Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC1168

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
AWB 07-4772 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 4 januari 2007 heeft de bestuursrechter te Amsterdam in voorlopige voorziening het verzoek om de exploitatie van Yab Yum voorlopig te mogen voortzetten, afgewezen. De Burgemeester van Amsterdam en het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel centrum hebben groot belang bij onmiddellijke uitvoering van hun beslissing de exploitatievergunning niet te verlengen, en de drank –en horecavergunning in te trekken. Aan de hand van de rapportage van het Landelijke Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (LBB) is aannemelijk gemaakt dat voortzetting van de exploitatie ertoe zou kunnen leiden dat de vergunning zal worden gebruikt om het begaan van strafbare feiten te faciliteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/2016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/4772 HOREC

tussen:

Devagarden BV, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mrs. R.A. IJsendijk en K. Vink,

en:

1. de Burgemeester van Amsterdam,

2. het Dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam-Centrum

verweerders,

vertegenwoordigd door mrs. M. Boermans, S. Buys en S. Haavekost.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 10 december 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit van verweerder van 12 november 2007, verzonden op 15 november 2007, voorzien van kenmerk 2007001831 (hierna: het bestreden besluit).

1.2 Het onderzoek is, na heropening, gesloten ter zitting van 3 januari 2008.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.2 Bij besluit van 12 november 2007 hebben verweerders 1 en 2 de door verzoekster aangevraagde exploitatievergunning geweigerd en de aan verzoekster op grond van de Drank- en Horecawet (DHW) verleende vergunning ingetrokken. De exploitatievergunning is door verweerder 1 geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). De DHW-vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, tweede lid, onder d van de DHW en artikel 3 van de Wet Bibob. Verweerders hebben verzoekster voorts bestuursdwang aangezegd, indien zij de exploitatie niet binnen de in het bestreden besluit gestelde termijn beëindigt. Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

2.3 De voorzieningenrechter (hierna ook: rechter) komt tot de volgende uitspraak.

2.4 De rechter is van oordeel dat het gestelde belang van verzoekster, gelegen in het niet hoeven sluiten van haar inrichting hangende de bezwaarprocedure, voldoende aanleiding biedt voor de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5 Vooraf stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerders op zich de bevoegdheid hebben om bestuursdwang aan te zeggen, nu vaststaat dat de inrichting wordt geëxploiteerd zonder exploitatievergunning, en er drank wordt geschonken terwijl een vergunning op grond van de DHW ontbreekt. Bij het bestreden besluit is immers de verlenging van de exploitatievergunning geweigerd en de op grond van de DHW verleende vergunning ingetrokken.

2.6 De rechter is van oordeel dat het karakter van de voorlopige voorzieningenprocedure in de weg staat aan het verkrijgen van een definitief oordeel omtrent de rechtmatigheid van de weigering van de verlenging van de exploitatievergunning c.q. de intrekking van de DHW-vergunning. Voorts neemt voorzieningenrechter in aanmerking dat het in het onderhavige geval gaat om een complex besluit waartegen vele juridische en principiële argumenten zijn aangevoerd, die zich bij uitstek lenen voor behandeling in een bodemprocedure. Op voorhand kan dan ook niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld dat de weigering van de verlenging van de exploitatievergunning en de intrekking van de DHW-vergunning in rechte al dan niet stand zullen kunnen houden.

2.7 Derhalve heeft de rechter de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening toegespitst op de vraag of met de uitvoering van het bestuursdwang-deel van het bestreden besluit kan worden gewacht, totdat is beslist op het ingediende bezwaarschrift. Die vraag dient naar het oordeel van de rechter te worden beantwoord aan de hand van het antwoord op de vraag of verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat het ernstige gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob zich zou kunnen verwezenlijken, indien een voorziening wordt getroffen, waardoor de exploitatie hangende de bezwaarschriftprocedure kan worden voortgezet.

2.8 Verweerders hebben in dit verband onder verwijzing naar het advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) aangevoerd dat zij een groot belang hebben om tot onmiddellijke sluiting over te gaan vanwege het grote maatschappelijke belang van de bestrijding van criminele beïnvloeding en misbruik van de vergunningen. Verweerders willen, zoals ter zitting is aangegeven, met name voorkomen dat strafbare feiten, in het bijzonder geweldsmisdrijven, bedreiging en afpersing, in het kader van de gebruikmaking van de vergunningen worden gepleegd.

2.9 Tegenover het belang van verweerders bij een snelle sluiting van de inrichting staat het belang van verzoekster bij het kunnen continueren van de exploitatie. Verzoekster heeft aangevoerd dat indien zij het bedrijf nu moet sluiten dit in feite betekent dat die sluiting voorgoed is. De ervaring wijst uit dat de kans gering is dat in een later stadium, bijvoorbeeld tijdens de behandeling van de bodemprocedure door de rechtbank alsnog een voorziening wordt getroffen waardoor de exploitatie alsnog kan worden voortgezet, aldus verzoekster. Verzoekster is van mening dat het advies van het LBB niet de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een ernstig gevaar. In dit verband heeft verzoekster er onder meer uitdrukkelijk op gewezen dat het dienstverband met de heer X inmiddels is beëindigd.

2.10 Uit het advies van het LBB komt onder meer naar voren dat de heer X een prominent lid van de Hells Angels is, hetgeen door verzoekster niet is betwist. De Hells Angels vormen een organisatie waarvan vele leden worden verdacht van strafbare feiten, en waarnaar uitvoerig onderzoek is gedaan. Er is strafvervolging tegen deze leden ingesteld, waaronder de heer X. De heer X werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van brandstichting, poging tot zware mishandeling en het medeplegen van bedreiging. De strafvervolging is zeer onlangs gestaakt omdat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard. Verder is de heer X in 1993 en 1994 veroordeeld voor mishandeling en poging tot zware mishandeling.

Voorts acht de rechter het in het rapport ingenomen standpunt dat de heer X binnen het bedrijf een leidinggevende functie heeft gehad aannemelijk. Door een aantal bronnen is dat bevestigd, en ook de hoogte van het salaris dat hij ontving is daarmee in overeenstemming.

2.11 De voorgaande opsomming van feiten wijst uit dat verzoekster binnen het raamwerk van artikel 3, vierde lid, sub c, van de Wet Bibob in relatie staat tot de voormelde strafbare feiten. Dat het dienstverband met de heer X is geëindigd betekent niet zonder meer dat de banden tussen hem en verzoekster zijn doorgesneden, en dat de heer X geen invloed meer kan uitoefenen op de bedrijfsvoering. De rechter neemt hierbij ook in aanmerking dat de heer X in een familierelatie staat tot de directeur grootaandeelhouder van verzoekster. Door verzoekster zijn ook geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan het aannemelijk is dat een dergelijke invloed zich thans niet meer voordoet. Verder is in dit verband van belang dat blijkens de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, 24 januari 2007, gepubliceerd onder LJN: AZ6847) de omstandigheid dat een derde in het verleden leiding heeft gegeven voldoende is voor het “in relatie staan”. Hiervoor wordt niet vereist dat de derde ten tijde van het bestreden besluit nog steeds als leidinggevende of anderszins betrokken was bij (het bedrijf van) verzoekster.

2.12 De strafbare feiten die in het voorgaande zijn genoemd, zijn naar het voorlopig oordeel van de rechter feiten die samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd, dan wel zijn gegeven, zoals bedoeld in artikel 3, sub a, van de Wet Bibob. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp Bibob dient er een duidelijk verband te bestaan tussen enerzijds de te verlenen of reeds verleende vergunning en anderzijds de strafbare feiten. Dat verband acht de rechter hier aanwezig. Zoals verweerders ter zitting hebben aangegeven, vormt de exploitatie van een prostitutiebedrijf, waarbij zowel klanten als prostituees zich veelal in een kwetsbare positie bevinden, bij uitstek een activiteit, waarbij moet worden gevreesd dat iemand die zich in het verleden schuldig heeft gemaakt aan geweldsmisdrijven en bedreiging, dat in het kader van de bedrijfsvoering opnieuw kan doen.

2.13 De rechter is voorts van oordeel dat de stelling van verzoekster dat strafbare feiten alleen relevant zijn indien zij gepleegd zijn in het kader van de vergunningsactiviteit, de exploitatie van een prostitutiebedrijf, niet juist is. Waar het om gaat is of de vergunningverlening faciliterend zou kunnen werken ten aanzien van het begaan van dergelijke strafbare feiten.

2.14 De omstandigheid dat de heer X voor een aantal van de feiten waarvan hij verdacht wordt niet is veroordeeld, doet niet af aan de omstandigheid dat er jegens hem een ernstige verdenking bestaat dat hij deze feiten heeft begaan. Anders dan verzoekster is de rechter van oordeel dat een strafrechtelijke veroordeling ter zake van deze feiten niet noodzakelijk is om het Bibob-instrumentarium aan te kunnen wenden. De rechter verwijst hierbij naar zijn eerdere uitspraak van 6 juni 2006, gepubliceerd onder LJN: AX8291.

2.15 Gelet op het hiervoor overwogene is de rechter van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat het ernstige gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob, zich zou kunnen verwezenlijken, indien een voorziening wordt getroffen waardoor de exploitatie hangende de bezwaarprocedure kan worden voortgezet. Verweerders hebben derhalve een dermate groot belang bij onmiddellijke uitvoering van het besluit, dat de belangen van verzoekster daarvoor moeten wijken.

2.16 Bij deze afweging heeft de rechter tevens in aanmerking genomen dat de vele door verzoekster aangevoerde argumenten van juridische en principiële aard geen grond geven voor het oordeel dat op de voorhand moet worden aangenomen dat verweerders de vergunningen niet hadden mogen weigeren, c.q. intrekken.

2.17 Ten slotte kan aan verzoekster worden toegegeven dat het besluitvormingstraject van verweerders zeer geruime tijd, te weten ca. 15 maanden heeft geduurd. De rechter ziet daarin echter geen reden om de belangenafweging anders te doen uitvallen. De besluitvorming in zaken als de onderhavige is dermate ingewikkeld dat daarmee veel tijd gemoeid is. Overigens heeft de duur van de besluitvorming ook met zich gebracht dat verzoekster de exploitatie nog geruime tijd heeft kunnen voortzetten.

Voor wat betreft het door verweerders te nemen besluit op het bezwaarschrift van verzoekster merkt de rechter op dat verweerders gebonden zijn aan een wettelijke termijn, en dat bij overschrijding daarvan rechtsmaatregelen kunnen worden genomen.

2.18 Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechter het verzoek afwijzen. Voor een vergoeding van het griffierecht dan wel een proceskostenveroordeling, ziet de rechter geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 januari 2008 door mr. Th.P.J. de Graaf, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B