Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BF0221

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
13.497.161-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Duitsland toegestaan. Onschuldverweer ogv stress-stoornis verworpen, Verweer art 3 EVRM (dat detentie van de OP gelet op zijn medische gesteldheid een onmenselijke behandeling oplevert) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.161-2007

RK nummer: 07/2158

Datum uitspraak: 8 juni 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 april 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 12 maart 2007 door de Senior prosecutor (Oberstaatsanwalt) van de public prosecutors’s office (Staatsanwaltschaft) te Essen, Bondsrepubliek Duitsland.

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie) op [geboortedatum] 1964,

wonende op het adres [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 mei 2007. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. H. Tadema, advocaat te Deventer gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Russische taal.

Op deze zitting is de termijn genoemd in artikel 22, lid 1 OLW op grond van artikel 22, lid 3 OLW verlengd met dertig dagen aangezien de rechtbank er wegens haar volle agenda en gelet op het toenemend aantal zaken, niet in slaagt binnen de gestelde termijn uitspraak te doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt arrestatiebevel van 2 maart 2007 van het Local first instance court (Amtsgericht) Essen ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan 15 naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, dat hij niet de Nederlandse, maar de Russische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder de nummers 8, 18 en 20 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

8) Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

18) Georganiseerde of gewapende diefstal

20) Oplichting

Op deze feiten is bovendien naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman bepleit dat het absoluut niet voor de hand ligt dat de opgeëiste persoon deze feiten zou hebben gepleegd, nu er bij hem sprake is van een ernstige chronische (complexe) psychotraumatische stress-stoornis.

Anders dan door de raadsman bepleit is de rechtbank van oordeel dat het door hem aangevoerde niet onverwijld de onschuld van de opgeëiste persoon aantoont. Dit is slechts anders wanneer een en ander leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon de feiten, waarvan hij in de Bondsrepubliek Duitsland wordt verdacht, onmogelijk kan hebben gepleegd. Daartoe zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd.

Dat er overigens ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Overige verweren

6.1 Artikel 3 EVRM

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM, zodat de overlevering geweigerd dient te worden.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat, gezien de achtergrond van de opgeëiste persoon en zijn medische gesteldheid, detentie van de opgeëiste persoon gelijk staat aan een onmenselijke behandeling. Detentie in de Bondsrepubliek Duitsland is onvermijdelijk nu de Staatsanwalt niet bereid is gebleken mee te werken aan een vrijgeleide voor de opgeëiste persoon om in Duitsland zijn onschuld te bewijzen en de opgeëiste persoon in Untersuchungshaft zal blijven tot zijn onschuld vaststaat. Onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon in Duitsland zal volgens de raadsman 6 tot 7 weken duren. Indien de Nederlandse justitie de overlevering van de opgeëiste persoon toestaat zal reeds sprake zijn van een schending van artikel 3 EVRM.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 3 EVRM indien er sprake is van een vastgestelde schending in de zaak waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Daarvan is niet gebleken aldus de officier van justitie.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hieromtrent als volgt:

Uitgangspunt is dat een beroep op schending van artikel 3 EVRM slechts kan slagen indien het wordt gestaafd met concrete feiten en omstandigheden welke gegronde redenen opleveren om aan te nemen dat de opgeëiste persoon al is onderworpen aan foltering of een andere onmenselijke behandeling dan wel dat hij door inwilliging van het verzoek om zijn overlevering gevaar zou lopen daaraan te worden onderworpen. Van zulke concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de opgeëiste persoon is niet gebleken zodat het verweer om die reden reeds moet worden verworpen.

Voorts is door de raadsman niet aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Duitsland geen “effective remedy” in de zin van artikel 13 EVRM ten dienste zal staan, indien er sprake zou zijn van een (dreigende) schending van zijn fundamentele rechten.

Indien er daadwerkelijk sprake zou zijn van een detentieongeschiktheid van de opgeëiste persoon - waarvan tot op heden onvoldoende is gebleken - kan dit aan feitelijke overlevering in de weg staan. De bevoegdheid tot uitstel van de feitelijke overlevering komt echter op grond van de bepaling in artikel 35, derde lid, van de OLW toe aan de officier van justitie.

6.2 Artikel 6 van de OLW

Voorts stelt de raadsman dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon is reeds enige tijd in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, maar is niet genaturaliseerd, omdat hij door zijn geestestoestand de taalcursus Nederlands niet goed heeft afgerond. De rest van zijn gezin is wel genaturaliseerd. Op grond hiervan dient de opgeëiste persoon gelijk te worden gesteld met een Nederlander en kan de overlevering aan Duitsland slechts worden toegestaan, nadat Duitsland met toepassing van artikel 6 van de OLW heeft gegarandeerd dat hij, na veroordeling tot een vrijheidsbenemende straf, zal worden teruggebracht naar Nederland, waar zijn straf naar hier geldende maatstaven zal worden omgezet in een Nederlandse straf.

De officier van justitie acht artikel 6 van de OLW niet van toepassing nu de opgeëiste persoon niet gelijk gesteld kan worden met een Nederlander en tevens niet is voldaan aan de in artikel 6, vijfde lid van de OLW neergelegde eis dat Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de aan de opgeëiste persoon verweten feiten. Een garantie als genoemd in dat artikel hoeft derhalve niet te worden gevraagd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bedoelde garantie niet behoort te worden gevraagd. Naturalisatie heeft niet plaatsgevonden, zodat de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank op dit moment niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander.

Artikel 6, vijfde lid, van de OLW bepaalt dat het eerste tot en met vierde lid van dit artikel van toepassing is op een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen. Nog daargelaten de vraag of de opgeëiste persoon, gelet op zijn verblijfsstatus, in aanmerking komt voor toepassing van dit artikel, moet worden vastgesteld dat hij niet in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen, nu de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, zijn gepleegd in Duitsland door een persoon met uitsluitend de Russische nationaliteit. Nederland heeft derhalve geen rechtsmacht met betrekking tot de in het EAB omschreven misdrijven, zodat artikel 6, vijfde lid, OLW niet op de opgeëiste persoon van toepassing is en hem reeds om die reden de in dat artikel bedoelde garantie niet toekomt.

Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 11 van de Overleveringswet.

Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opge"'eiste persoon] aan de Senior prosecutor (Oberstaatsanwalt) van de public prosecutors’s office (Staatsanwaltschaft) te Essen, ten behoeve van het in de Bondsrepubliek Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzit¬ter,

mrs. A.C. Enkelaar en A.A. Spoel, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juni 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.