Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BH4020

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
25-02-2009
Zaaknummer
AWB 05/5993 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijderingsbevel. Geen strijd met het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. AWB 05/5993 GEMWT

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. B.G.M.C. Peters,

tegen:

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door M. Isik.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 27 december 2005 een beroepschrift ontvangen, aangevuld bij brief van 22 augustus 2006, gericht tegen het besluit van verweerder van 11 november 2005 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 1 februari 2007.

2. OVERWEGINGEN

Verweerder heeft op grond van artikel 2.6A, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 (hierna: de Verordening) een gedeelte van het centrum van Amsterdam aangewezen als gebied waar sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde (hierna: het overlastgebied).

Bij besluit van 17 maart 2005, uitgereikt aan eiser op 18 maart 2005, heeft verweerder met toepassing van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.6A, tweede lid, van de Verordening eiser bevolen zich uit het overlastgebied te verwijderen en zich daar gedurende veertien dagen niet meer te bevinden met ingang van 19 maart 2005.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het doel van het verwijderingsbevel is gelegen in het bestrijden van de (drugsgerelateerde) overlast. Verweerder heeft eiser op 7 januari 2005, 8 januari 2005, 19 februari 2005 en

4 maart 2005 een verwijderingsbevel voor de duur van acht uur gegeven wegens het openlijk voorhanden hebben van verdovende middelen dan wel het zich ophouden ter verkrijging van verdovende middelen. Eiser is op 7 maart 2005 door de politie omtrent zijn ordeverstorende gedragingen gehoord en gewaarschuwd dat bij herhaling een verwijderingsbevel voor de duur van veertien dagen aan hem zou worden opgelegd. Eiser heeft zich desondanks op

12 maart 2005 wederom schuldig gemaakt aan ordeverstorende gedragingen. Gezien de herhaling van de ordeverstorende gedragingen en het korte tijdsbestek waarbinnen deze gedragingen zijn gepleegd, dient voor herhaling te worden gevreesd. Een verwijderingsbevel voor de duur van veertien dagen is derhalve geboden en gerechtvaardigd.

Nu eiser omtrent de ordeverstorende gedragingen door de politie is gehoord, is geen sprake van schending van de hoorplicht zoals bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Verder is geen sprake van een criminal charge in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), nu het doel van het verwijderingsbevel niet is gelegen in het opleggen van een sanctie, maar in het bestrijden van de overlast. Het verwijderingsbevel is voorts, afgezet tegen het recht op bewegingsvrijheid van eiser, niet disproportioneel, aldus verweerder.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat sprake is van geabstraheerde overlast. Voorts is het bestreden besluit in strijd met het proportionaliteitsbeginsel, het subsidiariteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en is sprake van détournement de pouvoir. Het bestreden besluit is verder in strijd met artikel 6 van het EVRM en maakt een inbreuk op het recht van bewegingsvrijheid van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2.6A, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat degene die in een door verweerder aangewezen overlastgebied in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste vijf ordeverstorende gedragingen heeft begaan, verplicht is zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van veertien dagen niet te bevinden nadat verweerder hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

Eiser heeft aangevoerd dat de door hem veroorzaakte overlast het verwijderingsbevel niet rechtvaardigt en dat slechts sprake is van geabstraheerde overlast.

Voor zover eiser zich hiermee op het standpunt heeft gesteld dat verweerder niet bevoegd was tot het geven van het verwijderingsbevel, overweegt de rechtbank dat deze grief niet slaagt. Het openlijk voorhanden hebben van harddrugs dan wel het zich ophouden met als doel het verkrijgen van harddrugs, biedt op zichzelf reeds voldoende grond voor verweerder om op te treden ter voorkoming van verstoring van de openbare orde. Nu eiser zich hieraan vijf keer binnen zes maanden heeft schuldig gemaakt in het overlastgebied, was verweerder op grond van het bepaalde in artikel 2.6A, tweede lid, van de Verordening bevoegd om een verwijderingsbevel voor de duur van veertien dagen aan eiser te geven.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken. Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico van recidive in dit geval zo groot was, dat het geven van het verwijderingsbevel noodzakelijk was om verdergaande verstoring van de openbare orde te voorkomen. Niet is gebleken dat eiser door het verwijderingsbevel is belemmerd in de gebruikmaking van het zorgaanbod. De omstandigheid dat eiser voor zijn leefomgeving en (goedkoop) levensonderhoud op het overlastgebied is aangewezen, zoals hij heeft gesteld, acht de rechtbank niet doorslaggevend.

Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Awb dient een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, de belanghebbende in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze hiertegen naar voren te brengen.

Eiser heeft gesteld dat hij door de politie is gehoord omtrent de ordeverstorende gedragingen, maar dat hiermee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb.

Wat hier ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat eiser in de bezwaarfase afdoende (onder meer bij de hoorzitting) in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen, zodat niet (langer) kan worden geoordeeld dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 10 augustus 1995, AB 1996, 307).

Anders dan eiser heeft gesteld, is voorts geen sprake van détournement de pouvoir.

Het verwijderingsbevel is naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de openbare orde gegeven om de overlast in het overlastgebied terug te dringen en te beperken. Hieraan hebben meerdere overlastgevende en ordeverstorende gedragingen van eiser ten grondslag gelegen. Verweerder heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het aannemelijk is dat de gedragingen van eiser in het overlastgebied zich zullen herhalen. De omstandigheid dat het bevel eerst zes dagen na de ordeverstorende gedraging aan eiser is uitgereikt, maakt dit niet anders.

Eiser heeft verder aangevoerd dat het verwijderingsbevel, gelet op het punitieve karakter, dient te worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM en dat verweerder geen bevoegdheid heeft tot het opleggen van een dergelijke sanctie. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van 21 februari 1984 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (NJ 1988/937, [naam]).

Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS, gewezen na voornoemd arrest, is een verwijderingsbevel in beginsel te beschouwen als een preventieve maatregel om een verdergaande verstoring van de openbare orde tegen te gaan en kan een dergelijk verwijderingsbevel niet worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6 van het EVRM (AbRS 19 december 1996, Rawb 1997/64). Niet gebleken is dat het verwijderingsbevel in het onderhavige geval desalniettemin dient te worden aangemerkt als een criminal charge, omdat het niet het herstel van de openbare orde tot doel heeft, maar de bestraffing van eiser.

Tot slot is onbetwist dat het verwijderingsbevel een inbreuk maakt op het recht van eiser op bewegingsvrijheid. Ingevolge vaste jurisprudentie (o.a. het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 juni 2002, AB 2003, 19) is een inbreuk op dat recht geoorloofd mits voor de inbreuk een wettelijke basis bestaat, de betreffende wettelijke bepaling voldoende kenbaar en duidelijk is en de gemaakte inbreuk niet disproportioneel is.

De rechtbank overweegt in dit kader dat de gebiedsontzegging op de Verordening berust, wettelijk is verankerd, is gepubliceerd en voldoende duidelijk en concreet is omschreven, zodat moet worden aangenomen dat een ieder zijn gedrag daarop kan afstemmen.

Eiser is bovendien op 7 maart 2005 gewaarschuwd dat aan hem een verwijderingsbevel zou worden opgelegd, indien hij zich in de nabije toekomst wederom aan ordeverstorend gedrag schuldig zou maken, zodat niet kan worden geoordeeld dat de gemaakte inbreuk disproportioneel is.

De beperking wordt daarnaast gerechtvaardigd door het algemeen belang in de samenleving, dat is gediend met het beperken en terugdringen van de overlast die wordt veroorzaakt door de handel en het gebruik van verdovende middelen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inbreuk op het recht van eiser op bewegingsvrijheid in dit geval is geoorloofd.

Het bestreden besluit kan derhalve in rechte stand houden. Het beroep wordt mitsdien ongegrond verklaard.

Voor vergoeding van het griffierecht en een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 februari 2007 door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Docter, griffier, en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: C