Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:9190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
363617 - HA ZA 07-570 EVS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

opheffing erfdienstbaarheid, 5:78 BW, verjaring 3:106 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

363617 / HA ZA 07-57020 februari 2008

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 363617 / HA ZA 07-570

Vonnis van 20 februari 2008

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 5] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. A.S. Rueb,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE VERENIGING 'UTOPIA' U.A.,

gevestigd te Loosdrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. N. de Vos.

Partijen zullen hierna eisers en Utopia genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 februari 2007 met bewijsstukken,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met bewijsstukken,

  • -

    het tussenvonnis van 30 mei 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 oktober 2007 en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde bewijsstukken, staat het volgende vast.

2.1.

Eisers zijn eigenaren van de appartementen in het pand aan de [adres 1] . Het pand maakt tezamen met de appartementen aan de [adres 2] en [adres 3] onderdeel uit van het complex “ [naam complex] ”. Van dit complex maken eveneens een jachthaven (hierna: de jachthaven) en parkeerplaatsen deel uit.

2.2.

In 1971 was [naam comparant 1] (hierna: [naam comparant 1] ) eigenaar van het grootste gedeelte van [naam complex] . Bij notariële akte van 24 december 1971 heeft [naam comparant 1] delen van [naam complex] overgedragen aan [naam comparant 2] (hierna: [naam comparant 2] ).

De notariële akte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[…]

De comparant ter ene zijde [ [naam comparant 1] ] verklaarde te hebben verkocht en in eigendom over te dragen aan de comparant ter ander zijde [ [naam comparant 2] ], die verklaarde te hebben gekocht en in eigendom aan te nemen:

twee café’s met woonruimte, tuin en terras, parkeerterrein en verder toebehoren, staande en gelegen te Oud- [woonplaats] aan de [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] , uitmakende een ter plaatse kennelijk afgebakend gedeelte van de percelen, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sektie [sektie] nummers [nummer 1] en [nummer 2] , zoals schetsmatig met rode omlijning is aangegeven op een situatietekening, welke aan de minute is vastgehecht na vooraf door partijen te zijn gewaarmerkt.

[…]

Bij deze worden gevestigd de navolgende erfdienstbaarheden:

a. ten laste van het bij deze verkochte als lijdend erf en ten behoeve van de percelen [adres 3] , deel uitmakende van gemeld kadastraal perceel nummer [nummer 2] als heersend erf, de erfdienstbaarheid om te dulden, dat op het parkeerterrein van het lijdend erf twee plaatsen gratis gereserveerd blijven voor de eigenaren, casu quo de gebruikers van de heersende erven,

b. ten laste van de jachthaven, deel uitmakende van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sektie [sektie] nummer [nummer 3] als lijdend erf en ten behoeve van het bij deze verkochte als heersend erf, de erfdienstbaarheid om te dulden dat in gemelde jachthaven twee ligplaatsen gratis gereserveerd blijven voor de eigenaar casu quo de gebruiker van het heersend erf.

De in de notariële akte onder b. genoemde erfdienstbaarheid tot het beschikbaar stellen van twee ligplaatsen wordt hierna “de erfdienstbaarheid” genoemd.

2.3.

Het perceel waarvan eisers gezamenlijk eigenaar zijn is het heersend erf met betrekking tot de erfdienstbaarheid.

2.4.

De erfdienstbaarheid staat vermeld in de notariële aktes waarmee de onderscheidenlijke appartementsrechten aan eisers zijn geleverd.

2.5.

Bij notariële akte van 7 april 1972 is door alle eigenaren van [naam complex] Utopia opgericht. Daarbij hebben (de meeste van) de toenmalige eigenaren hun parkeer- en ligplaatsen om niet in eigendom overgedragen aan Utopia. [naam comparant 1] heeft de jachthaven aan Utopia overgedragen. [naam comparant 2] heeft de aan hem toebehorende parkeerplaatsen niet in eigendom overgedragen aan Utopia.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Eisers vorderen, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Utopia te veroordelen om aan eisers gezamenlijk binnen een week na betekening twee ligplaatsen in de jachthaven van Utopia toe te wijzen en ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 per dag voor ieder dag dat Utopia in gebreke blijft aan het bevel te voldoen, alsmede veroordeling van Utopia in de proceskosten.

3.2.

Zij stellen daartoe dat zij aanspraak kunnen maken op de twee ligplaatsen in de jachthaven op grond van de erfdienstbaarheid.

3.3.

Utopia heeft de vordering betwist en tot afwijzing geconcludeerd. Zij heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de vordering van eisers op grond van artikel 3:106 Burgerlijk Wetboek (BW) is verjaard, nu reeds sinds 1971 geen ligplaatsen aan (de rechtsvoorgangers) van eisers zijn toegewezen. Gedurende die tijd is het gebruik van de erfdienstbaarheid onmogelijk geweest hetgeen leidt tot het tenietgaan ervan door non-usus. Voorts heeft Utopia aangevoerd dat eisers hun rechten hebben verwerkt omdat meer dan 34 jaar geen gebruik is gemaakt van de erfdienstbaarheid en deze daarom redelijkerwijs niet meer kan worden uitgeoefend.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

Voor het geval de vordering in conventie zal worden toegewezen, heeft Utopia in reconventie gevorderd dat de rechtbank de erfdienstbaarheid opheft op de voet van artikel 5:78 BW.

3.5.

Eisers hebben daartegen aangevoerd dat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden die voor Utopia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen staat vast dat eisers gezamenlijk eigenaar zijn van de onroerende zaak die tevens het heersend erf is met betrekking tot de erfdienstbaarheid. Eisers kunnen derhalve in beginsel aanspraak maken op uitoefening van de erfdienstbaarheid.

4.2.

Utopia heeft echter het verweer gevoerd dat eisers de erfdienstbaarheid in verband met de verjaring ervan niet kunnen uitoefenen. Utopia heeft zich daartoe beroepen op artikel 3:106 BW.

4.3.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank voorop dat artikel 3:106 BW bepaalt, dat wanneer de verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een beperkt gerechtigde (in dit geval eisers) tegen de hoofdgerechtigde (in dit geval Utopia) tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid (na 20 jaar), het beperkte recht teniet gaat voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de erfdienstbaarheid gedurende vele jaren niet is uitgeoefend en dat de rechthebbenden ook geen aanspraak hebben gemaakt op uitoefening. Anders dan Utopia heeft betoogd, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat daardoor een toestand is ontstaan die de uitoefening van de erfdienstbaarheid heeft belet. Dit zou het geval zijn indien bijvoorbeeld de uitoefening door (de eigenaar van) het lijdend erf feitelijk onmogelijk zou worden gemaakt (men denke aan het sluiten van de jachthaven) of indien, na verzoek daartoe door de rechthebbenden, de uitoefening zou worden geweigerd. Het enkele niet uitoefenen van de erfdienstbaarheid door eisers (en hun rechtsvoorgangers) is echter geen “strijdige toestand” in de zin van artikel 3:106 BW. Daarom kan ook niet tot verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van deze strijdige toestand worden geconcludeerd, zodat het verweer van Utopia wordt verworpen.

4.5.

Voor zover Utopia met haar verweer wenst te betogen dat het enkele niet- uitoefenen van een erfdienstbaarheid gedurende een langere periode, de zogenaamde non-usus, tot tenietgaan van de erfdienstbaarheid leidt, wordt dit verworpen. Onder het vóór 1992 geldende recht bestond de mogelijkheid van verjaring door non-usus, dat wil zeggen het teniet gaan van een erfdienstbaarheid wanneer deze gedurende een termijn van 30 jaar niet werd uitgeoefend. Deze regeling is echter niet in het sinds 1992 geldende recht teruggekomen. Op grond van artikel 94 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Overgangswet) geldt, dat in het geval een beperkt gerechtigde op 1 januari 1992 van zijn recht geen gebruik maakte en de termijn van verval door non-usus nog liep, artikel 3:106 BW één jaar na inwerkingtreding van toepassing wordt. Dit heeft tot gevolg dat Utopia thans geen beroep meer kan doen op de oude regeling.

4.6.

Met betrekking tot het beroep van Utopia op rechtsverwerking stelt de rechtbank voorop dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

Ter comparitie is zijdens Utopia aangevoerd dat eisers tijdens de koop wisten dat Utopia geen lege ligplaatsen had en dat zij daardoor hun rechten hebben verwerkt. Dit betoog - indien juist - leidt echter niet zonder meer tot rechtsverwerking, zeker nu de erfdienstbaarheid in de notariële aktes met betrekking tot de levering van de appartementsrechten aan eisers is opgenomen en er altijd een lege plek beschikbaar kan komen. Andere omstandigheden die een beroep op rechtsverwerking zouden rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken, zodat het beroep van Utopia op rechtsverwerking wordt verworpen.

4.7.

Ter comparitie heeft Utopia nog ingebracht dat er op dit moment geen ligplaatsen vrij zijn en, in geval van toewijzing van de vordering van eisers, eerst moeten worden aangelegd. Daaraan vooraf dient onderzoek naar de precieze plaats te worden verricht, dient een aannemer te worden gevonden en moet de ledenvergadering worden geraadpleegd. De verwachting van Utopia was (eind oktober 2007) dat de ligplaatsen in de zomer 2008 klaar kunnen zijn. Eisers hebben dit betwist en gesteld dat een maand voor het aanleggen van de ligplaatsen voldoende moet zijn, temeer de door Utopia genoemde lange periode niet nader is onderbouwd.

Met Utopia is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde termijn van één week onder deze omstandigheden niet voldoende is om bij gebreke van lege ligplaatsen twee ligplaatsen beschikbaar te krijgen. De door Utopia gestelde periode van zeven tot acht maanden, die niet nader is onderbouwd door middel van bescheiden, acht de rechtbank echter onredelijk lang. De rechtbank acht een termijn van drie maanden realistisch voor het beschikbaar stellen van de twee ligplaatsen.

4.8.

Nu de verweren van Utopia zijn verworpen, handhaaft de rechtbank haar oordeel dat eisers aanspraak kunnen maken op uitoefening van de erfdienstbaarheid. Hieronder zal de rechtbank voorts oordelen dat de reconventionele vordering van Utopia tot opheffing van de erfdienstbaarheid zal worden afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat de vordering van eisers tot het toewijzen en ter beschikking stellen van twee ligplaatsen in de jachthaven van Utopia zal worden toegewezen, met dien verstande dat de toewijzing dient te geschieden binnen drie maanden na betekening van dit vonnis.

4.9.

Tegen de gevorderde dwangsom heeft Utopia aangevoerd dat deze niet redelijk is in verband met de door eisers gevorderde termijn van één week. Nu deze termijn wordt verlengd, zal de gevorderde dwangsom worden toegewezen. Er bestaat aanleiding de dwangsom op de hierna te vermelden wijze aan een maximum te binden

4.10.

Utopia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

-- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.239,31

in voorwaardelijke reconventie

4.11.

Aangezien de vordering in conventie zal worden toegewezen en daarmee de voorwaarde voor de reconventionele vordering is ingetreden, zal de rechtbank thans de vordering van Utopia in reconventie beoordelen.

4.12.

Utopia heeft haar vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid gegrond op artikel 5:78 BW. Ter comparitie heeft de rechtbank Utopia erop gewezen dat artikel 165 Overgangswet bepaalt dat een erfdienstbaarheid, die op het tijdstip van het inwerkingtreden van de nieuwe wet reeds bestond, niet uit hoofde van artikel 5:78 BW kan worden opgeheven. Utopia is alsnog in de gelegenheid gesteld om zich bij akte daarover uit te laten, waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de erfdienstbaarheid, die op 1 januari 1992 reeds bestond, niet uit hoofde van artikel 5:78 BW kan worden opgeheven. Een andere grondslag voor de opheffing is gesteld noch gebleken, zodat de vordering van Utopia zal worden afgewezen.

4.13.

Utopia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op 452,00 aan salaris procureur (2 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

gebiedt Utopia om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan eisers gezamenlijk twee ligplaatsen toe te wijzen en ter beschikking te stellen in de aan Utopia toebehorende jachthaven aan de [adres jachthaven] ,

5.2.

bepaalt dat Utopia voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan eisers een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,00, tot een maximum van EUR 50.000,00,

5.3.

veroordeelt Utopia in de proceskosten in conventie, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 1.239,31,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,

5.7.

veroordeelt Utopia in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2008.LB