Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BG3882

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
359092 / HA ZA 06-4134
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BDS vordert ten principale, dat voor recht verklaard zal worden dat NOS onrechtmatig gehandeld heeft in de aanbestedingsprocedure FM en/of Middengolf ten behoeve van Publieke Omroep. BDS vordert bij incidentele conclusie de exhibitie door NOS van de stukken (onder meer een matrix van de biedingsbeoordelingen mbt de aanbestedingsprocedure) die ertoe geleid hebben dat geen overeenkomst met BDS tot stand is gekomen. De rechtbank oordeelt dat BDS geen partij is bij de rechtsbetrekking waarbinnen correspondentie heeft plaatsgevonden, en dat andere stukken waarvan exhibitie wordt gevorderd (o.m. de matrix) onvoldoende bepaald zijn als bedoeld in artikel 843a Rv. De incidentele vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 359092 / HA ZA 06-4134

Vonnis in incident van 28 maart 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BROADCAST DISTRIBUTION SERVICES B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. A.J.W.H.M. Versteeg,

tegen

de stichting

NEDERLANDSE OMROEP STICHTING,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.W. van Rijswijk,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KPN TELECOM B.V.,

gevestigd te Den Haag,

interveniënt in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur eerst mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, thans mr. L.E.J. Korsten.

Partijen zullen hierna BDS, NOS en KPN genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 14 februari 2007 met de daarin genoemde processtukken en -handelingen

- de incidentele conclusie van antwoord van NOS

- de incidentele conclusie van antwoord van KPN

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak

2.1. BDS vordert ten principale, bij dagvaarding en bij akte houdende wijziging en aanvulling grondslag van eis, kort gezegd dat voor recht verklaard zal worden dat NOS onrechtmatig gehandeld heeft in de aanbestedingsprocedure FM en/of Middengolf ten behoeve van Publieke Omroep door een onjuiste toepassing te geven aan een aantal van de daarin geformuleerde wensen, en door een ondeugdelijke motivering te geven van haar gunningsbeslissing. Daarnaast vordert zij de vernietiging dan wel ontbinding van de door NOS ter uitvoering van (een deel van) de aanbestedingsprocedure met Nozema Services N.V. (met als rechtsopvolger onder algemene titel interveniënt KPN) gesloten overeenkomst, en te bepalen dat NOS gehouden is deze overeenkomst alsnog met BDS te sluiten. Tenslotte vordert BDS veroordeling van NOS tot vergoeding aan BDS van de als gevolg van het onrechtmatig handelen van NOS door BDS geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3. De eis in het incident

3.1. In het bij dagvaarding opgeworpen incident ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vordert BDS om NOS te veroordelen inzage te geven in de documenten waarop na verlof van 1 september 2006 van de voorzieningenrechter te Amsterdam beslag is gelegd en die zich in gerechtelijke bewaring bevinden. In de akte houdende wijziging en aanvulling grondslag van eis vult BDS de incidentele eis aan en vordert daarnaast ook inzage in andere tot de aanbestedingsprocedure relevante documenten die NOS nog onder zich heeft of die bij derden berusten maar aan NOS toebehoren, waaronder een matrix die, aldus BDS, van de biedingsbeoordelingen met betrekking tot de aanbestedingsprocedure gemaakt is.

3.2. BDS stelt een rechtmatig belang bij toewijzing van de incidentele vordering te hebben, omdat de documenten waarop beslag is gelegd brieven betreffen die aan de andere biedende partijen zijn gestuurd op of omstreeks 18 januari 2006, en waarin NOS mededeling doet van de uitkomst van de biedingsprocedure. Deze bescheiden zouden inzage geven in de wijze waarop NOS haar beslissing heeft genomen en zijn daarmee relevant voor de motiveringsplicht die op NOS rust. Bovendien stelt BDS een rechtmatig belang bij inzage te hebben omdat in de door NOS gekozen beoordelingssystematiek van de biedingen, de waardering die aan een bieding is gegeven mede afhankelijk is van de beoordeling die aan andere biedingen is gegeven.

4. Het antwoord in het incident van de zijde van NOS

4.1. NOS voert gemotiveerd verweer. Ten eerste stelt NOS dat, met uitzondering van één brief (die gericht is aan BDS), géén van de documenten waarin BDS inzage vordert bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin BDS partij is, zoals vereist is in artikel 843a lid 1 Rv, zodat de incidentele vordering van BDS afgewezen moet worden. Ten tweede stelt NOS dat BDS, naast inzage in de documenten waarop beslag is gelegd, ook inzage vordert in andere, niet nader gespecificeerde documenten, die dan ook niet aan te merken zijn als bepaalde bescheiden zoals bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv, zodat de incidentele vordering in zoverre ook aan BDS moet worden ontzegd. NOS ontkent het bestaan van de matrix waarin BDS inzage vordert.

4.2. Tenslotte verweert NOS zich met een beroep op het bepaalde in artikel 843a lid 4 Rv. NOS is in haar rechtsbetrekkingen met de diverse bij de aanbestedingsprocedure betrokken partijen gebonden aan haar verplichting strikte vertrouwelijkheid in acht te nemen ten aanzien van de inhoud van de individuele offertes, en is uit dien hoofde dan ook niet gehouden aan de incidentele vordering te voldoen.

5. Het antwoord in het incident van de zijde van KPN

5.1. KPN voert eveneens verweer tegen de incidentele vordering van BDS, en stelt daartoe ten eerste dat de door de voorzieningenrechter te Amsterdam op 1 september 2006 toegestane beslaglegging in strijd met de wet is, nu het gesloten stelsel van dwangmiddelen en middelen tot bewaring van recht geen bewijsbeslag kent. Het verlof van de voorzieningenrechter en het daarna gelegde beslag kan dan ook rechtens geen effect sorteren, en KPN concludeert, aldus redenerend, dat het beslag in werkelijkheid niet gelegd is, en een toewijzing van de incidentele vordering er niet toe kan leiden dat de in beslag genomen documenten - nu ze niet werkelijk in beslag zijn genomen - door BDS worden ingezien.

5.2. KPN verweert zich vervolgens, evenals NOS, primair met de vaststelling dat BDS, behoudens één aan BDS zelf gerichte brief, geen partij is bij de rechtsbetrekkingen waarop de documenten waarin inzage gevorderd wordt, betrekking hebben. Nu deze in artikel 843a lid 1 Rv geformuleerde voorwaarde voor toewijzing niet vervuld is, moet de incidentele vordering in zoverre dan ook worden afgewezen.

5.3. Subsidiair voert KPN, evenals NOS, aan dat de brieven waarop beslag is gelegd een bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige inhoud kennen, hetgeen een gewichtige reden als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv oplevert, zodat NOS niet gehouden is aan de incidentele vordering te voldoen.

5.4. Voor wat betreft de overige documenten waarin BDS inzage vordert, waaronder de matrix die van de biedingsbeoordelingen gemaakt zou zijn, stelt KPN dat deze bescheiden onvoldoende bepaald zijn als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv, zodat de incidentele vordering in zoverre moet worden afgewezen. KPN geeft aan niet bekend te zijn met het bestaan van de matrix waarin BDS inzage vordert.

6. De beoordeling in het incident

6.1. Ingevolge artikel 843a lid 1 Rv kan een partij die daarbij een rechtmatig belang heeft bij incidentele conclusie afschrift vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Een vordering uit hoofde van bedoeld wetsartikel dient derhalve aan elk van deze drie cumulatieve vereisten te voldoen om voor toewijzing in aanmerking te komen.

6.2. De documenten waarin BDS inzage vordert, zijn naar het oordeel van de rechtbank in drie categorieën onder te verdelen:

1) de brieven, verstuurd op of omstreeks 18 januari 2006 aan andere dan BDS bij de aanbesteding betrokken partijen, en die de beslissing van NOS over de biedingen bevatten;

2) de overige beoordelingsdocumenten die NOS onder zich heeft of bij derden berusten, en die betrekking hebben op de wijze waarop door NOS de biedingen zijn beoordeeld;

3) de matrix die van de beoordelingen is gemaakt.

6.3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de documenten, bedoeld onder 2), onvoldoende specifiek om aangemerkt te kunnen worden als bepaalde bescheiden als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. De incidentele vordering tot inzage van deze documenten voldoet dan ook niet aan de vereisten van bedoeld artikel en moet afgewezen worden.

6.4. Nu het al of niet bestaan van de matrix, bedoeld onder 3), tussen partijen in geschil is, waarbij NOS stelt dat een dergelijke matrix niet bestaat, en zijdens BDS geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit het tegendeel volgt, moet eveneens vastgesteld worden dat deze matrix onvoldoende bepaald is als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv en kan een vordering tot inzage ervan niet toegewezen worden.

6.5. Ten aanzien van de onder 1) bedoelde bescheiden ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of deze zien op een rechtsbetrekking waarbij BDS partij is. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Hoewel met BDS kan worden aanvaard dat zij als een van de aanbieders belanghebbende is bij (de uitslag van) de aanbestedingsprocedure, is zij uit dien hoofde slechts partij bij de daaruit tussen haarzelf en NOS voortvloeiende rechtsbetrekking en niet ook bij die tussen NOS en elk van haar concurrenten. Nu de vordering uitsluitend betrekking heeft op brieven die NOS heeft verstuurd aan andere met BDS concurrerende aanbieders in de aanbestedingsprocedure waarin ook BDS heeft geoffreerd - de door NOS op of omstreeks 18 januari 2006 aan BDS verstuurde brief moet bij haar bekend worden verondersteld - is niet voldaan aan de in artikel 843a Rv opgenomen cumulatieve vereisten voor toewijzing.

6.6. De incidentele vordering zal worden afgewezen. De overige door partijen over en weer aangevoerde stellingen, wat daar ook van zij, behoeven geen verdere behandeling. BDS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld.

7. De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1. wijst het gevorderde af,

7.2. veroordeelt BDS in de op het incident gevallen kosten, begroot op EUR 452,00 aan de zijde van NOS en EUR 452,00 aan de zijde van KPN,

in de hoofdzaak

7.3. verwijst de zaak naar de rol van 9 mei 2007 voor conclusie van antwoord aan de zijde van NOS en KPN,

7.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2007.?