Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:1871

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
13-523202-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van Wet wapens en munitie, en het feit begaan met meer dan één vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van Wet wapens en munitie.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/523202-07

Datum uitspraak: 26 maart 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1961,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres, te plaats],

gedetineerd in het [detentie adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2008.

1 Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2 Voorvragen

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Vrijspraak van de onder 1 en 2 primair telastegelegde poging moord.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen de onder 1 primair en onder 2 primair telastegelegde poging tot moord, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat naar haar oordeel de onder 1 en onder 2 primair telastegelegde pogingen tot moord op [persoon 1] en [persoon 2] wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Verdachte heeft de tijd gehad om zich te beraden op zijn besluit om zowel [persoon 1] als [persoon 2] van het leven te beroven.

De officier van justitie heeft – kort weergegeven- aangevoerd dat uit de door verdachte geschreven afscheidsbrief en de verklaringen van verdachte tegen zijn neef [persoon 3] en [persoon 1] blijkt dat hij al eerder het plan had opgevat om [persoon 1] van het leven te beroven. Bovendien had verdachte reeds enige tijd de beschikking over twee pistolen. Ook duiden de handelingen van verdachte op de dag van het incident, waarbij de officier van justitie verwijst naar handelingen voor en na het incident, op het nadenken en beraden op zijn besluit om op [persoon 1] en [persoon 2] te schieten. De officier van justitie stelt zich op het standpunt, dat er geen sprake is van een opwelling bij verdachte. Zij acht de verklaring van verdachte, dat hij buiten zinnen raakte toen hij [persoon 1] hoorde bellen en de naam [persoon 4] hoorde vallen ongeloofwaardig. De officier van justitie heeft hierbij gewezen op het feit, dat noch door [persoon 1], noch door [persoon 2] is verklaard dat door [persoon 1] op die dag een telefoongesprek werd gevoerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gepoogd om de beide slachtoffers van het leven te beroven.

Uit de op 27 mei 2007 door verdachte geschreven afscheidsbrief, welke op 21 juni 2007 bij de doorzoeking van de woning van verdachte is aangetroffen, en uit de door [persoon 1] en [persoon 3] afgelegde verklaringen, is gebleken dat verdachte op enig moment heeft overwogen om zijn vrouw van het leven te beroven. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze overwegingen niet de enkele dood van zijn vrouw, doch de dood van het hele gezin, hemzelf inbegrepen, betroffen. Dit volgt uit zowel de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 3], als uit de door verdachte geschreven afscheidsbrief.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat hij met deze gedachten heeft gespeeld, doch deze weer heeft laten varen, geloofwaardig. De rechtbank overweegt hiertoe dat naar haar oordeel uit de gedragingen van verdachte op 20 juni 2007 niet valt af te leiden dat hij op voornoemde datum voornemens zou zijn geweest om zijn hele gezin om het leven te brengen. De rechtbank grondt haar overtuiging onder meer op de omstandigheid, dat verdachte niet met zijn daad heeft gewacht tot [persoon 2] het huis had verlaten, hetgeen bij een eventuele uitvoering van een voorgenomen plan om het hele gezin te doden redelijkerwijs voor de hand had gelegen. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte, nadat hij zijn vrouw en haar nicht had neergeschoten, op generlei wijze heeft gepoogd om zichzelf, dan wel zijn kinderen van het leven te beroven. Het handelen van verdachte op 20 juni 2007 sluit naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan bij de eerdere overwegingen van verdachte om zijn vrouw, zijn kinderen en zichzelf te doden. De rechtbank beschouwt het gebeuren van 20 juni 2007 als een op zichzelf staande gebeurtenis, en niet als een voortzetting van de eerdere overwegingen van verdachte, waarover hij in zijn afscheidsbrief en de gesprekken met zijn vrouw en neef heeft gesproken.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verdachte op 20 juni 2007 in een opwelling heeft gehandeld. Verdachte meende zijn vrouw een telefoongesprek te horen voeren, waarbij de naam [persoon 4] was gevallen. Verdachte is door het horen van dit telefoongesprek in een dusdanige gemoedstoestand geraakt dat bij hem de gedachte is ontstaan om zijn echtgenote pijn te doen. Dit volgt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting op 12 maart 2008. Verdachte is vervolgens de keuken binnen gegaan, heeft zijn pistool getrokken en heeft vervolgens meerdere schoten afgevuurd op de benen van beide slachtoffers. Het schieten van verdachte volgde in een zeer kort tijdsbestek op het horen van het vermeende telefoongesprek. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het in enkele seconden gebeurd moet zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het zeer geringe tijdsbestek tussen het ontstane voornemen van verdachte en de daadwerkelijke uitvoering van dit voornemen, niet gezegd kan worden dat verdachte van te voren een besluit heeft genomen, en zich rekenschap heeft kunnen geven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, doch dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, welke tot stand kwam doordat verdachte meende zijn vrouw te horen telefoneren met zijn buurman [persoon 4], met wie verdachte zijn vrouw in de nacht van 27 op 28 januari 2007 thuis had aangetroffen.

De rechtbank acht voorts, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de enkele overwegingen van verdachte ten aanzien van [persoon 2] in de afscheidsbrief onvoldoende om het bestaan van een vooropgezet plan op de dood van [persoon 2] aannemelijk te maken. De rechtbank is er dan ook niet van overtuigd dat verdachte op 20 juni 2007 ten aanzien van [persoon 2] met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De rechtbank acht om voornoemde redenen – anders dan de officier van justitie - de onder 1 en onder 2 telastegelegde poging tot moord niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

3.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk zijn echtgenote [persoon 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool op korte afstand kogels op het lichaam van die [persoon 1] heeft afgevuurd en daarbij die

[persoon 1] 4 keer in haar benen (2 schotwonden in het linkerbeen en 2 schotwonden

in het rechterbeen) heeft geraakt;

2.

op 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool op korte afstand kogels op het lichaam van die [persoon 2] heeft afgevuurd en daarbij die [persoon 2] 2 keer in haar benen (1 schotwond in het linkerbeen en 1 schotwond

in het rechterbeen) heeft geraakt;

3.

op 20 juni 2007 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten 2 pistolen, te weten één pistool, merk Browning, kaliber 7.65 en één pistool, merk Zavasta M57 en munitie van categorie III, te weten 42 patronen, merk Geco TL, kaliber 7.65 en één patroon, merk S&B kaliber 7,62 voorhanden heeft gehad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.1.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de onder 1 primair en onder 2 primair telastegelegde poging doodslag.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad om [persoon 1] en [persoon 2] van het leven te beroven. De raadsvrouw heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat uit de verklaringen van verdachte en de verklaring van diens neef [persoon 3] blijkt dat verdachte bewust op de benen van zowel zijn vrouw als haar nichtje heeft geschoten. Bovendien stond verdachte op een dusdanige korte afstand van zijn slachtoffers, dat hij ze, indien hij dit had gewild, makkelijk had kunnen doden.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte bevond zich op 20 juni 2007 met zijn vrouw [persoon 1] en haar nicht [persoon 2] in de keuken, het latere plaats delict. Uit de door de verbalisanten genomen foto’s van het plaats delict blijkt dat deze keuken een betrekkelijk kleine ruimte is. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in deze keuken tegen de deur van de keuken naar de gang stond, en dat [persoon 1] op de stoel bij de keukentafel zat. [persoon 2] stond één meter bij haar vandaan. Verdachte heeft zijn pistool op de benen van [persoon 1] gericht en heeft vervolgens éénmaal door haar been geschoten, waarbij [persoon 1] hard schreeuwde. [persoon 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte vervolgens zijn pistool op haar benen richtte en schoot, waardoor haar been zwaar werd en zij haast niet meer op haar benen kon staan.

Vervolgens zag zij dat verdachte weer op [persoon 1] schoot en dat [persoon 1] op de grond viel. Hierna richtte verdachte zijn pistool weer op [persoon 2], en schoot weer op haar been, waarna ook zij op de grond viel. [persoon 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij zag dat [persoon 2] over haar heen viel, naar zij dacht om haar te beschermen. Verdachte heeft vervolgens achter elkaar op de benen van [persoon 1] geschoten. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nog weet dat hij zijn pistool op het been van [persoon 1] heeft gericht, maar dat hij zich alleen nog kan herinneren dat hij vervolgens door zijn oudste dochter geslagen werd. Hij kan zich niet meer herinneren hoe vaak hij heeft geschoten.

Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zowel [persoon 1] als [persoon 2] als gevolg van zijn handelen zouden komen te overlijden. De rechtbank overweegt dat verdachte in een kleine afgesloten ruimte meerdere malen op de benen van de beide slachtoffers heeft geschoten, ten gevolge waarvan beide slachtoffers ten val kwamen. Hij heeft vervolgens nog enkele malen zijn pistool gericht op de benen van de slachtoffers en een aantal kogels afgevuurd. Verdachte heeft zich hierbij blootgesteld aan de geenszins te verwaarlozen kans dat één van de kogels hen op een andere plek in het lichaam zou treffen.

Dat verdachte slechts de intentie heeft gehad om hen in de benen te schieten, doet hier niets aan af. Het is immers niet onaannemelijk dat in een situatie als de onderhavige, waarin in een kleine afgesloten ruimte onverwachts kogels worden afgevuurd op meerdere personen, deze personen vervolgens onverwachte bewegingen en/of manoeuvres maken, hetzij in een paniekreactie, hetzij in een poging zich zelf te beschermen. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat zich in de nabijheid van de dijbenen meerdere vitale delen van het menselijk lichaam bevinden, en dat ook een schot in de maagstreek al een dodelijke afloop ten gevolge kan hebben. Ook stonden de slachtoffers op korte afstand van elkaar, en konden zij na het lossen van het eerste schot niet meer goed op hun benen staan. [persoon 2] is, zo blijkt uit de verklaring van [persoon 1], ook op enig moment over [persoon 1] heengevallen, waarna verdachte nog enkele malen kogels heeft afgevuurd, hetgeen het risico dat hij één van beide slachtoffers in een vitale plek in het lichaam zou raken nog meer deed toenemen. De rechtbank overweegt tevens dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij tijdens het incident niet wist wat zijn doel was en wat zijn psyche was en aldus de kans heeft vergroot dat het incident een dodelijke afloop zou hebben.

De rechtbank acht, gelet op hetgeen hierboven is uiteengezet, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van zowel [persoon 1] als [persoon 2].

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair en onder 2 primair bewezengeachte poging moord, alsmede het onder 3 bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van haar eis aansluiting gezocht bij de straffen die in andere zaken zijn opgelegd voor soortgelijke feiten. De officier van justitie heeft onder meer verwezen naar uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2005 (ongepubliceerd), het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 23 juni 2005, LJN AU 0810 en het Gerechtshof Amsterdam van 26 februari 2004, LJN AP 0338.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 5.361,30 met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat:

  • -

    de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 genoemde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer;

  • -

    het onder 6 genoemde voorwerp terug wordt gegeven aan [persoon 1];

  • -

    de onder 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 genoemde voorwerpen terug worden gegeven aan [verdachte] (verdachte).

De beslaglijst is als bijlage 3 aan dit vonnis gehecht en dient als hier ingelast te worden beschouwd.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en onder 2 primair en subsidiair telastgelegde. Voorts acht de raadsvrouw niet bewezen dat verdachte voorbedachte rade had op het aanbrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht, gelet op haar stellingname omtrent de bewezenverklaring, aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact. De raadsvrouw acht een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact een passende strafmaat.

Oordeel van de rechtbank:

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op twee personen. Verdachte heeft met een vuurwapen meerdere kogels van korte afstand afgevuurd op zijn echtgenote [persoon 1] en haar nicht [persoon 2]. Verdachte heeft [persoon 1] hierbij vier maal in de benen getroffen, [persoon 2] is twee maal door een kogel in haar benen geraakt. Beide vrouwen zijn hierbij op de grond gevallen. Door van dichtbij meerdere kogels op de slachtoffers af te vuren heeft verdachte het risico genomen dat zij als gevolg van zijn handelen het leven zouden laten. Dat dit gevolg vervolgens niet is ingetreden, is niet aan enig handelen dan wel nalaten van verdachte te danken.

Verdachte heeft met zijn handelen ernstige lichamelijke en psychische schade doen ontstaan bij de slachtoffers. Zijn echtgenote heeft als gevolg van het handelen van verdachte zenuwletsel aan het rechterbeen opgelopen. Uit de geneeskundige verklaring van 21 september 2007 blijkt dat nog onduidelijk is of dit letsel blijvend, dan wel van voorbijgaande aard zal zijn. Uit de slachtofferverklaring van [persoon 2] is gebleken dat zij ook nu nog steeds veel last heeft van haar linkerbeen en nooit meer goed zal kunnen bewegen. Zij heeft verklaard zich een half mens te voelen en ook veel emotionele schade te hebben geleden. Ook ervaart zij nog steeds gevoelens van angst als gevolg van de gebeurtenissen.

De rechtbank rekent het verdachte voorts aan, dat hij de bewezengeachte feiten heeft begaan, terwijl er meerdere jonge kinderen in de woning aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat ten tijde van de gebeurtenissen zijn jongste dochter en de kinderen van [persoon 2] zich in de woning bevonden. Zijn oudste dochter was vlak na het lossen van de schoten in de keuken aanwezig en heeft gadegeslagen hoe haar moeder in een plas bloed op de grond lag. Verdachte heeft hiermee het risico genomen dat de kinderen zouden worden geconfronteerd met het beschieten van hun moeder, wat ernstige psychische en emotionele schade bij deze jonge kinderen kan veroorzaken.

Bovendien is uit psychologisch onderzoek (Pro Justitia Rapport van drs. H.A. Gerritsen d.d. 5 november 2007) gebleken dat verdachte ten tijde van het plegen van het telastegelegde feit volledig toerekeningsvatbaar was.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers niet kan worden volstaan met een andersoortige of geringere straf dan een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank houdt ten gunste van verdachte rekening met de volgende omstandigheden.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte vrij spreken van de poging tot moord op [persoon 1] en [persoon 2].

Daarnaast is uit de justitiële documentatie van verdachte, d.d. 3 augustus 2007, gebleken dat hij nog niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Voorts zal de rechtbank in haar beslissing omtrent de duur van de op te leggen straf meewegen dat de bewezen verklaarde feiten op zichzelf beschouwd twee maal een poging doodslag opleveren, doch dat deze beiden uit één en hetzelfde feitencomplex voortvloeien, zodat feitelijk niet gesproken kan worden van volledig van elkaar losstaande handelingen.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met de situatie waarin verdachte verkeerde ten tijde van de bewezengeachte feiten. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte, gelet op de binnen zijn omgeving heersende culturele opvattingen, als gevolg van het hiervoor genoemde gebeurde op 28 januari 2007 en de daarop volgende gebeurtenissen in een situatie van grote psychische druk is komen te verkeren. Uit de verklaringen van de betrokkenen in deze zaak is naar voren gekomen dat gedurende een langdurige periode door meerdere personen in de directe omgeving van verdachte druk op verdachte werd uitgeoefend om gepaste maatregelen te treffen tegenover zijn echtgenote. Verdachte is gedurende deze periode onder behandeling geweest bij een psycholoog en is als gevolg van psychische problemen ook arbeidsongeschikt geraakt.

Tenslotte houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte een open en eerlijke verklaring afgelegd over zijn handelen.

Ten aanzien van het door de raadsvrouw van verdachte verzochte voorwaardelijke strafdeel en het verplichte reclasseringscontact merkt de rechtbank het navolgende op.

De rechtbank acht de adviezen in het reclasseringsrapport van het Leger des Heils, d.d. 7 maart 2008 onvoldoende onderbouwd en zal om die reden voor het bepalen van de aard en de duur van de straf dit rapport buiten beschouwing laten.

Voorts zijn de ernst van de bewezengeachte feiten en de gevolgen voor de slachtoffers naar het oordeel van de rechtbank dermate zwaarwegend, dat zij geen termen aanwezig acht om verdachte in aanmerking te laten komen voor een voorwaardelijke straf. De rechtbank merkt hierbij op, dat verdachte bij een eventuele hulpbehoefte voor zijn problemen er zelf voor dient te zorgen dat hij contact opneemt met de reclassering en overige hulpverlenende instanties.

Al het voorgaande overwegende acht de rechtbank in deze zaak slechts een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en geboden.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00 stk Munitie

S EN B 7.62x25 (huls)

3119629 vanaf vloer in hoek van hal,

3.00 stk Munitie

S EN B huls

3119631 v.a. vloer keuken door uniformdienst,

1.00 Stk Wapen

Kogel kogel

3119635 v.a. keukenvloer door uniformdienst/ 1 deel,

1.00 stk Wapen

Kogel

3119636 uit fruitschaal in keuken,

7.00 stk Wapen

Kogel

3119638 7 deeltjes/ uit keukenvloer onder laminaat,

1.00 Stk Munitie

PATROON patroon

3116958 uit lichaam aangeefster [persoon 1].

dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezen geachte feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 2] heeft een bedrag van € 6.016,30 gevorderd, bestaande uit een vordering ter hoogte van € 461,30 voor materiële schade en een vordering ter hoogte van € 5.555,00 voor immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding.

Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 primair bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij ter zake materiële schade toe, met dien verstande dat zij het gevorderde bedrag voor wat betreft de post kleding zal matigen tot een hoogte van € 200,00.

De rechtbank wijst als voorschot op de vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij een bedrag toe ter hoogte van € 2.500,00. De rechtbank acht door de benadeelde partij in voldoende mate aannemelijk gemaakt, dat zij als gevolg van het onder 2 primair bewezengeachte feit immateriële schade heeft geleden, doch zij acht de precieze omvang en hoogte van de ontstane schade in dit stadium van het geding door de benadeelde partij nog onvoldoende onderbouwd om hierover een definitief oordeel te kunnen vellen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de overige immateriële schade niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het bovenstaande waardeert de rechtbank de vordering van de benadeelde partij op een bedrag van € 2.861,30. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart de onder 1 en 2 primair telastegelegde poging tot moord niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair telastegelegde poging tot doodslag, alsmede het onder 3 telastgelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair, 2 primair:

Poging doodslag, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met meer dan één vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen als vermeld op de als bijlage 3 aangehechte beslaglijst, te weten:

1.00 stk Munitie

S EN B 7.62x25 (huls)

3119629 vanaf vloer in hoek van hal,

3.00 stk Munitie

S EN B huls

3119631 v.a. vloer keuken door uniformdienst,

1.00 Stk Wapen

Kogel kogel

3119635 v.a. keukenvloer door uniformdienst/ 1 deel,

1.00 stk Wapen

Kogel

3119636 uit fruitschaal in keuken,

7.00 stk Wapen

Kogel

3119638 7 deeltjes/ uit keukenvloer onder laminaat,

1.00 Stk Munitie

PATROON patroon

3116958 uit lichaam aangeefster [persoon 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], wonende op het adres [adres, te plaats] toe tot een bedrag van € 2.861,30 (achtentwintighonderd en éénenzestig euro en dertig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 2], te betalen de som van € 2.861,30 (achtentwintighonderd en éénenzestig euro en dertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 57 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan [persoon 1] van het inbeslaggenomen en niet teruggegeven goed als vermeld op de als bijlage 3 aangehechte beslaglijst, te weten:

1.00 stk sleutel Volkswagen Polo [nummer] sleutels van de vluchtauto;

Gelast de teruggave aan [verdachte] (verdachte) van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen als vermeld op als bijlage 3 aangehechte de beslaglijst, te weten:

8 1.00 1.00 stk bankpas

PASNR. [nummer] bankpas [nummer]

3117043/1e kast slaapkamer op naam [verdachte];

9 1.00 stk bankpas

PASNR. [nummer] bankpas [nummer]

3117046 1e kast slaapkamer op naam [verdachte];

1. stk bankpas

PASNR. [nummer] bankpas [nummer]

3117048/ 1e kast slaapkamer op naam [verdachte] taxi ceren;

1. stk Bankpas

PASNR. [nummer] bankpas [nummer]

3117053, 1e slaapkamer ten name [verdachte];

1. stk Bankpas

PASNR. [nummer] bankpas [nummer]

3117057/ 1e kast slaapkmr ten name van taxi ceren;

13. 1.00 stk Textiel kl.wit

HANDDOEK handdoek

3117075/ in archiefdoos bij de brief;

1. stk zaktelefoon

T-MOBILE [nummer]

3117084/ met simkaart T-Mobile;

15. 1.00 stk pil

TEMAZEPAMUM pillen

3117095 temazepamum 10 mg op naam van [verdachte];

7.00 stk film

Foto

3117097 1e kast in slaapkamer;

Gelast de voeging in de dossierstukken van het inbeslaggenomen en niet teruggegeven goed als vermeld op de als bijlage 3 aangehechte beslaglijst, te weten:

1.00 STK Schriftelijke bescheiden

SCHRIFT schrift

3117105 1e kast slaapkamer afscheidsbrief [verdachte]

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.C. de Wit, voorzitter,

mrs. J.H. Beestman en A.J.H.D. van Nass- van Vollenhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Vogelaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2008.