullende) verklaring opgenomen die B op 7 november 2005 tegenover de politie heeft afgelegd. De verklaring luidt, voor zover van belang, als volgt:

“ Plotseling voelde ik dat de auto begon te trillen. Het stuur begon te trillen. […] Ik heb toen geprobeerd tegen te sturen omdat ik naar de vluchtstrook wilde. […] Ik dacht dat de auto 360 graden gedraaid is en dan nog een keer. […] Daarna kreeg ik mijn autogordel niet los. Mohammed die naast mij zat heeft gordel losgemaakt. Hij zal toen al uitgestapt zijn want hij kwam daarbij over mij heen. Daarna ben ik ook uitgestapt. Chico, die achterin de auto zat zal toen ook uit de auto zijn gestapt. Dat kan ik me niet herinneren. Nadat ik was uitgestapt riep Mohammed tegen mij dat ik naar de vluchtstrook moest gaan endaar moest blijven.

Nadat ik was uitgestapt ben ik naar de vluchtstrook gelopen. Daar waren toen al auto’s die op de vluchtstrook stilstonden. Een paar jongens die op de vluchtstrook stonden riepen dat ze gingen helpen.

Ik heb toen gezien dat een jongen met een zwart/witte trui is gaan helpen. […]

Heel kort daarna, toen was ik op de vluchtstrook, hoorde ik het geluid van een remmende auto, piepen van remmen, het kan ook schreeuwen zijn geweest. […]”

In het proces-verbaal is voorts een verklaring opgenomen van H. Op 29 oktober 2005 heeft H het volgende verklaard:

“ […] Ik reed op de rechterrijstrook. Ik zag dat auto’s die in de zelfde richting ook op de rechterrijbaan voor mij reden, vaart minderden en ik zag al enkele auto’s die hun alarmverlichting aan hadden gedaan.

Ik zag dat een eind verder op de linkerrijbaan een auto stond. Ik zag dat er tenminste 1 persoon bij die auto stond. Ik zag dat er geduwd werd tegen die auto. […]

Plotseling zie ik links een auto voorbij komen en deze auto knalt tegen een persoon aan die bij de auto staan die op de linkerrijbaan stilstaat. Ik zie dat deze persoon door de lucht vliegt en op het asfalt neerkomt.”

2.8. De politie Drenthe, Afdeling Verkeers Ongevallen Analyse heeft van de hiervoor bedoelde aanrijding een proces-verbaal Verkeersongevals Analyse (hierna: VOA) opgesteld. In het rapport wordt onder meer het volgende geconcludeerd, waarin met ‘voertuig 14.1’ de Volvo en met ‘voertuig 14.2’ de Fiat wordt bedoeld:

1.4. Conclusie / Beantwoording

[…]

Ad c) De bestuurster van voertuig 14.2 reed over de rechter rijbaan van Rijksweg A 28 komende uit de richting Hoogeveen en gaande in de richting Groningen. Bij haar in het voertuig zat rechts naast haar, haar vriend en achterin zat een vriend van haar vriend, aldus de verklaringen. De bandenspanning van de band om het rechterachterwiel is zeer waarschijnlijk, gezien de aangetroffen en beschreven sporen bij het voertuig onderzoek, veel te laag geweest waardoor deze band lek en stuk raakte. […] Het voertuig roteert 360 graden linksom rond zijn as, doch doordat de restenergie nog niet uit het voertuig is draait deze vervolgens nog eens 135 graden door waardoor het voertuig onder een hoek van 45 graden tegen zijn oorspronkelijke rijrichting in, op rijstrook 1 tot stilstand komt.

De inzittenden van het voertuig stappen uit het schuin op rijstrook 1 staande voertuig, aldus de verklaringen.

Mede weggebruikers kunnen op dat moment tijdig hun voertuig voor of even voorbij de eind positie van voertuig 14.2 op de vluchtstrook tot stilstand brengen, zo ook de bestuurder van voertuig 14.3.

De vriend van de bestuurster van voertuig 14.2, het slachtoffer, probeert even later in het geopende linkerportier het voertuig van de weg te duwen terwijl het voertuig in het donker schuin op rijstrook 1 staat, vermoedelijk zonder dat de verlichting en alarm verlichting daadwerkelijk in werking was.

Op de vluchtstrook staan voertuigen stil met de verlichting ingeschakeld.

Op het moment dat het slachtoffer in het geopende linkerportier tracht voertuig 14.2 weg te duwen nadert voertuig 14.1 over rijstrook 1.

De bestuurder van voertuig 14.1 heeft uitzicht op de ongevals locatie vanaf hm. p 169.9 en ziet voertuigen met brandende achterlichten voor hem op de vluchtstrook staan. De aandacht van deze bestuurder is mogelijk daardoor gericht geweest op de vluchtstrook. De bestuurder van voertuig 14.1 reed met de verlichting aan op de stand gedimd groot licht. Op het moment dat deze bestuurder weer voor hem keek zag hij juist in de lichtbundel vlak voor hem voertuig 14.2 schuin op zijn rijstrook staan en kon een aanrijding niet meer voorkomen. […]

2.9. Bij uitspraak van 10 oktober 2006 is D door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Assen veroordeeld wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet (hierna: WVW), tot een geldboete van € 1.500,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

2.10. Univé heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval van 28 oktober 2005 erkend en heeft zich bereid verklaard 75% van de geleden en nog te lijden schade te vergoeden.

3. Het geschil

3.1. A vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Te verklaren voor recht dat Univé gehouden is om A de volledige door hem geleden en te lijden schade als gevolg van de aanrijding op – naar de rechtbank begrijpt – 28 oktober 2005, veroorzaakt door haar verzekerde D, te vergoeden.

2. Univé te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Unive voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen staat de feitelijke toedracht van de aanrijding van D en A vast. Partijen discussiëren over de vragen: 1. of A als voetganger dient te worden beschouwd en derhalve de bescherming geniet van artikel 185 lid 1 Wegenverkeers¬wet (hierna: WVW), 2. of aan de zijde van A sprake is van eigen schuld en 3. of (eventueel) de billijkheidscorrectie dient te worden toegepast.

4.2. Univé voert aan dat A ten tijde van de aanrijding dient te worden beschouwd als een persoon die werd vervoerd in de zin van artikel 185 lid 3 WVW. A stelt dat hij voetganger was op het moment van de aanrijding. In het arrest van 25 februari 2000 (NJ 2000, 331) heeft de Hoge Raad beslist dat een ruime uitleg van het begrip ‘vervoerd worden’ niet strookt met de strekking van artikel 185 lid 1 WVW, zijnde kwetsbare deelnemers te beschermen tegen de gevaren van het gemotoriseerde verkeer.

De kring van personen die met een motorrijtuig vervoerd worden, dient derhalve beperkt dient te worden opgevat. Personen die het motorrijtuig hebben verlaten dienen niet meer als door het motorrijtuig vervoerd te worden aangemerkt.

Zoals de rechtbank in de hiervoor bedoelde zaak en later de rechtbank Arnhem in haar uitspraak van 13 juli 2005 (NJF 2005, 424) hebben geoordeeld, is het bij beantwoording van de vraag of een persoon het motorrijtuig heeft verlaten niet de bedoeling van het slachtoffer beslissend, maar dient te worden onderzocht in welke positie het slachtoffer ten tijde van het ongeval verkeerde, zulks naar objectieve maatstaven bezien vanuit het perspectief van andere verkeersdeelnemers. Met andere woorden: bevond het slachtoffer zich nog binnen de kring van een door een ander motorrijtuig vervoerde personen, of kon de aanwezigheid van het slachtoffer, bezien vanuit het perspectief van de overige verkeersdeelnemers, evengoed op andere wijze worden verklaard?

4.3. Op grond van de volgende feiten en omstandigheden wordt in deze zaak geconcludeerd dat A op het moment van aanrijding niet meer was aan te merken als een persoon die werd vervoerd door een motorrijtuig. Hij dient derhalve als voetganger te worden beschouwd. Voor dit oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden van doorslaggevend belang. A heeft, als inzittende van de Fiat, de Fiat verlaten nadat deze tot stilstand kwam tegen de vangrail van de linkerrijbaan. Hij is vervolgens naar de vluchtstrook gelopen. Na enkele momenten – Univé betwist dat deze periode vijf minuten heeft beslaan – is A, samen met twee andere personen, teruggelopen naar de Fiat met de bedoeling de Fiat naar de vluchtstrook te duwen. De handelingen van A kunnen niet in verband worden gebracht met het besturen van dan wel vervoerd worden met een motorrijtuig. Gesteld noch gebleken is dat er aanleiding was te veronderstellen dat de Fiat nog bestuurbaar was. De Fiat was immers tot een volledige stilstand gekomen en de motor was uitgevallen. Voorts is gesteld noch gebleken dat A de intentie had om weer plaats te nemen in de Fiat. Bovendien is A samen met twee andere personen teruggelopen naar de Fiat teneinde deze weg te duwen. Dat A zich bij het portier aan de bestuurderszijde heeft opgesteld en heeft gekeken of de handrem eraf was, leidt niet tot de conclusie dat hij vanuit het perspectief van andere weggebruikers als bestuurder of inzittende van de Fiat was aan te merken. Naar zich laat veronderstellen, waren de posities van A en de overige twee personen inwisselbaar. Met andere woorden, het had ook zo kunnen zijn dat niet A, maar één van de andere personen zich bij het portier aan de bestuurderszijde had opgesteld, zeker nu A niet de oorspronkelijke bestuurder van de Fiat was. De handelingen van A leiden dan ook niet tot de conclusie dat A, bezien vanuit het perspectief van andere weggebruikers, dient te worden aangevoerd als een persoon die ‘werd vervoerd’ in de zin van artikel 185 lid 3 WVW. Dit wordt ook niet ondersteund door de getuigenverklaringen. Uit het voorstaande volgt dat A wordt aangemerkt als voetganger.

4.4. Gelet op het voorstaande, is Univé, op grond van artikel 185 lid 1 WVW, als verzekeraar van D, voor minstens 50% van de door A geleden en nog te lijden schade aansprakelijk tenzij sprake is van overmacht aan de zijde van D of indien sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van A. Niet gesteld of gebleken is dat sprake was van overmacht aan de zijde van D. Univé heeft voorts niet aangevoerd dat sprake is geweest van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid bij A. Wel heeft zij – in het kader van de eigen schuld – aangevoerd dat A zich op een roekeloze, althans zeer onvoorzichtige wijze heeft gedragen door de onverlichte auto van een onverlichte weg te willen duwen. Dit is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid voor wat betreft het doorkruisen van de 50% aansprakelijkheid op grond van artikel 185 lid 1 WVW. Univé is dan ook voor minimaal 50% aansprakelijk voor de door A geleden en nog te lijden schade als gevolg van de aanrijding op 28 oktober 2005 (Hoge Raad 14 juli 2000, NJ 2001, 417).

4.5. De vraag die vervolgens aan de orde dient te komen, is of Univé meer dan 50% van de schade van A dient te vergoeden. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, dient te worden onderzocht of sprake is van eigen schuld aan de zijde van A. Daarvoor moet worden beoordeeld welke aan A en aan D toe te rekenen omstandigheden aan het ontstaan van het ongeval en de gevolgen daarvan hebben bijgedragen om vervolgens te bezien op welke wijze de vergoedingsplicht tussen partijen moet worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Daarna moet worden beoordeeld of de billijkheid wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval een andere verdeling eist.

4.6. Voor het eventueel vaststellen van eigen schuld aan de zijde van A in de zin van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient te worden onderzocht of A zich in de gegeven omstandigheden heeft gedragen zoals een redelijk handelend mens onder dezelfde omstandigheden zou doen. A stelt dat hij de Fiat wilde wegduwen vanwege het gevaar dat de auto zou kunnen opleveren voor andere weggebruikers. Hoewel deze gedachte op zich geen onredelijke gedachte is en ook begrijpelijk, is het handelen van A niet geweest zoals van een redelijk handelend persoon kan worden verwacht.

Het is algemeen bekend dat indien sprake is van pech op de (snel)weg personen wordt aangeraden het voertuig te verlaten, naar de vluchtstrook te lopen, achter de vangrail te

gaan staan en de hulpdiensten te alarmeren. Indien iemand, zoals hier A, zelf het initiatief neemt om de auto weg te duwen, creëert hij daarmee een risico voor zichzelf dat hij wordt aangereden, hetgeen hier ook is gebeurd. Dit risico werd in onderhavige zaak ook vergroot vanwege het ontbreken van verlichting zowel bij de auto als op de weg. Voorstaande leidt tot de conclusie dat aan A toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Tot welke verdeling van de resterende 50% deze afweging precies leidt, kan echter in het midden blijven nu aanleiding wordt gezien tot toepassing van de billijkheidscorrectie in die zin dat Univé ook voor de resterende 50% aansprakelijk is voor de door A geleden en nog te lijden schade. Daarvoor wordt onder meer overwogen dat aan D een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de aanrijding. Toen D werd geconfronteerd met, voor een snelweg ongewone omstandigheden, waaronder op de vluchtstrook stilstaande (verlichte) auto’s, heeft hij zijn snelheid niet aangepast. Toen D zich ervan bewust werd dat er iets aan de hand was, had hij zijn snelheid moeten aanpassen, zeker gelet op het feit dat er geen openbare wegverlichting aanwezig was. Hij is echter met 120 kilometer per uur op de linkerrijbaan blijven rijden.

Voorts heeft A als gevolg van de aanrijding zeer ernstig, blijvend, letsel ondervonden, waaronder een geamputeerd rechteronderbeen, waartegenover D slechts blikschade aan zijn auto heeft geleden. Het bovenstaande noopt tot toepassing van de billijkheidscorrectie in de zin van artikel 6:101 BW. Univé zal derhalve de gehele door A geleden en nog te lijden schade als gevolg van de aanrijding op 28 oktober 2005 dienen te vergoeden. De vordering als weergegeven onder 3.1. onder 1. is derhalve toewijsbaar.

4.7. Unive zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- dagvaarding 84,31

- betaald vast recht 62,75

- in debet gesteld vast recht 188,25

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.239,31

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Univé gehouden is om A de volledige door A geleden en te lijden schade als gevolg van de aanrijding op 28 oktober 2005, veroorzaakt door D te vergoeden,

5.2. veroordeelt Unive in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op € 1.239,31, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2008.?