Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BF5173

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
03-10-2008
Zaaknummer
AWB 07-3531 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen; besluit opleggen EMA-maatregel en besluit ongeldigverklaring rijbewijs zijn beiden geschorst.

In beginsel mag worden afgegaan op de inhoud van de in het proces-verbaal vermelde waarnemingen van feiten. Verzoeker heeft echter de uitkomst van de test betwist. Uit het proces-verbaal, kan niet worden afgeleid hoe verweerder tot het meetresultaat is gekomen.

Uit het proces-verbaal blijkt van een door verzoeker afgelegde test met een meetresultaat van 605 µgl maar tevens van een ongeldige test. De naam van de politieambtenaar die de desbetreffende testen heeft uitgevoerd is weggelakt, zodat noch voor de rechter noch voor verzoeker valt na te gaan of de ambtenaar over de juiste competenties beschikt. Dat weglakken belemmert ook de mogelijkheid voor de rechter of verzoeker om bijvoorbeeld de desbetreffende ambtenaar als getuige te horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in de zaak met reg.nr. AWB 07/3531 WET

van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. M. Dorgelo,

tegen:

De Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, gevestigd te Rijswijk,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant.

1. PROCESVERLOOP

Op 7 september 2007 heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het beroep van verzoeker van 20 augustus 2007 gericht tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 9 juli 2007 (bestreden besluit I) waarin de bezwaren van verzoeker, gericht tegen de opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) ongegrond zijn verklaard. Dit verzoek hangt tevens samen met het bezwaar van verzoeker van 6 september 2007 gericht tegen het primaire besluit van verweerder van 31 augustus 2007 (bestreden besluit II) waarin het rijbewijs van verzoeker ongeldig is verklaard.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 oktober 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op alle betrokken belangen dat vereist.

Blijkens de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 van de zijde van de politie Amsterdam-Amstelland van 30 november 2006, is bij verzoeker op 30 november 2006, terwijl hij een motorrijtuig had bestuurd, een adem-alcoholgehalte geconstateerd van 570 µg/l of hoger, te weten 605 µg/l.

Gelet op deze gegevens, heeft verweerder bij primair besluit van 16 januari 2007 het besluit genomen dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een EMA. Tegen dit besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt. Bij bestreden besluit I zijn verzoekers bezwaren ongegrond verklaard en is het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder overweegt daartoe dat de bedienaar van het ademanalyse-apparaat de benodigde kennis en vaardigheden bezit en tevens geldt als aangewezen korpschef in de zin van artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken. Verder volgt uit de verklaring van 11 september 2006 dat het ademanalyse-apparaat voldoet aan de voorschriften zoals genoemd in de Regeling ademanalyse. Voorts overweegt verweerder dat uit het proces-verbaal van de politie is gebleken dat het ademalcoholonderzoek heeft geleid tot een voltooid onderzoek en dat het onderzoeksresultaat 605 µg/l bedroeg. Dit gehalte is tevens aanstonds aan verzoeker medegedeeld. Verweerder mag uitgaan van de juistheid van de gegevens afkomstig van de politie, aldus verweerder.

Verzoeker kan zich met bestreden besluit I niet verenigen en heeft in beroep – kortgezegd – het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit I is in strijd met het motiveringsbeginsel. Er is op geen enkele wijze duidelijk geworden hoe verweerder tot genoemde cijfers is gekomen. Het is daarom niet te verifiëren of waarnemingen op de juiste wijze tot conclusies worden geïnterpreteerd, aldus verzoeker.

Omdat verzoeker niet tijdig de kosten van de EMA heeft betaald is vervolgens bij bestreden besluit II verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard. Hiertegen heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt en op 7 september 2007 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

In de voorlopige voorziening is verzocht opschortende werking te verlenen aan bestreden besluit I tot het volgen van een EMA-cursus tot daarop in kracht van gewijsde is besloten en/of om opschortende werking te verlenen aan bestreden besluit II waarin het rijbewijs ongeldig is verklaard, totdat daarop in kracht van gewijsde in besloten subsidiair totdat verzoeker de EMA-cursus heeft gevolgd.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, voor zover hier van belang, besluit de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) tot oplegging van een EMA indien bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3 ‰.

Uit de motivering van bestreden besluit I blijkt dat verzoeker een EMA is opgelegd omdat uit het proces-verbaal is gebleken dat het ademalcoholonderzoek heeft geleid tot een voltooid onderzoek en dat het onderzoeksresultaat 605 µgl bedroeg.

De rechter overweegt dat het bewijs dat bij de betrokkene het hier aan de orde zijnde adem- of bloedalcoholgehalte is aangetroffen, kan worden aangenomen op grond van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar. Dit brengt naar het oordeel van de rechter met zich dat in beginsel mag worden afgegaan op de inhoud van de in het proces-verbaal vermelde waarnemingen van feiten. Indien, zoals hier het geval is, de juistheid van deze constatering reeds in bezwaar is betwist waarbij verzoeker er op heeft gewezen dat het testrapport ontbrak, ligt het evenwel op de weg van verweerder om zich in het kader van zijn besluitvorming van die juistheid te vergewissen. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het proces-verbaal zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de competenties van degene die de waarnemingen heeft uitgevoerd. In dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat onduidelijk is welk adem-alcoholgehalte precies is gemeten, dat niet duidelijk is of degene die de test heeft uitgevoerd bekwaam is, of deze test juist is afgelezen en dat het besluit in strijd met de zorgvuldigheid is genomen omdat slechts één enkele ademtest is afgenomen.

De rechter stelt vast dat uit het ter beschikking gestelde proces-verbaal, niet kan worden afgeleid op basis van welke test of testen verweerder tot het meetresultaat van 605 µgl gekomen is. Uit het proces-verbaal blijkt uitsluitend dat er door verzoeker een test is afgelegd waar een meetresultaat uitgekomen is van 605 µgl en een test die een ongeldig meetresultaat heeft opgeleverd, waarbij tevens vermeld staat dat dit onderdeel van de ademanalyse niet ter inzage van de gemachtigde mag worden gelegd. De naam van de politieambtenaar die de desbetreffende testen heeft uitgevoerd is overal weggelakt, zodat noch voor de rechter noch voor verzoeker valt na te gaan of de desbetreffende ambtenaar inderdaad over de juiste competenties beschikt. Dat weglakken belemmert ook de mogelijkheid voor verzoeker (of de rechter) om bijvoorbeeld de desbetreffende ambtenaar als getuige te horen.

Nu er op basis van het overgelegde proces-verbaal twijfel mogelijk is over de vraag waar het testresultaat van 605 µgl op gebaseerd is, heeft verweerder zich onvoldoende van de juistheid van het uitgevoerde onderzoek vergewist alvorens tot besluitvorming over te gaan. Van het bestreden besluit I waarin de EMA is opgelegd blijkt dan ook niet dat het berust op zorgvuldig onderzoek. Het besluit ontbeert daarmee ook een deugdelijke motivering.

Nu bestreden besluit II gebaseerd is op het niet meewerken aan voornoemde EMA ontvalt daarmee tevens de motivering aan dit besluit.

Naar het oordeel van de rechter zal zowel bestreden besluit I in beroep als bestreden besluit II in bezwaar vermoedelijk geen stand kunnen houden.

Verzoekers belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zijnde het feit dat hij recent is aangevangen met een baan als financieel specialist bij Price Waterhouse Coopers waarbij hij met de auto naar cliënten dient te rijden, wordt door de rechter zwaarwegend geacht.

De rechter is van oordeel dat bij de afweging van alle betrokken belangen in dit geval een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan voornoemd belang van verzoeker om in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak van zijn rijbewijs gebruik te maken, dan aan het belang dat verzoeker hangende die procedure niet als bestuurder van een motorvoertuig aan het verkeer deelneemt.

De rechter ziet daarom aanleiding om de bestreden besluiten I en II te schorsen.

Nu het verzoek wordt toegewezen, acht de rechter termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker, die worden begroot op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322,-). Tevens zal het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem dienen te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker toe;

- schorst het bestreden besluit I;

- schorst het bestreden besluit II;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door de Stichting CBR aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat de Stichting CBR het griffierecht van € 39,00 (zegge: negenendertig euro) aan verzoeker vergoedt.

Deze uitspraak is gewezen op 18 oktober 2007 door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.W.H. Potters, griffier,

en bekend gemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B