Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BE9727

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2007
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
862600 / DX EXPL 07-1182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease, depot, 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

De kantonrechter veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen:

- in het kader van lease-overeenkomst 1 [bedrag] vermeerderd met de wettelijke rente berekend over een [bedrag] vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede over 21 % van de nadien verrichte betalingen, telkens vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening en over een [bedrag] vanaf 27 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 2 een bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede over iedere hierna verrichte termijnbetaling vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 3 een bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen:

- in het kader van lease-overeenkomst 4 een bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over 45 % van de betalingen, telkens vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 5 een bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] gevallen;

III. veroordeelt Dexia om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Krediet Registratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de lease-overeenkomsten meer hebben;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

effectenlease, depot, 1:88 BW, verjaring, zorgplicht, categoriemodel

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaak- / rolnummer: 862600 / DX EXPL 07-1182

Vonnis van: 14 november 2007

F.no.: 581

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1. [eiser],

nader te noemen [eiser],

2. [eiseres],

nader te noemen [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

tezamen nader te noemen [eisers],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 10 april 2007, met producties,

- de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 18 juli 2007 is bepaald dat er een comparitie zal worden gehouden, welke heeft plaatsgevonden op 7 september 2007.

Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eisers] per brief van 4 september 2007 en per faxbericht van 7 september 2007 aanvullende stukken ingediend. Ter terechtzitting heeft Dexia aanvullende stukken overgelegd.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen [eisers]

3. Standpunten [eisers]

4. Standpunten Dexia

5. Beoordeling van de vorderingen

1. Feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2 [eiseres] was bij het aangaan van de hieronder bedoelde overeenkomsten gehuwd met [eiser].

1.3. Op of omstreeks 9 mei 2000 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbeleging’ (hierna: lease-overeenkomst 1) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst, die tot stand is gekomen via Spaar Select Rotterdam (hierna: Spaar Select), is aangegaan onder nummer 22080045 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 70.452,40 aandelen leaset en dat hij 240 maandelijkse termijnen van telkens € 751,31 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 180.314,40 waarin begrepen een bedrag van € 109.862,00 aan rente. Per 8 februari 2006 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.4 Met het oog op de voldoening van de maandtermijnen van lease-overeenkomst 1 heeft [eiser] via Spaar Select een effectenrekening bij Dexia geopend en daarop op 22 augustus 2000 een bedrag in depot gestort, groot € 42.655,34. Dit depot is door [eiser] gefinancierd met een tweede hypotheek op de overwaarde van zijn woning. Van het gedeponeerde bedrag zijn participaties gekocht in Labouchere Global Aandelenfonds N.V. (hierna: Global Aandelenfonds).

De maandtermijnen uit de lease-overeenkomst zijn tot juli 2002 uit het depot voldaan. Na de termijnbetaling uit het depot in juni 2002 heeft [eiser] de resterende participaties in het Global Aandelenfonds verkocht. De opbrengst van € 6.265,23 is overgemaakt naar een privé-rekening van [eiser]. Voorts is op enig moment uit het depot een bedrag van € 766,44 overgeboekt naar een privé-rekening van [eiser].

1.5. [eiser] en Dexia zijn op of omstreeks 17 september 2003 met betrekking tot lease-overeenkomst 1 een ‘renteloze betalingsregeling’ overeengekomen, inhoudende dat [eiser] de termijnbetalingen 31 tot en met 38 renteloos en gespreid over 36 maanden kon betalen. Van de overeengekomen 36 betalingen van € 166,96 heeft [eiser] in totaal 22 betalingen voldaan.

1.6. [eiser] heeft uit hoofde van lease-overeenkomst 1 van Dexia € 7.370,34 aan dividenden

ontvangen.

1.7. Op of omstreeks 3 juli 2000 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Allround Effect Maandbetaling’ (hierna: lease-overeenkomst 2) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst, die tot stand is gekomen via Spaar Select, is aangegaan onder nummer 39784368 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 6.382,86 een certificaat leaset en dat hij 240 maandelijkse termijnen van telkens € 68,07 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 16.336,08 waarin begrepen een bedrag van € 9.953,22 aan rente. Per 15 juli 2005 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.8. [eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 2 60 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 4.084,20 aan Dexia betaald.

1.9. Op of omstreeks 3 juli 2000 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Allround Effect Vooruitbetaling’ (hierna: lease-overeenkomst 3) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst, die tot stand is gekomen via Spaar Select, is aangegaan onder nummer 39784367 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 8.510,49 een certificaat leaset en dat hij voor de eerste zestig maanden, na aftrek van 20 % korting, een vooruit te betalen rentetermijn van € 4.356,29 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 21.781,44 waarin begrepen een bedrag van € 13.270,95 aan rente over de gehele looptijd. Per 15 juli 2005 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.10. [eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 3 een totaalbedrag van € 4.356,60 bij vooruitbetaling aan Dexia betaald.

1.11. Op of omstreeks 3 juli 2000 heeft [eiseres] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Allround Effect Maandbetaling’ (hierna: lease-overeenkomst 4) waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst, die tot stand is gekomen via Spaar Select, is aangegaan onder nummer 39784366 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 6.382,86 een certificaat leaset en dat zij 240 maandelijkse termijnen van telkens € 68,07 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 16.336,08 waarin begrepen een bedrag van € 9.953,22 aan rente. Per 15 juli 2005 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.12. [eiseres] heeft ter zake van lease-overeenkomst 4 60 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 4.084,20 aan Dexia betaald.

1.13. Na 60 maanden bedroeg de waarde van het in lease-overeenkomst 4 genoemde certificaat € 4.295,61 en de restant hoofdsom € 5.826,83.

1.14. Op of omstreeks 3 juli 2000 heeft [eiseres] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam ‘Allround Effect Vooruitbetaling’ (hierna: lease-overeenkomst 5) waarop zij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst, die tot stand is gekomen via Spaar Select, is aangegaan onder nummer 39784365 voor een periode van 240 maanden. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiseres] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 8.510,49 een certificaat leaset en dat zij voor de eerste zestig maanden, na aftrek van 20 5 korting, een vooruit te betalen rentetermijn van € 4.356,29 verschuldigd was. De totale leasesom beliep € 21.781,44 waarin begrepen een bedrag van € 13.270,95 aan rente over de gehele looptijd. Per 15 juli 2005 is deze overeenkomst door Dexia beëindigd.

1.15. Na 60 maanden bedroeg de waarde van het in lease-overeenkomst 5 genoemde certificaat € 5.725,89 en de restant hoofdsom € 7.769,12.

1.16. [eiseres] heeft ter zake van lease-overeenkomst 5 een totaalbedrag van € 4.356,60 bij vooruitbetaling betaald.

1.17. Op voornoemde lease-overeenkomsten zijn de betreffende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing.

1.18. Ten aanzien van [eisers] zijn de volgende persoonlijke omstandigheden gebleken.

[eiser] is geboren op 25 september 1949. [eiseres] is geboren op 30 november 1953.

[eiser] heeft een opleiding gevolgd op Lbo-niveau en was ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten van beroep magazijnmeester wegtransport.

[eiseres] heeft een opleiding gevolgd op Hbo-niveau en was ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten van beroep lerares in het basisonderwijs.

Het gezinsinkomen van [eisers] bedroeg ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten rond € 2.332,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

[eisers] beschikten ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomsten over een renterekening bij Spaarbeleg, dat op 15 april 2000 een saldo van € 11.830,84 had. Dit saldo hebben zij aangewend ter financiering van lease-overeenkomsten 3 en 5. Voorts beschikten zij niet over enig vermogen.

Er is sprake van enig fiscaal voordeel, genoten door [eisers] in verband met de lease-overeenkomsten.

1.19. [eiser] en [eiseres] hebben elkaar over en weer geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van de onderscheidenlijke lease-overeenkomsten.

1.20. Bij brief van 8 februari 2003 heeft [eiseres] met een beroep op art. 1:89 BW voor het eerst de vernietigbaarheid ingeroepen van lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 en terugbetaling gevorderd op een termijn van 14 dagen.

1.21. Bij brief van 3 augustus 2005 heeft [eiser] met een beroep op art. 1:89 BW de

vernietigbaarheid ingeroepen van lease-overeenkomsten 4 en 5.

1.22. [eisers] hebben voor 1 augustus 2007 aan notaris Kielstra een opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 van het Burgerlijke Wetboek (BW) gezonden, waarin zij verklaren niet aan de verbindendverklaring van de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam gebonden te willen zijn.

2. Vorderingen [eisers]

[eisers] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van overeenkomst 1

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomst, het onlosmakelijk daaraan verbonden depot daarbij inbegrepen, rechtsgeldig is vernietigd wegens dwaling, althans wegens misbruik van omstandigheden;

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomst, het onlosmakelijk daaraan verbonden depot daarbij inbegrepen, is gesloten zonder de door artikel 1:88 lid 1 sub d BW vereiste toestemming van [eiseres] en dat door [eiseres] terecht een beroep op vernietiging op grond van artikel 1:89 lid 1 BW is gedaan, zodat de betreffende overeenkomst nietig is en Dexia verplicht is om alle door [eiser] aan haar betaalde bedragen terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;

- voor zover de overeenkomst niet vernietigd is op grond van dwaling of misbruik van omstandigheden of op grond van artikel 1:89 lid 1 BW, te verklaren voor recht dat Dexia de zorgplicht, die zij zowel uit de wet, uit het contract als uit de redelijkheid en billijkheid jegens [eisers] had moeten betrachten, heeft geschonden, waardoor [eisers] recht hebben op vergoeding van de gehele door hem geleden schade, althans als gevolg waarvan Dexia jegens [eisers] wanprestatie heeft gepleegd, zodat de overeenkomst op die grond terecht door [eisers] is ontbonden;

ten aanzien van lease-overeenkomsten 2, 3, 4 en 5

primair

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd wegens dwaling, althans wegens misbruik van omstandigheden;

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten zijn gesloten zonder de door artikel 1:88 lid 1 sub d BW vereiste toestemming van de echtgenoten en dat door hen terecht een beroep op vernietiging op grond van artikel 1:89 lid 1 BW is gedaan, zodat de betreffende overeenkomsten nietig zijn en Dexia verplicht is om alle door [eisers] aan haar betaalde bedragen terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;

subsidiair

- voor zover de lease-overeenkomsten niet vernietigd zijn op grond van artikel 1:89 BW of op grond van dwaling, te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten nietig zijn wegens strijd met de Wet op het consumentenkrediet, dan wel strijd met de Wet toezicht effectenverkeer, althans deze te vernietigen, althans de lease-overeenkomsten zodanig te wijzigen dat het nadeel voor [eisers] zal zijn opgeheven;

- voor zover de lease-overeenkomsten niet nietig zijn op grond van artikel 1:89 lid 1 BW of op grond van dwaling of misbruik van omstandigheden en voor zover tevens de nietigheid van de overeenkomsten op grond van de strijdigheid met de WCK niet wordt uitgesproken, te verklaren voor recht dat Dexia de zorgplicht die zij zowel uit de wet als uit de overeenkomsten als uit de redelijkheid en billijkheid jegens [eisers] had moeten betrachten, heeft geschonden, waardoor [eisers] recht hebben op vergoeding van de gehele door hen geleden schade, althans als gevolg waarvan Dexia jegens [eisers] wanprestatie heeft gepleegd, zodat de overeenkomst op die grond terecht door [eisers] is ontbonden;

ten aanzien van alle lease-overeenkomsten

- Dexia te veroordelen tot terugbetaling aan [eisers] van de som van € 83.660,49, bestaande uit de door [eiser] aan Dexia betaalde inleg en het verlies uit depot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betalingen tot de dag van algehele terugbetaling door Dexia, althans Dexia te veroordelen tot terugbetaling aan [eisers] van de som van alle door [eisers] aan Dexia betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling; alsmede Dexia te veroordelen tot betaling van een som van € 645,52 + p.m. bestaande uit de gestelde schadeposten betreffende de hypotheek en alle verdere hiermee verbandhoudende kosten, waaronder de notariskosten, taxatiekosten en afsluitprovisie, waarbij Dexia geen aanspraak kan maken op betaling door [eisers] van enige restschuld;

- Dexia te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten van [eisers], te weten het vaste bedrag van € 895,- alsmede 15% over de door Dexia aan [eiser] terug te betalen bedragen en 15 % over de door Dexia gevorderde bedragen die [eisers] na de uitspraak in deze zaak niet meer zullen hoeven betalen, alsmede de nakosten, de deurwaarderskosten daarbij inbegrepen, althans tot betaling van een bedrag aan proceskosten als de kantonrechter juist zal achten;

- Dexia te gelasten om binnen twee weken na betekening van dit vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eisers] bij de Stichting Bureau Krediet Registratie in Tiel wordt doorgehaald en dat in de betreffende gevallen de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,-.

3. Standpunten [eisers]

3.1. [eisers] stellen dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming behoefden van de andere echtgenoot ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat [eisers] deze (schriftelijke) toestemming over en weer niet hebben verleend, hebben zij de overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen.

Voor zover Dexia zich op het standpunt stelt dat het beroep van [eisers] op artikel 1:89 BW is verjaard, stellen [eisers] dat Dexia geen beroep op verjaring toekomt omdat zij in deze niet te goeder trouw is. Dexia heeft immers jarenlang het signaal heeft afgegeven dat artikel 1:88 BW niet op lease-overeenkomsten van toepassing is, aldus [eisers]

3.2. [eisers] leggen voorts aan hun vorderingen hoofdzakelijk ten grondslag dat zij door toedoen van Dexia hebben gedwaald, dat Dexia misbruik heeft gemaakt van omstandigheden, dat Dexia zich heeft bediend van misleidende reclame, althans dat Dexia tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en), en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Daarnaast hebben [eisers] zich er op beroepen dat Dexia gehandeld heeft in strijd met een aantal andere door hen genoemde wettelijke regelingen en/of met een aantal voor Dexia geldende normen en criteria en dat de overeenkomst als gevolg daarvan nietig zou zijn, dan wel dat Dexia daardoor onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. [eisers] stellen ten slotte dat Dexia aansprakelijk is voor de gedragingen van Spaar Select bij de totstandkoming van de lease-overeenkomsten.

3.3. Volgens [eisers] is Dexia aansprakelijk voor de door hen geleden schade. De

schade bestaat volgens [eisers] uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten en daarmee samenhangende overeenkomsten, althans uit de reeds door hen betaalde bedragen.

3.3. Volgens [eisers] is Dexia wettelijke rente verschuldigd over alle betaalde bedragen telkens vanaf de dag van betaling.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist de vorderingen van [eisers] en voert - kort gezegd – aan dat de lease-

overeenkomst niet kan worden aangemerkt als huurkoop.

4.2. Voorts voert Dexia aan dat er geen sprake is van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:89 BW omdat – kort gezegd – art. 1:88 BW geen betrekking heeft op vermogensrechten als de onderhavige, er geen sprake is van huurkoop bij gebrek aan aflevering en omdat partijen niet hebben beoogd om de afnemer de effecten te doen verkrijgen. Dexia stelt verder dat de huwelijkspartner zijn of haar in art. 1:88 BW bedoelde toestemming ook op andere wijze dan schriftelijk kan verlenen en dat [eisers] dit over en weer ook hebben gedaan. Bovendien is het recht om lease-overeenkomsten 4 en 5 op grond van artikel 1:89 BW te vernietigen volgens Dexia tevens verjaard, aldus Dexia.

4.3. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij [eisers] zou hebben misleid, dat zij zich heeft bediend van misleidende reclame, dat zij zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplichten of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikten [eisers] bij het aangaan van de overeenkomsten telkens over alle relevante informatie. Dexia betwist aansprakelijk te zijn voor het handelen of nalaten van de tussenpersoon. Ook betwist Dexia dat zij de bepalingen – voor zover van toepassing – van de door [eisers] genoemde wetten en regelingen niet in acht zou hebben genomen.

4.4. Ten slotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Beoordeling van de vorderingen

5.1. In de vonnissen van deze rechtbank van 27 april 2007 met LJN nummers BA3920 en BA3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

BA3920:

omschrijving van de risico’s van de depotconstructies zoals de onderhavige (rov 7.2 – 7.5);

uitvoerbaarverklaring bij voorraad (rov 10.17);

BA3914 en BA3920:

huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

artikel 1:88/1:89 BW (rov 8.2);

strijd met de WCK en/of andere wetten en regelingen (rov 8.3);

misleidende reclame (rov 8.4);

dwaling (rov 8.5);

aansprakelijkheid voor tussenpersonen (rov 8.7);

toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

nakoming zorgplicht (rov 8.9);

verdeling van het nadeel (rov 9).

De kantonrechter neemt de overwegingen uit de vonnissen van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan hierna niet wordt afgeweken. In het onderhavige geval komt dan neer op het volgende.

Huurkoop; bevoegdheid

5.2. Lease-overeenkomsten als de onderhavige wordt aangemerkt als huurkoop. De

kantonrechter is derhalve bevoegd.

5.3. Artikel 1:88 lid 1 onder d BW is op de onderhavige lease-overeenkomsten van toepassing. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de daar bedoelde toestemming voor de lease-overeenkomsten ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721, rov 2.12.3). Omdat deze schriftelijke toestemming ontbreekt, hadden [eisers] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid. Gelet hierop heeft [eiseres] de lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 bij haar brief van 8 februari 2003 op juiste gronden vernietigt.

Dexia heeft in dit verband, met onder meer een beroep op de redelijkheid en billijkheid, gesteld dat [eiser] geen recht heeft op integrale restitutie van de betalingen die hij in het verleden heeft verricht. Dit betoog faalt. Aan art. 1:89 BW ligt immers de gedachte ten grondslag dat de partner, c.q. het gezin, beschermd dient te worden tegen verplichtingen als bedoeld in art. 1:88 BW die zonder toestemming van de ene partner door de ander zijn aangegaan. Hiermee is niet te verenigen dat op de restitutieplicht van Dexia gekort zou worden op grond van omstandigheden die niet aan enige gedraging van die andere partner toegerekend kunnen worden. Dientengevolge dienen alle betalingen van [eiser] aan Dexia ter zake van lease-overeenkomsten 1, 2 en 3 te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [eiser] ter zake van Dexia ontvangen heeft, zoals uitgekeerde dividenden.

5.4. Ten aanzien van lease-overeenkomst 1 merkt de kantonrechter voorts nog het volgende op. Zoals overwogen is in het vonnis van 27 april 2007 LJN nummer BA3920 onder de rechtsoverwegingen 10.7 tot en met 10.9, brengt de vernietiging van de lease-overeenkomst niet met zich dat ook de storting in het depot nietig is en uit dien hoofde gerestitueerd zou moeten worden. De kantonrechter zal hierna derhalve nader onderzoeken of de overige vorderingen van [eisers] ten aanzien van lease-overeenkomst 1 op de daarvoor aangevoerde (andere) gronden toewijsbaar zijn.

5.5. Dexia stelt dat het aan [eiser] toekomende vernietigingsberoep ten aanzien van lease-overeenkomsten 4 en 5 is verjaard. De verjaringstermijn is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar en vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, RvdW 2007, 68 en LJN: AY8771). Ter terechtzitting hebben [eisers] gesteld dat [eiser] van aanvang af wist dat [eiseres] de betreffende lease-overeenkomsten was aangegaan, reden waarom de verjaringstermijn van het beroep op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW is aangevangen op het moment van totstandkoming van de overeenkomsten. [eiser] heeft eerst bij brief van 3 augustus 2005 een beroep op de vernietigbaarheid van lease-overeenkomsten 4 en 5 gedaan. Daarmee staat vast dat het beroep op de hier bedoelde vernietigbaarheid niet binnen drie jaar nadat [eiser] bekend is geworden met lease-overeenkomsten 4 en 5 heeft plaatsgevonden, zodat het desbetreffende recht is verjaard. De stelling van [eisers] dat Dexia thans op grond van door hun geschetste omstandigheden niet te goeder trouw beroep kan doen op verjaring wordt verworpen, reeds op de grond dat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] ten gevolge van uitlatingen van Dexia te laat vorenbedoeld beroep op 1:89 BW heeft gedaan.

Ten aanzien van lease-overeenkomsten 4 en 5 dienen derhalve de overige door [eisers] aangevoerde gronden nader aan de orde te komen.

Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

5.6. Een effecteninstelling is aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen één of meer overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen. Het verweer van Dexia dat dit anders is wordt derhalve verworpen.

Strijd met WCK en andere wetten en regelingen

5.7. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de

(ver)nietig(baar)heid van de overeenkomsten is bepleit. Daarnaast wordt aangevoerd dat er sprake is van nietigheid van de overeenkomst, dan wel van een tekortkoming of onrechtmatig handelen jegens de [eisers], wegens strijd met andere wetten en regelingen.

5.8. De toepasselijkheid van de WCK en de andere hier bedoelde wetten en regelingen kan in het midden blijven. Indien [eisers] zich terecht op die regelingen zouden beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Misleidende reclame

5.9. Maatstaf bij de vraag of sprake is van misleidende reclame is – kort gezegd – hetgeen kon worden begrepen door een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument bij kennisneming van de betreffende reclame (HvJ EG 16 juli 1998, C-210/96, NJ 2000, 374).

5.10. Ter onderbouwing van hun stelling dat Dexia zich heeft bediend van misleidende reclame verwijzen [eisers] naar de door hen overgelegde brochures ‘Overwaarde Effect zonder herbeleggen’ en ‘Allround Effect’ van Spaar Select. In dit reclamemateriaal worden bij de oplettende lezing door een consument zoals hiervoor bedoeld, de wezenlijke kenmerken van de aangeboden producten vermeld, zodat van misleidende reclame geen sprake is. Dit laat onverlet dat Dexia in het kader van haar zorgplicht de verplichtingen had zoals hierna omschreven.

Dwaling

5.11. [eiser] heeft uit de van Dexia c.q. van de tussenpersoon ontvangen informatie moeten en kunnen afleiden dat het depot aangewend zou worden om te beleggen in een (effecten)fonds. Voorts had [eiseres] uit de inhoud van de lease-overeenkomsten 4 en 5 en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van haar gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen omtrent de depotbelegging en/of het aangaan van de lease-overeenkomsten had (ook) van [eisers], naast het stellen van enkele vragen aan de tussenpersoon, enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [eiser] de depotbelegging en [eiseres] de lease-overeenkomsten 4 en 5 onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken zijn aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de (lease-)overeenkomsten wegens dwaling leiden. Dat laat de zorgplicht die Dexia overigens had en die hierna aan de orde komt, onverlet.

Misbruik van omstandigheden

5.12. De kantonrechter verwerpt het beroep op misbruik van omstandigheden. Uit hetgeen is gesteld, blijkt onvoldoende dat Dexia, wetende of moetende begrijpen dat [eisers] door bijzondere omstandigheden (zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) bewogen werden tot het aangaan van de depotbelegging en de lease-overeenkomsten 4 en 5, het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen zij wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

5.13. Dexia was bij het aanbieden van de onderhavige producten gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht

5.14. [eisers] hebben Dexia verweten dat Dexia jegens hen de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van de onderhavige producten. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

Omvang en toerekening van het depotnadeel van lease-overeenkomst 1

5.15. In aanmerking genomen dat Dexia reeds alle ter zake van lease-overeenkomst 1 verrichte betalingen – waaronder dus ook de maandtermijnen die uit het depot betaald zijn – dient te restitueren, resteren voor [eiser] nog de volgende nadelen met betrekking tot het depot:

I. het waardeverlies van het fonds waarin het depot is belegd;

II. de financieringskosten van het depot (de aan de hypotheekbank betaalde rente, notariskosten, provisiekosten, royementskosten etc.).

5.16. Bij de verdeling van het nadeel wordt onderscheid gemaakt tussen deze verschillende componenten. Daarbij speelt niet slechts een rol in welke mate het nadeel aan ieder van partijen is toe te rekenen, maar eveneens in hoeverre de toegekende vergoeding per onderdeel passend is in het totaal van de aan [eiser] toegekende vergoeding.

5.17. Op deze basis oordeelt de kantonrechter naar maatstaven van redelijkheid en

billijkheid dat het onder I bedoelde waardeverlies voor 100% voor rekening van Dexia behoort te komen. Voorts oordeelt de kantonrechter dat de onder II genoemde kosten geheel voor rekening van [eiser] dienen te blijven, zodat dit gedeelte van de vordering afgewezen dient te worden.

Dexia dient derhalve niet alleen het onder 5.3 genoemde saldo van de betalingen ter zake van lease-overeenkomst 1 aan [eiser] te restitueren, maar ook hetgeen [eiser] na aftrek van de onttrekkingen aan het depot meer in het depot heeft ingelegd dan aan leasetermijnen uit het depot beschikbaar is gekomen (de waardedaling van het depot). Dit komt er op neer dat [eiser] van Dexia dient terug te krijgen alle door hem ter zake van het onderhavige samenstel van overeenkomsten aan Dexia betaalde bedragen, verminderd met hetgeen [eiser] aan het depot heeft onttrokken en hetgeen [eiser] aan dividenden en daarmee gelijk te stellen uitkeringen van Dexia heeft ontvangen, in casu neerkomende op een bedrag van (€ 42.655,34 + € 3.756,55 + € 3.673,12 -/- € 766,44 -/- € 6.265,23 -/- € 7.370,34 =) € 35.683,-

Toerekening van het nadeel in het kader van lease-overeenkomsten 4 en 5

5.18. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 met LJN nummer BA3914 is het onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eiseres] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige overeenkomst tot stand zou zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eisers] (bepalend voor de vraag of [eiseres] financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [eiseres] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomst(en). Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eiseres] om de overeenkomst aan te gaan.

5.19. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.19 bij de feiten zijn vermeld, is voor [eiseres] categorie 2 van toepassing. Dit betekent dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 60 % van het nadeel voor rekening van Dexia dient te komen en het resterende percentage voor rekening van [eiseres] komt. Bij de vaststelling van dit percentage is tevens rekening gehouden met de fiscale gevolgen van de lease-overeenkomsten voor [eiseres]. De vraag of [eiseres] – naar Dexia stelt – blijkens een overgelegd rekeningoverzicht van de renterekening bij Spaarbeleg over enige relevante beleggingservaring beschikte, kan hierbij in het midden blijven, omdat [eiseres] reeds gelet op het gezinsinkomen en het vermogen van [eisers] niet in de overige categorieën valt. In dit verband merkt de kantonrechter op dat [eisers] onbetwist hebben gesteld dat zij het enige vermogen waarover zij beschikten, het saldo van de renterekening bij Spaarbeleg, hebben aangewend ter financiering van lease-overeenkomsten 3 en 5, reden waarom het ervoor dient te worden gehouden dat [eiseres] na het afsluiten van lease-overeenkomsten 4 en 5 niet over enig vermogen beschikte waarmee tegenvallende resultaten op de lease-overeenkomsten zouden kunnen worden opgevangen.

5.20. Onder het in aanmerking te nemen nadeel van lease-overeenkomsten 4 zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomst verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomsten. In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007 met LJN-nummer BA3914 gaat de kantonrechter met het oog op gelijke behandeling van gelijk(soortig)e zaken bij de berekening van het nadeel uit van een fictieve looptijd van 60 maanden, nu – bijzondere omstandigheden daargelaten – een langere termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaard kan worden. In het onderhavige geval komt dit neer op een bedrag van € 4.084,20. Voor de berekening van het in aanmerking te nemen nadeel wordt dit bedrag vermeerderd met het restant van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 5.826,83 en te verminderen met de opbrengst van het geleasete certificaat, zijnde € 4.295,61.

5.21. Het totale nadeel uit lease-overeenkomst 4 bedraagt derhalve € 5.615,42. Hiervan dient, gelet het in 5.19 genoemde percentage, een bedrag van € 2.246,17 voor rekening van [eiseres] te blijven.

5.22. Door [eiseres] is in het kader van lease-overeenkomst 4 een bedrag van € 4.084,20 betaald. Hierop dienen in mindering te worden gebracht het hiervoor berekende bedrag dat voor haar rekening dient te blijven, zodat Dexia per saldo aan [eiseres] dient te voldoen een bedrag van € 1.838,03.

5.23. Onder het in aanmerking te nemen nadeel van lease-overeenkomst 5 zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomst verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomsten, conform hetgeen hiervoor is overwogen beperkt tot 60 maanden, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 4.356,60. Voor de berekening van het in aanmerking te nemen nadeel wordt dit bedrag vermeerderd met het restant van de hoofdsom van de geldlening, zijnde € 7.769,12 en te verminderen met de opbrengst van het geleasete certificaat, zijnde € 5.725,89.

5.24. Het totale nadeel uit lease-overeenkomst 5 bedraagt derhalve € 6.399,83. Hiervan dient, gelet het in 5.19 genoemde percentage, een bedrag van € 2.559,93 voor rekening van [eiseres] te blijven.

5.25. Door [eiseres] is in het kader van overeenkomst 5 een bedrag van € 4.356,60 betaald. Hierop dienen in mindering te worden gebracht het hiervoor berekende bedrag dat voor haar rekening dient te blijven, zodat Dexia per saldo aan [eiseres] dient te voldoen een bedrag van € 1.796,67.

Wettelijke rente

5.26. Ten aanzien van lease-overeenkomst 1 is de gevorderde wettelijke rente is als volgt toewijsbaar:

a. over € 18.087,27, zijnde het, als onder 5.3 bedoelde, saldo van het bedrag dat [eiser] heeft betaald tot het moment dat Dexia met de terugbetaling in verzuim was (het moment waarop de door [eiseres] in haar onder de feiten bedoelde brief genoemde betalingstermijn verstreek, te weten 22 februari 2003) minus de door [eiser] tot dit moment ontvangen dividenden, vanaf 22 februari 2003 tot moment tot aan de voldoening;

b. over 21 % van de 22 betalingen die [eiser] heeft verricht na 22 februari 2003, telkens vanaf de momenten van betaling. Immers, nu [eiser] ook na 22 februari 2003 nog dividenden heeft ontvangen en deze dividenden, als hiervoor onder 5.3 is vermeld, voor de berekening van het door Dexia terug te betalen bedrag van de door [eiser] betaalde bedragen moeten worden afgetrokken, kan de wettelijke rente slecht over een deel, te weten 21 %, van de betalingen worden toegewezen;

c over het waardeverlies op het depot (€ 16.840,92) vanaf de datum gelegen halverwege het moment waarop het depotbedrag is betaald en het moment waarop het depot (voortijdig) uitgeput was, derhalve vanaf 27 juli 2001 tot de voldoening.

Bij de bepaling van laatstgenoemd moment is in aanmerking genomen dat bezwaarlijk is vast te stellen op welk(e) exacte moment(en) tussen storting van het depot en uitputting daarvan het waardeverlies is ontstaan. Met inachtneming van artikel 6:97 BW en aannemende dat het waardeverlies geleidelijk is ontstaan, wordt [eiser] geacht dit nadeel vanaf genoemde datum te hebben ondervonden.

5.27. Ten aanzien van lease-overeenkomsten 2 de wettelijke rente toewijsbaar over de door Dexia te restitueren betalingen vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde het moment waarop de door [eiseres] in haar onder 1.21 bedoelde brief genoemde betalingstermijn verstreek, derhalve met ingang van 22 februari 2003, zij het dat ook na dit moment door [eiseres] nog termijnbetalingen zijn verricht. Op grond van hetgeen onder de feiten is vermeld, gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiseres] tot 22 februari 2003 ter zake van deze lease-overeenkomst 32 termijnbetalingen, voor een totaalbedrag van € 2.178,24, heeft verricht en dat zij de overige 28 termijnbetalingen hierna heeft verricht. Dit betekent dat Dexia ter zake van lease-overeenkomst 1 vanaf 22 februari 2003 wettelijke rente verschuldigd is over een bedrag van € 2.178,24 en dat zij voorts over iedere latere termijnbetaling wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment van betaling.

5.28. Ten aanzien van lease-overeenkomst 3 is de wettelijke rente toewijsbaar over de door Dexia te restitueren (vooruit)betaling vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde het moment waarop de door [eiseres] in haar onder 1.21 bedoelde brief genoemde betalingstermijn verstreek, derhalve met ingang van 22 februari 2003.

5.28. Met betrekking tot de wettelijke rente over de lease-overeenkomsten 4 en 5 overweegt de kantonrechter dat Dexia deze verschuldigd is vanaf het moment van verzuim. Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens te worden uitgegaan van de data waarop [eiseres] haar betalingen aan Dexia heeft verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA5684). Tevens dient in ogenschouw te worden genomen dat het in dit verband in aanmerking te nemen nadeel niet alleen bestaat uit door [eiseres] betaalde termijnen, maar ook uit nog verschuldigde doch niet betaalde termijnen en restschuld. Dit brengt mee dat de betalingen van [eiseres] voor de berekening van de wettelijke rente niet geheel, maar voor een deel in aanmerking worden genomen. Het in aanmerking te nemen deel is een breuk, waarbij de teller wordt gevormd door het bedrag dat [eiseres] dient terug te ontvangen en de noemer door het bedrag dat zij ter zake van de leaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald.

Ontbinding

5.29. De door [eisers] gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomsten 4 en 5 wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [eiser] heeft derhalve bij deze vordering geen belang.

Schadevergoeding

5.30. De overigens door [eisers] gevorderde schadevergoeding en kosten, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, wordt afgewezen. De in verband daarmee gestelde feiten en omstandigheden, de negatieve financiële gevolgen voor [eisers] daaronder begrepen, zijn verdisconteerd in het oordeel omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

Verklaring voor recht

5.31. De vorderingen van [eisers] gericht op verklaringen voor recht worden afgewezen, omdat zij daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang meer hebben.

Proceskosten

5.32. Dexia zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding, die op de gebruikelijke wijze worden begroot. Voor zover [eisers] een hoger bedrag aan proceskosten vorderen, wordt dit meerdere afgewezen. Krachtens artikel 237 lid 3 en 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn de gevorderde nakosten niet toewijsbaar, aangezien deze kosten nog niet zijn gemaakt en in deze procedure niet kunnen worden begroot.

BKR-registratie

5.33. Nu [eisers] ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op tien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

5.34. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.35. Er is bij afweging van de belangen van beide partijen bij de onderhavige uitspraak onvoldoende aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.36. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

BESLISSING

De kantonrechter:

De kantonrechter:

I. veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen:

- in het kader van lease-overeenkomst 1 een bedrag van € 35.683,-, vermeerderd met de wettelijke rente berekend over € 18.087,27 vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede over 21 % van de nadien verrichte betalingen, telkens vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening en over een bedrag € 16.840,92 vanaf 27 juli 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 2 een bedrag van € 4.084,20, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.178,24 vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede over iedere hierna verrichte termijnbetaling vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 3 een bedrag van € 4.356,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia om aan [eiseres] te betalen:

- in het kader van lease-overeenkomst 4 een bedrag van € 1.838,03, vermeerderd met de wettelijke rente over 45 % van de betalingen, telkens vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

- in het kader van lease-overeenkomst 5 een bedrag van € 1.796,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers]

gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 199,00

voor het exploot van dagvaarding € 84,87

voor salaris van gemachtigde € 1.200,00

In totaal € 1.483,87

III. veroordeelt Dexia om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Krediet Registratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de lease-overeenkomsten meer hebben, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,-;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.H. Kist, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2007 door mr. A. van Dijk, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter