Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BD5490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
AWB 06-5120 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWB 06/5120 (A. Kolster/Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen)

Verweerder heeft geweigerd om aan eiser een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen af te geven. Eiser heeft in 1999 een hersenbloeding gehad en volgens verweerder heeft eiser geen behandeling ondergaan, zoals wordt vereist in de Regeling eisen geschiktheid 2000. De rechtbank oordeelt dat verweerder het begrip "behandeling" te beperkt heeft uitgelegd en dat eiser wel een behandeling heeft ondergaan als bedoeld in de Regeling eisen geschiktheid 2000. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om alsnog een verklaring van geschiktheid af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/5120 WET

van:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser, vertegenwoordigd door F.E. Hooijsma,

tegen:

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), gevestigd te Rijswijk, verweerder,

vertegenwoordigd door van M. van Vliet.

1. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft verweerder geweigerd aan eiser een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A en B af te geven.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 januari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 4 november 2005 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Eiser is van deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Op 16 augustus 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) de uitspraak van de rechtbank en het besluit van verweerder van 14 januari 2005 vernietigd.

Op 20 oktober 2006 heeft de rechtbank een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar door verweerder (hierna: het bestreden besluit 1).

Op 16 november 2006 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: het bestreden besluit 2). De rechtbank heeft op 19 december 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het bestreden besluit 2.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 18 september 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser heeft verzocht om het beroep tegen het bestreden besluit 2 gevoegd te behandelen met het beroep tegen het bestreden besluit 1.

Met betrekking tot het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar wordt als volgt overwogen. Op grond van artikel 6:20, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in een situatie als de onderhavige, waarin beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, indien dat besluit alsnog wordt genomen, het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Nu met het nemen van het bestreden besluit 2 het (proces)belang tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar is komen te ontvallen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij gegrondverklaring van zijn beroep gericht tegen het bestreden besluit 1, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Met betrekking tot het bestreden besluit 2 overweegt de rechtbank als volgt.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 97 van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid door het CBR op aanvraag verstrekt aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke of geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

De hiervoor bedoelde eisen zijn vastgesteld bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling). In artikel 2 van de regeling is bepaald dat de eisen worden vastgesteld overeenkomstig de bij die regeling behorende bijlage (hierna: de Bijlage). Paragraaf 7.6 van de Bijlage luidt, voor zover hier van belang:

“7.6. Doorbloedingsstoornissen van de hersenen

Doorbloedingsstoornissen van de hersenen omvatten beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA), TIA's (transient ischemic attacks), verwijdingen van slagaders (aneurysmata) en andere vaatmisvormingen van de hersenvaten.

(.....)

7.6.1.1 Aneurysmata en andere misvormingen van de hersenvaten

A. Toevallig ontdekte aneurysmata en andere misvormingen van de hersenvaten met kans op optreden van hersenbloedingen, maar die nog niet hebben gebloed

Wanneer er geen behandeling is geweest, gelden wegens de relatief geringe kans op bloedingen geen beperkingen van de geschiktheid. Na een behandeling gelden de eisen onder B. Voor personen met epilepsie geldt tevens paragraaf 7.2.

B. Aneurysmata en andere misvormingen van de hersenvaten die zijn ontdekt na bloedingen

Personen met een aneurysma of een andere misvorming van de hersenvaten die gebloed heeft, zijn niet geschikt voor rijbewijzen van groep l tot zes maanden na de behandeling. Voor deze personen is een specialistisch rapport vereist om geestelijke of lichamelijke functiestoornissen vast te stellen. Als er geen functiestoornissen zijn, bestaat er geschiktheid voor onbepaalde tijd.

Bij functiestoornissen volgt altijd een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) en bij een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Voor personen met epilepsie geldt tevens paragraaf 7.2.

(.....).“

De procedure bij de ABRvS

Verweerder heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat eiser geen behandeling heeft ondergaan als bedoeld in onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage. Verweerder heeft in dit verband onder meer gewezen op de toelichting van de Minister op de wijziging van de Regeling van

24 januari 2002 (stcrt. 2002/20) (hierna: de Toelichting). De in de Toelichting genoemde behandelwijzen voor doorbloedingsstoornissen, te weten een operatie, endovasculaire behandeling, bestraling, of een combinatie daarvan, zijn volgens verweerder limitatief bedoeld. Met andere woorden, enige andere behandeling valt niet aan te merken als een behandeling als bedoeld in de Bijlage. Nu eiser niet een van de in de Toelichting genoemde behandelingen heeft ondergaan, kan hij niet geschikt worden geacht om een motorrijtuig te besturen, aldus verweerder.

De ABRvS heeft deze redenering verworpen en heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De ABRvS heeft hiertoe het volgende overwogen:

“(.....)

Blijkens de Toelichting is met de wijziging van de Regeling beoogd het begrip “behandeling” in onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage, niet langer te beperken tot een operatie. Ook andere behandelingsmethoden kunnen als behandeling gelden. De hierboven aangehaalde behandelingsmethoden “bestraling, chemotherapie en endovasculaire behandeling” zijn, gelet op het woord “zoals”, niet limitatief bedoeld. Gelet daarop, kan het standpunt van het CBR dat in het geval van appellant geen sprake is of is geweest van behandeling in de zin van de Bijlage reeds omdat deze niet heeft bestaan uit een der in de Toelichting genoemde behandelingswijzen, niet zonder meer voor juist worden gehouden. Nu het CBR geen nader onderzoek heeft gedaan naar de aard en wijze waarop eiser feitelijk is behandeld door prof. Heimans, noch naar de uitwerking daarvan, heeft het CBR onvoldoende onderzocht of sprake is geweest van een behandeling in de zin van onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage. Voor het doen van nader onderzoek bestond in dit geval te meer aanleiding gelet op de positieve adviezen, niet alleen van prof. Heimans, maar ook van dr. Kuiper, door wie appellant in opdracht van het CBR is gekeurd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CBR niet voldoende gemotiveerd aangegeven waarom van in het bijzonder dit laatste positieve advies is afgeweken en waarom het zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet is behandeld in de zin van onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage. Om die reden is de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

(.....).”

Het bestreden besluit 2

In het bestreden besluit 2 heeft verweerder zich (opnieuw) op het standpunt gesteld dat de in de Toelichting opgesomde behandelwijzen limitatief zijn bedoeld. Aangezien eiser geen van de in de toelichting genoemde behandelwijzen heeft ondergaan, heeft eiser geen behandeling ondergaan als bedoeld in onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage en komt eiser dus niet in aanmerking voor een verklaring van geschiktheid, aldus verweerder.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit 2 in tegenspraak is met de uitspraak van de ABRvS.

De beoordeling

Het bestreden besluit 2 kan niet in stand blijven. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat verweerder de aan het bestreden besluit 2 ten grondslag liggende argumentatie ter zitting heeft verlaten, waardoor het bestreden besluit 2 niet langer is voorzien van een motivering.

Bovendien is, zoals eiser terecht heeft aangevoerd, de (thans verlaten) argumentatie uit het bestreden besluit 2, die erop neerkomt de in de Toelichting genoemde behandelwijzen limitatief zijn bedoeld, in tegenspraak met de uitspraak van de ABRvS.

Ook op een ander punt is het bestreden besluit 2 in strijd met de uitspraak van de ABRvS. Verweerder heeft namelijk, zoals eiser terecht heeft opgemerkt, nagelaten nader te motiveren waarom van het positieve advies van dr. Kuiper is afgeweken. Volgens de ABRvS leidt dit tot een motiveringsgebrek.

Het bestreden besluit 2 zal derhalve worden vernietigd.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat daarvoor geen redenen zijn en overweegt daartoe als volgt.

In zijn uitspraak van 16 augustus 2006 heeft de ABRvS geoordeeld dat het begrip behandeling in zin van onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage niet is beperkt tot de in de Toelichting genoemde behandelwijzen.

Eiser heeft in 1999, nadat hij een hersenbloeding had gehad, een zogenaamde “conservatieve behandeling” ondergaan, die bestond uit zes weken bedrust in het ziekenhuis en (anti-stollings)medicatie. In 2001 is eiser doorverwezen naar de afdeling neurologie van het VUMC te Amsterdam. Daar hebben verschillende onderzoeken plaatsgevonden, waaronder bloedonderzoeken, een lumbaalpunctie, eiwit-onderzoek, een MRI-scan, doppler onderzoek, EEG, en het maken van een hartfilmpje. Daarnaast heeft eiser van de vasculaire internist van het VUMC het medicijn simvastatine voorgeschreven gekregen. Dit medicijn helpt om de vaatwanden in zo goed mogelijke conditie te houden. Eiser slikt momenteel nog dagelijks simvastatine. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat eiser een behandeling heeft ondergaan als bedoeld in onderdeel 7.6.1.1, onder B, van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage.

Verweerder heeft bij aanvullend verweerschrift gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 30 mei 2007 (LJN: BA6011). In deze uitspraak is bepaald dat onder het begrip behandeling in zin van onderdeel 7.6.1.1 onder B van paragraaf 7.6.1 van de Bijlage dient te worden verstaan geneeskundige verzorging gericht op herstel dan wel verbetering van de afwijking. Volgens verweerder voldoet de behandeling van eiser niet aan deze definitie.

Naar het oordeel van de rechtbank is de behandeling van eiser wel aan te merken als geneeskundige verzorging gericht op herstel dan wel verbetering van de afwijking. De behandeling van eiser is immers gericht is op het reduceren van de (geringe) kans op het intreden van een nieuwe bloeding. Bovendien draagt het gebruik van simvastatine bij aan het verbeteren van de afwijking, in die zien dat de vaatwanden in de hersenen (die door vaatmisvorming kwetsbaarder zijn) worden versterkt.

Nu geoordeeld moet worden dat eiser een behandeling als bedoeld in onderdeel 7.6.1.1, onder B van de Bijlage heeft ondergaan en voorts aan de voorwaarde dat er geen functiestoornissen (meer) zijn is voldaan, moet eiser voor onbepaalde tijd geschikt worden geacht tot het besturen motorrijtuigen. Verweerder is derhalve gehouden om aan eiser een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen af te geven. Doende wat verweerder behoorde te doen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de primaire beslissing van 31 augustus 2004 herroepen. Verweerder zal met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb worden opgedragen een verklaring van geschiktheid af te geven. Aangezien verweerder in deze procedure reeds eerder de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, zal aan verweerder worden opgedragen om dit besluit uiterlijk zes weken na de datum van deze uitspraak te nemen.

Ten slotte dient nog te worden ingegaan op de vordering van eiser tot vergoeding van de gerechtelijke kosten, de buitengerechtelijke kosten en de schade. Aangezien eiser zich in de onderhavige procedure niet heeft laten vertegenwoordigen door een rechtsbijstandverlener, is geen er grond voor vergoeding van gerechtelijke kosten. Voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten is in het bestuursrecht geen plaats. Eiser heeft tot zijn vordering tot schadevergoeding in het geheel niet onderbouwd, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- veklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- herroept het primaire besluit van verweerder van 31 augustus 2004;

- bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- treft de voorziening dat verweerder uiterlijk zes weken na de datum van deze uitspraak een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën A en B afgeeft;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ad. € 141,00 vergoedt;

- wijst de vordering tot vergoeding van proceskosten, buitengerechtelijke kosten en schade af.

Deze uitspraak is gedaan op 18 oktober 2007 door mr. J.J. Bade, rechter, in tegenwoordigheid van

M.P. Osinga, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll: HB/M.P.O./JB

D: B