Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:3650

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
03-02-2020
Zaaknummer
13-97112-2008
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering Roemenië toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497112-2008

RK nummer: 08/1568

Datum uitspraak: 13 juni 2008

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 maart 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op
14 maart 2008 door de justitiële autoriteit, een rechter (Judecător) van de Court of Justice (Tribunalul) te [geboorteplaats] (Roemenië). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1984,

wonende op het adres [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is in eerste instantie behandeld op de openbare zitting van 7 mei 2008. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en haar raadsman, mr. J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op verzoek van de verdediging geschorst.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 30 mei 2008. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en haar raadsman gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft op de zitting van 7 mei 2008 de termijn genoemd in artikel 22, eerst lid, van de OLW op grond van het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de OLW met 30 dagen verlengd. De reden daarvoor was gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig vol was dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak kon doen.

2 Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van 20 september 2006 (pre-trial detention order no. 41) van the Botoşani Court of Justice te Botoşani (Roemenië), met referentienummer 4812/40/2006, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Roemenie strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3 Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij niet de Nederlandse, maar de Roemeense nationaliteit heeft.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 1 en 2 aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten 1 en 2 vallen onder nummers 3 en 4 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

3. Mensenhandel;

4. Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

Op deze feiten zijn bovendien naar het recht van Roemenie een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het derde feit, te weten de deelname aan een criminele organisatie in de periode van 2002-2003, is door de Roemeense uitvaardigende justitiële autoriteit niet aangekruist op de als bijlage 1 bij de OLW bedoelde lijst. Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank er niet van uit gaan dat sprake is van een door de rechtbank te herstellen omissie. Beoordeeld dient derhalve te worden of dit feit dubbel kan worden gekwalificeerd, welke vraag de rechtbank bevestigend beantwoord.

De rechtbank overweegt dat uit het samenstel van feiten en omstandigheden zoals deze zijn vermeld in onderdeel e) van het EAB genoegzaam blijkt dat aan opgeëiste persoon ook deelname aan een criminele organisatie wordt verweten.

Het derde feit is zowel naar het recht van Roemenië als naar Nederlands recht strafbaar.

Op dit feit is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Zij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6 Artikel 9 OLW: ne bis in idem

Namens de opgeëiste persoon is gemotiveerd betoogd dat de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon is reeds in Nederland vervolgd voor dezelfde feiten waarbij dezelfde daders en slachtoffers een rol hebben gespeeld. In ieder geval is sprake van hetzelfde feitencomplex. De opgeëiste persoon is in Nederland voor deze feiten buiten vervolging gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak tegen de opgeëiste persoon geseponeerd omdat zij een gering aandeel in de feiten had en meer een slachtofferrol vervulde. Er is sprake van een onvoorwaardelijk sepot waardoor het vervolgingsrecht verloren is gegaan. Voorts is geen sprake van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de OLW wordt het volgende bepaald:

Overlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit terzake waarvan (…). hij in Nederland is vervolgd maar hernieuwde vervolging is uitgesloten op grond van artikel 255, eerste of tweede lid, of artikel 255a, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dan wel in Nederland het recht tot strafvordering is vervallen omdat hij aan voorwaarden heeft voldaan die door de officier van justitie voor aanvang van de terechtzitting ter voorkoming van de strafvervolging zijn gesteld.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat zich geen van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, OLW bedoelde gevallen voordoet.

In de onderhavige zaak is, blijkens het uittreksel Justitiële documentatie ten aanzien van de opgeëiste persoon, sprake van sepots waarbij in twee gevallen wordt vermeld: “gering aandeel in feit” en in het derde geval: “ten onrechte als verdachte aangemerkt”. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze sepots geen beslissingen die aan een verdere vervolging in de weg staan. Of er in dit geval daadwerkelijk feiten en omstandigheden aanwezig zijn die de officier van justitie aanleiding zouden kunnen geven om op de sepotbeslissing terug te komen en om tot verdere vervolging over te gaan, is - anders dan de raadsman lijkt te hebben betoogd - naar het oordeel van de rechtbank niet relevant.

Uit de aanpassing van artikel 9 OLW bij wet van 7 juli 2006 (Stb. 330) blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen de tekst van artikel 9 OLW uitdrukkelijk aansluiting te laten houden bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG ten aanzien van artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO). Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat er, gelet op de uitleg die het hof van Justitie EG aan artikel 54 SUO geeft, ook in dit geval sprake is van een berechting bij onherroepelijk vonnis in de zin van die bepaling, volgt de rechtbank dit standpunt niet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit genoemde jurisprudentie niet worden afgeleid dat beslissingen als de onderhavige onder de reikwijdte van artikel 54 SUO vallen. De rechtbank verwijst in verband hiermee naar de zaken Gözütok en Brügge (NJ 2004/ 194) waarin sprake was van onherroepelijke beslissingen (transacties).

Gelet op het voorgaande hoeft de vraag of er sprake is van dezelfde feiten en daarmee ook het subsidiaire betoog van de officier van justitie geen bespreking meer.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de OLW

Uit het dossier blijkt dat de feiten waarvoor de Roemeense justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a, van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond nu:

  1. . Het strafrechtelijk onderzoek in Roemenië wordt gedaan, en daar reeds aangevangen is;

  2. . Het totale onderzoek in Roemenië 16 verdachten omvat;

  3. . De bewijsmiddelen zich in Roemenië bevinden, in totaal 7 volumes, met honderden pagina’s;

  4. . De rechtsorde in Roemenië is aangetast, aangezien de organisatie in Roemenië de meisjes geworven heeft;

  5. . De verzoekende staat door het uitvaardigen van een EAB geacht moet worden reeds een afweging te hebben gemaakt tussen de overdracht van de strafvervolging aan Nederland of het zelfstandig vervolgen van de opgeëiste persoon;

  6. . Slechts een deel van de strafbare feiten zich heeft voorgedaan op Nederlands grondgebied, te weten het tewerkstellen van de meisjes in de prostitutie;

  7. . De slachtoffers zich in de verzoekende staat bevinden en zich op grond van het aldaar geldende recht beter kunnen voegen als benadeelde partij dan in Nederland.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerst lid, onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Overige verweren

De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat zij bij een eventuele overlevering aan Roemenie haar baby wenst mee te nemen, zodat deze door haar in Roemenië wonende moeder kan worden verzorgd.

De rechtbank overweegt dat deze kwestie buiten het bereik van de overleveringsprocedure valt nu de rechtbank op dit punt geen bevoegdheid toekomt.

9 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5, 7, 11, 13, van de OLW.



11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter (Judecător) van de Court of Justice (Tribunalul) te [geboorteplaats] (Roemenië), ten behoeve van het in Roemenië tegen haar gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.C. Boeree, voorzitter,

mrs E.D. Bonga-Sigmond en H.P.H.I. Cleerdin, rechters

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2008.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.