Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:9363

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
387170 / KG ZA 07-2491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevorderd wordt dat gedaagde wordt veroordeeld om alles te doen wat naar het oordeel van het rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen. Voorzieningenrechter oordeelt dat gedaagde in gegeven omstandigheden onrechtmatig handelt door zijn medewerking aan de rabbinale echtscheiding te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 387170 / KG ZA 07-2491 AB/MG

Vonnis in kort geding van 21 februari 2008

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij dagvaarding van 30 januari 2008, procureur mr. H. Loonstein,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gedaagde,

procureur mr. M.F.B. Hersman.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 7 februari 2008 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Naderhand heeft de advocaat van [gedaagde] nog meegedeeld dat [eiseres] haar toezegging is nagekomen om een doos met persoonlijke spullen van [gedaagde] af te leveren bij de deurwaarder.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn op [datum] 1993 gehuwd. Daarnaast is tussen hen ook een joods kerkelijk huwelijk gesloten. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 maart 2005 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, die op 30 juli 2005 in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven. Het kerkelijk huwelijk is niet ontbonden.

2.3.

Een rabbinale echtscheiding komt tot stand ten overstaan van het rabbinaat, meer in het bijzonder doordat de man aan een rabbinaal schrijver de opdracht geeft een scheidingsbrief (get) op te maken en deze vervolgens te (doen) overhandigen aan de vrouw.

2.4.

In reactie op de uitnodiging van het rabbinaat om een get op te maken heeft [gedaagde] op 9 oktober 2007 het volgende aan rabbijn [rabbijn] geschreven:

"Indien en zodra de verdeling en verrekening een feit is, ik mijn vordering integraal voldaan heb gekregen, een convenant bij rechterlijke uitspraak is bekrachtigd en de omgang met mijn beide kinderen is vastgelegd en ongehinderd loopt, ben ik bereidt mijn medewerking aan een get te verlenen."

2.5.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 19 november 2007 gereageerd op het verzoek van [rabbijn] om in aanwezigheid van beide partijen vast te stellen welke verplichtingen niet zijn nagekomen. Zijn reactie luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Mevrouw [eiseres] weet wat haar te doen staat. Indien en zodra zij aan al haar verplichtingen jegens mij heeft voldaan, en niet eerder, stem ik vanzelfsprekend in met een get. Hoe eerder hoe liever."

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert- samengevat- [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen te verschijnen voor het rabbinaat van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, teneinde alsdan en aldaar mede te werken aan afgifte van een get aan haar en voorts alles te doen dat naar het oordeel van dat rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe - samengevat - dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door zijn medewerking te weigeren aan het totstandkomen van de joods kerkelijke echtscheiding, bestaande uit het opdracht geven tot het opmaken van een get en deze vervolgens aan [eiseres] te overhandigen, terwijl de burgerrechtelijke echtscheiding reeds in 2005 is ingeschreven. [eiseres] is van plan opnieuw in het huwelijk te treden en zij wil ook opnieuw joods kerkelijk kunnen huwen, maar door de weigerachtige houding van [gedaagde] wordt haar dit onmogelijk gemaakt.

3.3.

[gedaagde] voert aan dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, nu de feitelijke scheiding reeds sinds 2003 een feit is en van het ontbinden van het kerkelijk huwelijk nog nimmer sprake is geweest. Vervolgens heeft [gedaagde] ter afwering van de vordering aangevoerd dat de beslechting van een religieus geschil niet aan de burgerlijke rechter toekomt en dat het weigeren mee te werken aan een rabbinale echtscheidingsprocedure bovendien geen onrechtmatige

daad jegens [eiseres] oplevert. [gedaagde] is, zoals hij ook meerdere malen te kennen heeft gegeven, bereid mee te werken aan een rabbinale echtscheiding, indien [eiseres] bereid is mee te werken aan een algehele, volledige afwikkeling van alle banden die er nog tussen partijen zijn, waaronder de financiële kwesties en de omgang met zijn beide kinderen.

4 De beoordeling

4.1.

Een weigering van de man tot medewerking aan de totstandkoming van een rabbinale echtscheiding kan jegens de andere echtgenoot onrechtmatig zijn, immers deze weigering kan in strijd zijn met de zorgvuldigheid die hij in het maatschappelijk verkeer ten aanzien van de persoon van zijn gescheiden echtgenote in acht behoort te nemen. In dat geval zal de burgerlijke rechter hem ook kunnen veroordelen om zijn medewerking alsnog te verlenen. Of er van onrechtmatigheid sprake is, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin de vrouw bij uitblijven van een rabbinale echtscheiding na de ontbinding van het burgerlijk huwelijk in haar verdere levensmogelijkheden wordt beperkt, de aard en het gewicht van de bezwaren die bij de man tegen deze medewerking bestaan en de kosten die aan die medewerking zijn verbonden (HR 22 januari 1982, NJ 1982, 489).

4.2.

[eiseres] wordt door de weigerachtige houding van [gedaagde] in zoverre in haar verdere levensmogelijkheden getroffen dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om het voorgenomen tweede joods kerkelijk huwelijk aan te gaan. Zowel door [eiseres] als door haar raadsman is bevestigd dat er voor [gedaagde] geen kosten zijn verbonden aan het verlenen van zijn medewerking aan de rabbinale echtscheiding.

4.3.

[gedaagde] zou de rabbinale echtscheiding op zichzelf liever vandaag dan morgen tot stand brengen. Hij heeft geen enkele behoefte om kerkelijk gehuwd te blijven met [eiseres] . Hij heeft echter aangevoerd dat [eiseres] eerst haar volledige medewerking moet verlenen aan een algehele afwikkeling van de echtscheiding en daarbij ook haar verplichtingen moet nakomen, die in meerdere vonnissen aan haar zijn opgelegd. Dat zijn echter verplichtingen van een heel andere orde dan het verlenen van medewerking aan een rabbinale echtscheiding. Ook een civiele echtscheiding kan niet worden opgehouden totdat bijvoorbeeld de partneralimentatie is vastgesteld .

4.4.

In de gegeven omstandigheden handelt [gedaagde] dan ook onrechtmatig door zijn medewerking aan de rabbinale echtscheiding te weigeren. De vordering is dan ook toewijsbaar.

4.5.

De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als volgt.

4.6.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt [gedaagde] binnen vier weken na betekening van dit vonnis te verschijnen voor het rabbinaat van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge te Amsterdam, teneinde mee te werken aan afgifte van een get aan [eiseres] en verder alles te doen dat naar het oordeel van dat rabbinaat nodig is om tot een rabbinale echtscheiding tussen partijen te komen,

5.2.

bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1. bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van

€ 500,00, tot een maximum van € 25.000,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.M.C. Grob, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

21 februari 2008.