Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BE9786

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2007
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
785931 DX 06-1332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen € [bedrag], te vermeerderen met de wettelijke rente over 63 % van de betaalde termijnen vanaf de betaaldata tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] gevallen; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Trefwoorden: effectenlease/zorgplicht/categoriemodel

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaaknummer / rolnummer: 785931 DX 06-1332

Vonnis van: 21 november 2007 (bij vervroeging)

F.no.: 580

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiseres],

nader te noemen [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. I.J.M. Willems,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde dw. P. Swier.

Procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 12 juni 2006, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 20 juni 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof Amsterdam heeft [eiseres] een afschrift overgelegd van de opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijke Wetboek (BW), waarin hij verklaart niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 18 juli 2007 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 14 november 2007. In voormeld tussenvonnis is bepaald dat ieder van partijen nog bij akte nadere inlichtingen diende te verstrekken. Hierop hebben beide partijen een akte genomen. Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen [eiseres]

3. Standpunten [eiseres]

4. Standpunten Dexia

5. Beoordeling van de vorderingen

1. Feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2. Op of omstreeks 20 april 1999 heeft [eiseres] een leaseovereenkomst ondertekend met de naam Capital Effect waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere (hierna: leaseovereenkomst I). Deze overeenkomst is met tussenkomst van Spaarselect Rhenen aangegaan onder nummer [nummer] voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 4.254,30 aandelen leaset en dat zij 240 maandelijkse termijnen van telkens € 45,37 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 10.888,32 waarin begrepen € 6.634,02 aan rente.

1.3. Op 28 maart 2007 heeft Dexia een eindafrekening opgesteld voor leaseovereenkomst I volgens welke [eiseres] uit hoofde van de leaseovereenkomst € 437,78 van Dexia heeft ontvangen. De restant hoofdsom bedroeg € 3.546,66 en de verkoopopbrengst van de effecten bedroeg € 3.939,07.

1.4. Op of omstreeks 11 oktober 2000 heeft [eiseres] een leaseovereenkomst ondertekend met de naam Allround Effect Maaandbetaling waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere (hierna: leaseovereenkomst II). Deze overeenkomst is met tussenkomst van Spaarselect Rhenen aangegaan onder nummer 39787416 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 4.255,24 aandelen leaset en dat [eiseres] 240 maandelijkse termijnen van telkens € 45,38 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 10.891,20 waarin begrepen € 6.635,96 rente.

1.5. Op 28 maart 2007 heeft Dexia een eindafrekening opgesteld voor leaseovereenkomst II volgens welke [eiseres] uit hoofde van de leaseovereenkomst € 410,49 van Dexia zal ontvangen. De restant hoofdsom bedroeg € 3.734,81 en de verkoopopbrengst van de effecten bedroeg € 4.099,92.

1.6. [eiseres] was ten tijde van het aangaan van het aangaan van leaseovereenkomst I 63 jaar. Zij heeft 2 jaar de Moeder MAVO gevolgd. [eiseres] had in 1999 een inkomen van € 674,97 netto per maand uit pensioen en een IAOW-uitkering. In 2000 had [eiseres] een inkomen van € 798,91 netto per maand uit pensioen en AOW. Het laatst uitgeoefende beroep van [eiseres] was dat van huishoudelijke hulp bij het Groene Kruis. [eiseres] beschikte niet over eigen vermogen en had geen schulden.

1.7. [eiseres] heeft ter zake van de leaseovereenkomsten aan Dexia betaald (zie het bij akte overgelegde overzicht van haar betalingen):

- uit hoofde van leaseovereenkomst I € 4.355,52;

- uit hoofde van leaseovereenkomst II € 3.539,64.

1.8. [eiseres] heeft uit hoofde van leaseovereenkomst I € 839,01 aan dividenden en aan Ahold-claim ontvangen, tevens is er € 184,08 aan dividend verrekend. Op grond van leaseovereenkomst II zijn geen dividenden uitgekeerd.

2. Vorderingen [eiseres]

[eiseres] vordert, na vermindering van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad;

- de leaseovereenkomsten I en II nietig te verklaren dan wel te ontbinden;

- Dexia te veroordelen tot terug betaling van alle door [eiseres] uit hoofde van de leaseovereenkomsten I en II aan Dexia betaalde bedragen, te weten tot 1 juni 2006 € 6.987,66, vermeerderd met zoveel maal een bedrag van € 90,75 als er maanden zijn verlopen vanaf 1 juni 2006 tot de dag van het vonnis houdende nietig verklaring, dan wel vernietiging, dan wel ontbinding vermeerderd met de wettelijke rente over de termijnbetalingen vanaf de verschillende betaaldata tot de dag der algehele voldoening met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

3. Standpunten [eiseres]

3.1. [eiseres] stelt dat de leaseovereenkomsten I en II moeten worden aangemerkt als

huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW.

[eiseres] legt voorts aan haar vorderingen hoofdzakelijk ten grondslag dat zij door toedoen

van Dexia heeft gedwaald, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en). Daarnaast heeft [eiseres] zich er op beroepen dat Dexia gehandeld heeft in strijd met een aantal andere door haar genoemde wettelijke regelingen en/of met een aantal voor Dexia geldende normen en criteria en dat de leaseovereenkomsten als gevolg daarvan nietig zouden zijn. [eiseres] stelt dat Dexia aansprakelijk is voor de handelingen van de tussenpersoon.

3.2. Volgens [eiseres] is Dexia aansprakelijk voor de door haar geleden schade. De

schade bestaat volgens [eiseres] uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de leaseovereenkomsten, althans uit de reeds door haar betaalde bedragen.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [eiseres] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-

overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop, maar refereert zich om proceseconomische redenen aan het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de bevoegdheid.

4.2. Dexia betwist dat de leaseovereenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen en dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplichten. Ook betwist Dexia dat zij de bepalingen – voor zover van toepassing – van de door [eiseres] genoemde wetten en regelingen niet in acht zou hebben genomen. Dexia betwist aansprakelijk te zijn voor de gedragingen van de tussenpersoon.

4.3. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

7.1 In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

strijd met de WCK en/of andere wetten en regelingen (rov 8.3)

dwaling (rov 8.5);

aansprakelijkheid voor tussenpersoon;

toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

nakoming zorgplicht (rov 8.9);

verdeling van het nadeel (rov 9).

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken.

Huurkoop; bevoegdheid en artikel 1:88/1:89

7.2. Een leaseovereenkomst als de onderhavige wordt aangemerkt als huurkoop. De

kantonrechter is derhalve bevoegd.

Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

7.3. Een effecteninstelling is aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen één of meer overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen. Het verweer van Dexia dat dit anders is wordt derhalve verworpen.

Strijd met WCK en andere wetten en regelingen

7.4. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de (ver)nietig(baar)heid van de overeenkomst is bepleit. Daarnaast wordt aangevoerd dat er sprake is van nietigheid van de overeenkomst, dan wel van een tekortkoming of onrechtmatig handelen jegens [eiseres], wegens strijd met andere wetten en regelingen.

7.5. De toepasselijkheid van de WCK en de andere hier bedoelde wetten en regelingen kan in het midden blijven. Ook indien [eiseres] zich terecht op die regelingen zou beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling

7.6. Uit de inhoud van de leaseovereenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [eiseres] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van haar gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van de hoofdsom. De leaseovereenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eiseres] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [eiseres] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden. Ook dit laat de zorgplicht die Dexia overigens had onverlet.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

7.7. Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

7.8. [eiseres] heeft Dexia verweten dat Dexia te haren opzichte de op haar rustende

zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van de onderhavige producten. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

7.9. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om

Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige leaseovereenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eiseres] (bepalend voor de vraag of zij financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [eiseres] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eiseres] om de overeenkomst aan te gaan.

7.10. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de

kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.6 bij de feiten zijn vermeld, is voor [eiseres] categorie 1 van toepassing. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient 80 % van het nadeel voor rekening van Dexia te komen en het resterend percentage voor rekening van [eiseres].

7.11. In het algemeen wordt in het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007 met het oog op een gelijke behandeling van gelijk(soortig)e zaken bij de berekening van het nadeel uit gegaan van een fictieve looptijd van 60 maanden. De kantonrechter ziet aanleiding hiervan af te wijken nu [eiseres] uit hoofde van respectievelijk leaseovereenkomst I en II 95 en 77 maandtermijnen heeft betaald en afrekenen per het einde van de werkelijke looptijd minder nadeel oplevert en gunstiger is voor [eiseres].

7.12. Bovenstaande komt voor leaseovereenkomst I neer op een bedrag van € 4.355,52 aan betaalde termijnen, te vermeerderen het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 3.546,66, en te verminderen met de opbrengst van de geleasede effecten, zijnde € 3.939,07 en een bedrag van € 1.023,09 wegens aan [eiseres] uitgekeerde dividenden, Ahold-claim en verrekende dividenden.

Het totale nadeel uit de overeenkomst bedraagt derhalve € 2.490,02. Hiervan dient, gelet op het in 7.10 genoemde percentage, een bedrag van € 588,00 voor rekening van [eiseres] te blijven.

Door [eiseres] is in het kader van leaseovereenkomst I een bedrag van € 4.355,52

betaald. Hiervan dient Dexia aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.490,73, zijnde het door [eiseres] betaalde bedrag minus de aan [eiseres] uitgekeerde dividenden, het hiervoor berekende bedrag dat voor rekening van [eiseres] dient te blijven en het bedrag dat [eiseres] uit hoofde van de leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen.

7.13. Uit hoofde van leaseovereenkomst II is € 3.539,64 aan termijnen betaald, vermeerderd met het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 3.734,81 en te verminderen met de opbrengst van de geleasede effecten, zijnde € 4.099,92.

Het totale nadeel uit leaseovereenkomst II bedraagt derhalve € 3.174,53. Hiervan dient, gelet op het in 7.10 genoemde percentage, een bedrag van € 634,91 voor rekening van [eiseres] te blijven.

Door [eiseres] is in het kader van leaseovereenkomst II een bedrag van € 3.539,64

betaald. Hiervan dient Dexia aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.494,24, zijnde het door [eiseres] betaalde bedrag verminderd met het hiervoor berekende bedrag dat voor rekening van [eiseres] dient te blijven en het bedrag dat [eiseres] uit hoofde van de leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen.

Wettelijke rente

7.14. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in

verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter kan Dexia hierin niet volgen. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de leaseovereenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens te worden uitgegaan van de data waarop [eiseres] haar betalingen aan Dexia heeft verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA5684). Tevens dient in ogenschouw te worden genomen dat het in dit verband in aanmerking te nemen nadeel niet alleen bestaat uit door [eiseres] betaalde termijnen, maar ook uit nog verschuldigde doch niet betaalde termijnen en restant hoofdsom. Dit brengt mee dat de betalingen van [eiseres] voor de berekening van de wettelijke rente niet geheel, maar voor een deel in aanmerking worden genomen. Het in aanmerking te nemen deel is een breuk, waarbij de teller wordt gevormd door het bedrag dat [eiseres] dient terug te ontvangen en de noemer door het bedrag dat [eiseres] ter zake van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald. De aldus voor de berekening van de wettelijke rente in aanmerking te nemen hoofdsom is te stellen op 63 %, van de termijnen, telkens vanaf hun betaaldata.

Ontbinding

7.15. De door [eiseres] gevorderde ontbinding van de leaseovereenkomsten wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [eiseres] heeft derhalve bij deze vordering geen belang.

7.16. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

7.17. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van [eiseres].

Uitvoerbaar bij voorraad

7.18. Er is bij afweging van de belangen van beide partijen bij de onderhavige uitspraak onvoldoende aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7.19. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen € 4.984,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over 63 % van de betaalde termijnen vanaf de betaaldata (als bedoeld in r.o. 1.7.) tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres]

gevallen, tot op heden begroot op:

aan [eiseres] te voldoen:

voor verschuldigd griffierecht € 49,00

aan de griffier van de rechtbank te voldoen:

voor verschuldigd griffierecht € 147,00

voor het exploot van dagvaarding € 84,87

voor salaris van gemachtigde € 750,00

In totaal € 1030,87

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

III. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde;

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter