Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BR4162

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
13/527138-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf voor doodslag van zijn vriendin.

Verdachte is de enige persoon geweest die bij het slachtoffer in de kamer was in de nacht/ochtend dat zij het dodelijk letsel moet hebben opgelopen, terwijl uit te sluiten valt dat het slachtoffer dit letsel zich zelf zou kunnen hebben aangedaan.

Door verdachte moet zeer fors geweld (onophoudelijk) zijn toegepast op het hoofd en lichaam van het slachtoffer en kan daaruit, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte de opzet op de dood van het slachtoffer had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/527138-06

Datum uitspraak: 17 april 2007

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, vijfde meervoudige strafkamer A, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [plaats] (Bondsrepubliek Duitsland),

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 april 2007.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 juni 2006 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] één of meermalen met zeer veel kracht tegen het hoofd geslagen en/of gestoten en/of geschopt tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.2. Door de raadsman van verdachte is onder meer betoogd, zakelijk weergegeven, dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair telastegelegde dient te worden vrijgesproken. De feitelijke toedracht van het overlijden van het slachtoffer is niet komen vast te staan, omdat verdachte zich niet kan herinneren wat er is gebeurd. De mogelijkheid is derhalve open gebleven dat de dood het gevolg is geweest van de val van het slachtoffer met haar hoofd tegen de badrand, hetgeen verdachte zich nog wel kan herinneren.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte, als hij al geweld heeft toegepast op het slachtoffer, niet de opzet had om het slachtoffer te doden.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt dienaangaande het volgende.

Aan de stelling van de raadsman dat de dood van het slachtoffer ook kan zijn ingetreden door haar val met het hoofd tegen de badrand, gaat de rechtbank voorbij, reeds omdat de feitelijke onderbouwing van deze stelling geen steun vindt in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft immers steeds verklaard dat het slachtoffer met haar (rechter-)zij tegen de badrand was gevallen en geoordeeld moet worden dat, als deze val al heeft plaatsgevonden, een dergelijke val niet het dodelijke letsel kan hebben veroorzaakt. Gelet op de bevindingen van de patholoog, hierna beschreven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer om het leven is gebracht door zeer fors geweld. Dat het verdachte is geweest die dit geweld op haar heeft toegepast blijkt uit de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden, waaruit (onder meer) volgt dat verdachte de enige persoon is geweest die bij het slachtoffer in de kamer was in de nacht/ochtend dat zij dit dodelijk letsel moet hebben opgelopen, terwijl uit te sluiten valt dat het slachtoffer dit letsel zich zelf zou kunnen hebben aangedaan.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. In het rapport van 31 oktober 2006 van mevrouw H.A. Tromp, arts en patholoog, wordt gesteld dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] is ingetreden door hersenfunctiestoornissen tengevolge van herseninklemming. Door de inwerking van uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld op het hoofd is de herseninklemming veroorzaakt. Daarnaast had het slachtoffer zeer veel letsel, waaronder vele, over het lichaam verspreide, overwegend recente huidkneuzingen en oppervlakkige huidbeschadigingen, een scheur in de rechter onderlip, bloeduitstortingen aan de binnenzijde van de lippen en verscheuring van de lipriempjes boven en onder met aan de onderzijde verscheuring van het slijmvlies op de overgang tandvlees/onderlip meerdere ribbreuken, vijf links zijwaarts en één rechts zijwaarts, alsmede een leverscheurtje. Al deze letsels zijn bij het leven ontstaan en waren het gevolg van de inwerking van zeer fors uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld, zoals door slaan, geslagen worden, stoten en vallen. Tevens waren er tekenen van samendrukkend geweld op de hals.

De patholoog heeft bij de rechter-commissaris op 6 december 2006 voorts onder meer verklaard dat alle letsels kort na elkaar zijn ontstaan. Er zijn meerdere momenten van geweldsinwerking geweest. Gelet op de aard en grote hoeveelheid aan (ernstig) letsel dat bij het slachtoffer is geconstateerd, welk letsel kort na elkaar is ontstaan, acht de rechtbank bewezen dat door verdachte zeer fors geweld (onophoudelijk) moet zijn toegepast op het hoofd en lichaam van het slachtoffer en kan daaruit, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte de opzet op de dood van het slachtoffer had.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft niet willen meewerken aan het opmaken van psychologische en/of psychiatrische rapportage, ook niet gedurende zijn gedwongen verblijf in het Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht. Het PBC heeft gerapporteerd (rapport van 15 februari 2007) dat niet is gebleken dat deze weigering is toe te schrijven aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts is gerapporteerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische ziekte, noch van een actuele stemmingstoornis, een stoornis uit het autisme spectrum of een angststoornis. Geen uitspraken konden worden gedaan omtrent het al dan niet bestaan van een verslavingsproblematiek en verdachte beschikt over tenminste normaal begaafde intellectuele capaciteiten. Op grond van de beperkte informatie die het onderzoek heeft opgeleverd kan geen stoornis, nu of in het verleden, worden vastgesteld.

Geconcludeerd is door de deskundigen dat het niet mogelijk is gebleken om de vraag te beantwoorden of bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

In de loop van het onderzoek is op verschillende momenten getracht de verdachte te bewegen tot (alsnog) medewerking aan een gedragskundig onderzoek, waaruit een onderbouwd advies zou kunnen komen. De verdachte bleef echter elke medewerking aan een dergelijk onderzoek weigeren.

De rechtbank heeft voorts ook niet een oordeel kunnen vormen omtrent de persoon van verdachte aan de hand van overigens aan de rechtbank ter beschikking staande stukken/gegevens. Niet eerder is bij verdachte in het verleden een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens vastgesteld.

De rechtbank heeft ook overigens in de persoon van verdachte, zoals onder meer daarvan blijk gevende ter terechtzitting, geen of onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om die strafbaarheid te doen wegvallen.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir onder meer gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 1.primair bewezengeachte feit, te weten doodslag, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals uit het eerdergenoemd Pieter Baan Centrum rapport d.d. 15 februari 2007 en van één en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. De rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt. In het algemeen veroorzaken misdrijven als de onderhavige gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft, zo neemt de rechtbank aan, zijn vriendin afgeranseld en op zeer gewelddadige wijze van het leven beroofd. Het slachtoffer had dodelijk hoofdletsel en voorts over haar hele lichaam letsels zoals bloeduitstortingen, zowel uitwendig als inwendig. Gezien de vele letsels en het feit dat deze kort na elkaar zijn toebracht moet verdachte onophoudelijk geweld hebben gebruikt en moet hij zonder enige vorm van zelfbeheersing tegen zijn vriendin te keer zijn gegaan.

De daad getuigt van grove minachting voor het leven van de medemens.

Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect jegens het slachtoffer en haar familie getoond. Verdachte heeft drie jonge kinderen hun moeder ontnomen en ook de overige nabestaanden veel leed aangedaan.

Verdachte heeft geen volledige openheid van zaken willen geven met betrekking tot de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. De rechtbank acht het in dit verband door verdachte gestelde geheugenverlies niet aannemelijk geworden. Enerzijds heeft verdachte steeds verklaard verantwoordelijk te zijn voor de dood van zijn vriendin, doch anderzijds heeft hij niets willen verklaren omtrent de toedracht van haar overlijden. Dat dit uiterst onbevredigend moet zijn voor in het bijzonder de nabestaanden, zal duidelijk zijn.

Vanzelfsprekend komt alleen een vrijheidsstraf voor afdoening van dit ernstige feit in aanmerking. Bij het bepalen van de soort en duur daarvan is voorts nog het volgende van belang.

Blijkens het uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister is verdachte eerder ter zake geweldsdelicten veroordeeld, hoewel niet recent en niet van gelijke ernstige aard als het onderhavige delict. Ook uit de diverse getuigenverklaringen in het dossier kan worden afgeleid dat verdachte eerder agressief gedrag heeft getoond. Dit, in combinatie met de weinig meewerkende houding van verdachte leidt ertoe dat, naar het oordeel van de rechtbank, er een gerede kans op herhaling bestaat.

De ernst van het misdrijf rechtvaardigt dan in beginsel een gevangenisstraf van zeer lange duur.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 is overwogen omtrent de strafbaarheid van verdachte is verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. Op basis van rapportage van gedragsdeskundigen of anderzins is niet kunnen worden vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Derhalve is oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging – bij verminderde toerekeningsvatbaarheid: naast een tijdelijke gevangenisstraf – geen mogelijkheid gebleken.

Al het vorenstaande in ogenschouw nemende, waaronder de noodzaak tot langdurige bescherming van de maatschappij, acht de rechtbank na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij, de erven van [slachtoffer], is, door een daartoe gemachtigde, ingediend bij voegingsformulier tot een bedrag van € 11.330,18 (elfduizenddriehonderdertig euro en achttien cent) betreffende kosten voor begrafenis en notaris. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij de erven van [slachtoffer], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij is bij schrijven van 26 maart 2007 gewijzigd in die zin dat het gevorderde bedrag is verminderd tot een bedrag van € 4.852,0, door aftrek van door het schadefonds gedane uitkering.

De rechtbank waardeert deze vordering, gelijk aldus na vermindering is gevorderd, op een bedrag van € 4.852,00 (vierduizend achthonderdtweeenvijftig euro).

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet langer het oorspronkelijk gevorderde bedrag ter beoordeling aan de rechtbank voorligt.

De vordering kan tot genoemd bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de erven van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, de erven van [slachtoffer], vertegenwoordigd door de gemachtigde [gemachtigde], wonende op het adres [adres] [woonplaats], toe tot een bedrag van € 4.852,00 (vierduizend achthonderdtweeenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte aan de erven van [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij de erven van [slachtoffer], te betalen de som van € 4.852,00 (vierduizend achthonderdtweeenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 54 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan één van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan de erven van [slachtoffer] van:

- één fototoestel, Olympus kleinbeeld, mju zoom.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.C. Lauwaars, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2007.