Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BW7236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
380348 / FA RK 07.7128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet BOPZ. Ongeboren kind. Verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaak- en rekestnr: 380348 / FA RK 07.7128

kenmerk: 137417

RECHTBANK AMSTERDAM

ZESDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

Voortzetting inbewaringstelling

De officier van justitie heeft op 27 september 2007 een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van

[betrokkene],

geboren op [1970],

wonende te zonder vaste woonplaats,

verblijvende te [verblijfplaats, locatie zorginstelling].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Amsterdam gedateerd 26 september 2007 en een geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ).

Gehoord zijn: betrokkene, bijgestaan door mevr. A. Hellings, tolk Engels

raadsman betrokkene, mr. L.M.A. Schwartz

behandelend arts, mevr. [arts]

verpleegkundige GG&GD, mevr. [verpleegkundige].

De rechtbank overweegt als volgt:

Uit de overgelegde stukken, de gehouden verhoren en de verkregen inlichtingen is het volgende gebleken.

Betrokkene heeft ter zitting medegedeeld dat zij een opname in een psychiatrisch ziekenhuis niet nodig vindt. Betrokkene heeft tevens medegedeeld dat zij tot haar opname in de kliniek dagelijks cocaïne heeft gebruikt maar dat zij weet dat dit niet goed is voor haar ongeboren kind en dat zij hiermee zal stoppen. Betrokkene heeft ten slotte aangegeven dat zij regelmatig een verloskundige in het AMC bezoekt en dat zij met deze verloskundige afgesproken heeft dat haar bevalling in het AMC plaats zal vinden.

De raadsman van betrokkene heeft ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van het onderhavige verzoek omdat betrokkene niet opgenomen wil zijn in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene herkent zich niet in de gestelde diagnose, te weten een borderline persoonlijkheidsstoornis. Zij wil graag stoppen met het gebruik van cocaïne. Betrokkene heeft twee afspraken gemist met de verloskundige, maar zij heeft zich niet onttrokken aan de controles bij de verloskundige. Betrokkene ontkent dat zij zich prostitueert. De vriend van betrokkene is momenteel gedetineerd vanwege openstaande boetes maar hij is druk bezig met het zoeken van woonruimte en hij is gemotiveerd om straks samen met betrokkene voor het kind te zorgen. De raadsman bestrijdt ten slotte de aanwezigheid van causaal verband tussen de beweerdelijk aanwezige geestesstoornis en de in de geneeskundige verklaring genoemde gevaren, aangezien het de vraag is of het onmiddellijk dreigende gevaar voor het ongeboren kind het gevolg is van de borderline persoonlijkheidsstoornis of het cocaïnegebruik van betrokkene.

De behandelend arts heeft ter zitting verklaard dat betrokkene pas in de negenentwintigste week van haar zwangerschap contact heeft gezocht met een verloskundige in het AMC. Dat is erg laat en zij is de afgelopen weken ook meerdere keren niet op afspraken verschenen met de verloskundige. De bevalling van betrokkene is uitgerekend op [2007]. Betrokkene is bekend met een borderline persoonlijkheidsstoornis en cocaïneafhankelijkheid. Als gevolg van haar borderline persoonlijkheidsstoornis is betrokkene erg impulsief en heeft zij zeer sterk de neiging om haar behoeften op korte termijn te bevredigen. Betrokkene heeft tot haar opname in de kliniek dagelijks een forse hoeveelheid cocaïne gebruikt. Het is zeker dat het kind als het zal zijn geboren daardoor ontwenningsverschijnselen zal ontwikkelen. Gelet op deze omstandigheid heeft de gynaecoloog in het AMC besloten dat de bevalling van betrokkene eerder zal worden opgewekt. Betrokkene is nu tweeëndertig weken zwanger en het is de bedoeling dat zij in de zevenendertigste of achtendertigste week zal bevallen. Het is bekend dat het gebruik van cocaïne tijdens een zwangerschap ernstige schade kan toebrengen aan de bloedvaten van de placenta. In 2004 is betrokkene bevallen van een voldragen kind. Dit kind bleek reeds te zijn overleden. Betrokkene gebruikte toen ook fors cocaïne tijdens haar zwangerschap. Uit onderzoek is toen gebleken dat de bloedvaten van de placenta van betrokkene waren beschadigd. Gelet op de jarenlange cocaïneafhankelijkheid van betrokkene is de kans groot dat het betrokkene ondanks haar goede voornemen niet zal lukken om te stoppen met het gebruik van cocaïne als zij nu de kliniek zal verlaten.

De rechtbank is, gelet op de geneeskundige verklaring en de mededelingen van de behandelend arts ter zitting, van oordeel dat bij betrokkene sprake is van een borderline persoonlijkheids- stoornis en stoornissen door het gebruik van middelen. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze combinatie worden aangemerkt als een geestesstoornis in de zin van de Wet BOPZ. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de combinatie van de genoemde stoornissen het vermogen van betrokkene tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen ernstig beïnvloedt, waardoor zij op dit moment onmiddellijk dreigend gevaar veroorzaakt voor haar ongeboren kind. Het gevaar kan niet worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis, terwijl het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat opneming met een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht. De Wet BOPZ noemt als één van de gevaarscriteria gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen. Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit geval, waarbij het gaat om een vergevorderde zwangerschap, de ongeboren vrucht voor de toepassing van de Wet BOPZ eveneens worden beschouwd als een ander. De rechtbank acht, gelet op de borderline persoonlijkheidsstoornis en de ernstige cocaïneafhankelijkheid van betrokkene, de kans groot dat betrokkene opnieuw cocaïne zal gebruiken als zij op dit moment de kliniek zal verlaten. In dat geval valt te verwachten dat betrokkene de gezondheid van haar ongeboren kind ernstig in gevaar zal brengen, welk gevaar, gelet op de toelichting van de arts ter zitting, in causaal verband staat met de geestesstoornis. Hier komt nog bij dat betrokkene pas in een zeer vergevorderd stadium verloskundige hulp heeft gezocht en vervolgens afspraken heeft gemist, terwijl vanwege het cocaïnegebruik van betrokkene gedurende de zwangerschap goede medische begeleiding van de zwangerschap noodzakelijk is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene in 2004 cocaïne is blijven gebruiken tijdens haar zwangerschap en dat zij toen is bevallen van een voldragen kind dat bleek te zijn overleden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onmiddellijk dreigend gevaar onvoldoende afgewend worden door de bereidheid van betrokkene om op afspraken bij de verloskundige in het AMC te komen en de afspraak om haar bevalling in het AMC te laten plaats vinden.

Bij betrokkene is onvoldoende sprake van bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in § 3 van hoofdstuk 2 van de Wet BOPZ.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

- verleent machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van drie weken;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven op 1 oktober 2007 door mr. M.F. Wagner, lid van deze rechtbank en kamer, in tegenwoordigheid van H.J. Binken als griffier.