Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BE9873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2007
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
817280 DX EXPL 06-3641
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

De kantonrechter veroordeelt Dexia om aan [eiseres] [bedragen] te betalen ter zake van lease-overeenkomst; veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] gevallen; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis art 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 817280 DX EXPL 06-3641

Vonnis van: 28 november 2007 (bij vervroeging)

F.no.: 582

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1. [eiseres],

2. [eiser],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

nader te noemen respectievelijk [eiseres], [eiser] en gezamenlijk [eisers],

gemachtigde: mr. I.J.M. Willems,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: dw. P. Swier.

Procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 3 maart 2006, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 21 maart 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam hebben [eisers] een afschrift overgelegd van de opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarin zij verklaren niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 18 juli 2007 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 16 november 2007.

Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eisers] per brief van 25 september 2007 en door Dexia per brief van 8 november 2007 aanvullende stukken ingediend.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

1. Feiten

2. Vorderingen [eisers]

3. Standpunten [eisers]

4. Standpunten Dexia

5. Beoordeling van de vorderingen

1. Feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Legio-Lease B.V. (hierna: Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2. [eiser] was bij het aangaan van de hieronder bedoelde overeenkomsten gehuwd met [eiseres].

1.3. Op of omstreeks 19 september 1997 heeft [eiseres] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Spaarleasen waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease (hierna: lease-overeenkomst I). Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer [nummer] voor een periode van 180 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (de hoofdsom) van (omgerekend in euro’s) € 3.409,04 aandelen least en dat [eiseres] 180 maandelijkse termijnen van telkens € 45,16 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 8.130,47 waarin begrepen € 4.721,43 rente. Deze overeenkomst is nog niet beëindigd.

1.4. Op of omstreeks 13 november 1998 heeft [eiseres] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam WinstVerDriedubbelaar waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Legio-Lease (hierna: lease-overeenkomst II). Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer [nummer] voor een periode van 36 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (de hoofdsom) van € 8.643,72 aandelen least en dat [eiseres] in één keer 36 maandelijkse termijnen van in totaal € 1.815,12 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 10.458,84 waarin begrepen € 1.815,12 rente. Deze overeenkomst werd op 11 november 2001 met drie jaar verlengd op (nagenoeg) gelijkblijvende voorwaarden. Per 11 november 2004 is deze lease-overeenkomst door tijdsverloop geëindigd.

1.5. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst in 1997 waren [eiser] en [eiseres] respectievelijk [leeftijd] en [leeftijd] jaar oud. Zij hadden in die jaren een saldo op hun rekening van respectievelijk € 1.744,84 en € 10.391,48. [eiser] is van beroep onderhoudsmonteur rijdend materieel en heeft als opleidingsniveau MTS. [eiseres] is van beroep redactiemedewerkster en heeft als opleidingsniveau Huishoud- en Industrieschool. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten had [eiseres] geen beleggingservaring.

1.6. [eiseres] heeft ter zake van lease-overeenkomst I aan Dexia betaald:

? 121 maandelijkse termijnen van € 45,16, een totaalbedrag van € 5.464,36.

1.7. [eiseres] heeft ter zake van lease-overeenkomst II aan Dexia betaald:

- op 1 november 2001 in één keer een bedrag van € 1.815,12;

- 35 maandelijkse termijnen van € 54,02, een totaalbedrag van € 1.890,70;

- op 26 november 2004 de restschuld van € 2.547,65.

1.8. Op 11 november 2004 heeft Dexia ter zake van lease-overeenkomst II een eindafrekening opgesteld volgens welke [eiseres] nog € 2.547,65 verschuldigd was waarbij nog € 54,02 aan achterstallige termijnbetalingen openstond en € 8.643,72 aan restant hoofdsom. De waarde van de effecten bedroeg op 11 november 2004 € 6.150,09.

1.9. De waarde van de effecten en de restant-hoofdsom van lease-overeenkomst I bedroeg

op 16 november 2007 € 3.028,44 en € 1.143,18.

1.10. [eiseres] heeft enig fiscaal voordeel genoten met betrekking tot rentebetalingen uit hoofde van de lease-overeenkomsten.

1.11. [eiseres] heeft uit hoofde van de lease-overeenkomsten I en II van Dexia respectievelijk € 1.378,87 en € 743,73 aan dividenden ontvangen.

1.12. [eiser] heeft aan [eiseres] geen schriftelijke toestemming verleend voor het

aangaan van de lease-overeenkomsten.

1.13. Bij brief van 5 januari 2005 heeft [eiser] met een beroep op artikel 1:89 BW de

nietigheid ingeroepen van de lease-overeenkomsten, althans vernietiging in rechte aangekondigd, en terugbetaling gevorderd.

2. Vorderingen [eisers]

[eisers] vorderen bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a) dat de lease-overeenkomsten nietig worden verklaard, dan wel worden vernietigd, dan wel de reeds ingeroepen vernietiging wordt bekrachtigd, dan wel worden ontbonden;

b) Dexia te veroordelen om aan [eiseres] terug te betalen alle aan haar betaalde gelden ter zake van de onder a genoemde lease-overeenkomsten, zijnde tot 1 april 2006 € 10.960,00 vermeerderd met zoveel maal een bedrag van € 45,07 als er maanden verlopen vanaf 1 april 2006 tot de dag van het vonnis houdende nietig verklaring, dan wel vernietiging, dan wel ontbinding, vermeerderd met de wettelijke rente over de individuele deelbetalingen vanaf het moment van betalin[eiser][eiseres], tot de dag der algehele voldoening;

c) indien en voorzover er een BKR-registratie is ten nadele van [eiseres] als gevolg van de onder a genoemde lease-overeenkomsten, Dexia te veroordelen tot doorhaling daarvan bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,= aan [eiseres] te betalen voor elke dag dat Dexia in gebreke blijft na voornoemd tijdstip voor doorhaling zorg te dragen.

3. Standpunten [eisers]

3.1. [eisers] stellen dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als

huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming behoefden van [eiser] ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat [eiser] deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft [eiser] de overeenkomsten rechtsgeldig kunnen vernietigen.

[eisers] leggen voorts aan hun vorderingen hoofdzakelijk ten grondslag dat [eiseres] door toedoen van Dexia heeft gedwaald, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast hebben [eisers] zich er op beroepen dat Dexia gehandeld heeft in strijd met de Wet op het consumentenkrediet en dat de lease-overeenkomsten als gevolg daarvan nietig zouden zijn, danwel dat Dexia daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld.

3.2. Volgens [eisers] is Dexia aansprakelijk voor de door hen geleden schade. De

schade bestaat volgens [eisers] uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten althans uit de reeds door [eiseres] betaalde bedragen.

3.3. Voor zover de vorderingen zijn ingesteld door [eiser] zijn deze gebaseerd op

artikel 1:89 lid 5 BW.

3.4. Volgens [eisers] is Dexia wettelijke rente verschuldigd over alle betaalde bedragen ingaande de respectievelijke betaaldagen van de maandtermijnen.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [eisers] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop.

4.2. Voorts voert Dexia aan dat geen sprake is van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel

1:89 BW omdat – kort gezegd – artikel 1:88 BW geen betrekking heeft op vermogensrechten als de onderhavige, er geen sprake is van huurkoop bij gebrek aan aflevering en omdat partijen niet hebben beoogd om de afnemer de effecten te doen verkrijgen. Dexia stelt verder dat de huwelijkspartner de in artikel 1:88 BW bedoelde toestemming ook op andere wijze dan schriftelijk kan verlenen en dat [eiser] dit ook gedaan heeft. Voorts voert Dexia aan dat het recht om de lease-overeenkomsten op deze grond te vernietigen volgens haar is verjaard. Daarbij beroept Dexia zich er allereerst op dat het binnen Nederlandse gezinsverhoudingen gebruikelijk is dat beleggingsbeslissingen, zoals het aangaan van lease-overeenkomsten, met medeweten en instemming van beide partners worden genomen. Uitgaande van een normale gezinssituatie is niet vol te houden dat [eiser] niet van het begin van de looptijd van de lease-overeenkomsten heeft geweten. Voorts voert Dexia aan dat de betalingen ter zake van de lease-overeenkomsten hebben plaatsgevonden van een en/of rekening die ten name van beide eisers stond, zodat [eiser] in elk geval na ontvangst van het eerste dagafschrift op de hoogte was van het bestaan van de lease-overeenkomsten.

4.3. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplichten of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [eiseres] bij het aangaan van de lease-overeenkomsten over alle relevante informatie en was die informatie niet misleidend. Ook betwist Dexia dat de Wet op het consumentenkrediet van toepassing is op de lease-overeenkomsten. Artikel 6:278 BW is volgens Dexia wel van toepassing.

4.4. Ten aanzien van de BKR-notering voert Dexia aan dat [eiseres] geen betalingsachterstanden meer heeft en er derhalve ook geen sprake is van een A-codering bij het BKR. Voorts betwist Dexia dat zij wettelijke rente is verschuldigd vanaf de data dat de maandtermijnen zijn afgeboekt. Dexia meent dat zij eerst wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment van verzuim.

4.5. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Beoordeling van de vorderingen

5.1 In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

- huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

- artikel 1:88/1:89 BW (rov 8.2);

- strijd met de WCK en/of andere wetten en regelingen (rov 8.3)

- dwaling (rov 8.5);

- toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

- nakoming zorgplicht (rov 8.9);

- verdeling van het nadeel (rov 9).

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken. In het onderhavige geval komt dat neer op het volgende.

Huurkoop; bevoegdheid en artikel 1:88/1:89 BW

5.2. Lease-overeenkomsten als de onderhavige worden aangemerkt als huurkoop. De

kantonrechter is derhalve bevoegd.

5.3. Artikel 1:88 lid 1 onder d BW is op deze lease-overeenkomsten van toepassing en gelet op de strekking van dit artikel is voor artikel 6:278 BW geen plaats. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de daar bedoelde toestemming voor de lease-overeenkomsten ook schriftelijk te worden geven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721, rov 2.12.3). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [eiser] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

5.4. De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar.

De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomsten. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomsten (vgl. HR 5 januari 2007, RvdW 2007, 68 en LJN: AY8771). Nu Dexia stelt dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW verjaard is, ligt de bewijslast daarvan bij Dexia. Dexia heeft daartoe gewezen op betalingen van op grond van de overeenkomsten verschuldigde bedragen die hebben plaatsgevonden vanaf de en/of-bankrekening die op naam van beide echtgenoten stond. Voorts heeft [eiser] ter comparitie verklaard dat hij reeds van het bestaan van de lease-overeenkomsten wist op het moment dat zijn echtgenote de lease-overeenkomsten op respectievelijk 19 september 1997 en 13 november 1998 is aangegaan. Hieruit volgt dat [eiser] zich niet binnen drie jaar na het aangaan van de lease-overeenkomsten op de hier bedoelde vernietigbaarheid heeft beroepen, zodat de desbetreffende bevoegdheid van [eiser] is verjaard. De overige door [eisers] aangevoerde gronden dienen derhalve nader aan de orde te komen.

Strijd met WCK

5.5. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de vernietigbaarheid van de overeenkomsten is bepleit.

5.6. De toepasselijkheid van de WCK kan in het midden blijven. Ook indien [eisers] zich terecht op die regelingen zouden beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomsten, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling

5.7. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [eiseres] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van haar gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van de hoofdsom. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eiseres] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [eiseres] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken overeenkomsten is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de overeenkomsten wegens dwaling leiden. Ook dit laat de zorgplicht die Dexia overigens had onverlet.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

5.8. Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

5.9. [eisers] hebben Dexia verweten dat Dexia ten opzichte van [eiseres] de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van de onderhavige producten. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Voorts is niet gebleken dat Dexia zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of [eiseres] naar redelijke verwachting over voldoende bestedingsruimte zou beschikken om aan de uit de overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

5.10. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om

Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eiseres] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [eiseres] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eiseres] om de overeenkomsten aan te gaan.

5.11. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de

kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers.

5.12. Ter comparitie is onweersproken gesteld dat tegenover het inkomen van [eiser] als voetbaltrainer in 1997 en 1998 ook onkosten stonden zodat het gezamenlijk netto-inkomen van [eisers] in die jaren minder dan € 15.000,= per jaar bedroeg. Voorts is gebleken dat de stijging in het spaarsaldo tussen 1997 en 1998 voortkomt uit een tweede hypotheek die [eisers] hebben opgenomen. Dit wordt door de kantonrechter dan ook niet als relevant vermogen aangemerkt. Mede gelet op deze omstandigheden en op de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.5. bij de feiten zijn vermeld, is op [eiseres] categorie 2 van toepassing. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient 60 % van het nadeel voor rekening van Dexia te komen en het resterend percentage voor rekening van [eiseres]. In dit percentage is het fiscale voordeel dat [eiseres] heeft genoten verdisconteerd.

5.13. Onder het in aanmerking te nemen nadeel zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de lease-overeenkomsten verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomsten en te verminderen met de opbrengst van de geleasete effecten en met een bedrag aan [eiseres] uitgekeerde dividenden. Ten aanzien van lease-overeenkomst I geldt dat de kantonrechter uitgaat van vorenbedoeld nadeel op het moment van het feitelijke einde van de lease-overeenkomst nu [eiseres] ook na een periode van 60 maanden termijnen heeft betaald en afrekening per het moment van de feitelijke beëindiging van de overeenkomst leidt tot minder nadeel en derhalve gunstiger is voor [eiseres].

Nadeel lease-overeenkomst I

5.14. Het totale nadeel (de tot 18 oktober 2007 verschuldigde termijnen (€ 5.464,36) plus de restant hoofdsom (€ 1.143,18) minus de verkoopwaarde van de effecten (€ 3.028,44) en minus de ontvangen dividenden (€ 1.378,87)) bedraagt € 2.200,23. Daarvan dient 40%, zijnde een bedrag van € 880,09 voor rekening van [eiseres] te blijven. [eiseres] heeft uit hoofde van deze lease-overeenkomst per saldo een bedrag van € 4.085,49 (€ 5.464,36 - € 1.378,87) aan Dexia betaald. Dit betekent dat Dexia een bedrag van € 3.205,40 (€ 4.085,49 - € 880,09) aan [eiseres] dient te betalen.

Nadeel lease-overeenkomst II

5.15. Het totale nadeel (de verschuldigde termijnen (€ 3.760,=) plus de restant hoofdsom

(€ 8.643,72) minus de verkoopwaarde van de effecten (€ 6.150,09) en minus de ontvangen dividenden (€ 743,73)) bedraagt € 5.509,90. Daarvan dient 40%, zijnde een bedrag van

€ 2.203,96 voor rekening van [eiseres] te blijven. [eiseres] heeft uit hoofde van deze lease-overeenkomst per saldo een bedrag van € 5.509,74

(€ 1.815,12 + € 1.890,70 + € 2.547,65 - € 743,73) aan Dexia betaald. Dit betekent dat Dexia een bedrag van € 3.305,78 (€ 5.509,74 - € 2.203,96) aan [eiseres] dient te betalen.

Wettelijke rente

5.16. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in

verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter kan Dexia hierin niet volgen. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens te worden uitgegaan van de data waarop de betalingen aan Dexia zijn verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA5684). Tevens dient in ogenschouw te worden genomen dat het in dit verband in aanmerking te nemen nadeel niet alleen bestaat uit de betaalde termijnen, maar ook uit nog verschuldigde doch niet betaalde termijnen en restant hoofdsom. Dit brengt mee dat de betalingen voor de berekening van de wettelijke rente niet geheel, maar voor een deel in aanmerking worden genomen. Het in aanmerking te nemen deel is een breuk, waarbij de teller wordt gevormd door het bedrag dat [eiseres] dient terug te ontvangen en de noemer door het bedrag dat [eiseres] ter zake van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald. De aldus voor de berekening van de wettelijke rente in aanmerking te nemen hoofdsom is voor lease-overeenkomst I te stellen op 58,7% van de betalingen, telkens vanaf hun betaaldata. Voor lease-overeenkomst II geldt een percentage van 53,2% van de betalingen, telkens vanaf hun betaaldata.

Ontbinding

5.17. De door [eiseres] gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomsten wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [eiseres] heeft derhalve bij deze vordering geen belang.

BKR-registratie

5.18. Nu door Dexia onbetwist is aangevoerd dat [eiseres] geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft en er geen sprake is van een BKR-registratie, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden afgewezen.

5.19. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

5.20. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5.21. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding. De eigendom van de in het kader van de lease-overeenkomsten gekochte effecten is bij Dexia verbleven.

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen:

ter zake van lease-overeenkomst I

- € 3.205,40, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend over 58,7% van elke betaling vanaf de respectievelijke betaaldata tot aan de dag der algehele voldoening;

ter zake van lease-overeenkomst II

- € 3.305,78, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend over 53,2% van elke betaling vanaf de respectievelijke betaaldata tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers]

gevallen, tot op heden begroot op:

te betalen aan [eisers]

voor verschuldigd griffierecht € 52,50

te betalen aan de griffier van de Rechtbank

voor verschuldigd griffierecht € 52,50

voor het exploot van dagvaarding € 84,87

voor salaris van gemachtigde € 625,00

-------------------

In totaal € 814,87

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

III. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2007 (bij vervroeging) in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter