Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BD4430

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
13.497.596-2006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK; EAB; ontbreken strafbepaling heeft i.c. geen consequenties, nu uit de overige overgelegde strafbepalingen duidelijk is waarvan opgeëiste persoon wordt verdacht em welke straf daar op staat; geen wettelijk vereiste dat terugkeergarantie door Procureur des Konings moet worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.596-2006

RK nummer: 06/4649

Datum uitspraak: 2 januari 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 november 2006 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 19 oktober 2006 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 december 2006. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. S.J.O. Dijkstra, advocaat te Rotterdam gehoord.

Op die zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij over de overlevering moet beslissen met dertig dagen verlengd.

De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig overbelast is dat zij niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een bevel tot aanhouding van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 19 oktober 2006 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan feiten die naar het recht van België strafbaar zijn.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De rechtbank gaat daarbij, gelet op de nadere omschrijving in onderdeel e) van het EAB en gelet op voornoemd bevel tot aanhouding bij verstek, uit van 20 strafbare feiten en beschouwt het in de aanhef van onderdeel e) genoemde aantal van 25 strafbare feiten als een kennelijke vergissing.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet geheel is voldaan aan het vereiste van artikel 2, tweede lid, onder d en/of f van de OLW, nu artikel 322 van het Belgische Strafwetboek niet is overgelegd. De rechtbank kan bij gebrek aan kennis omtrent de inhoud daarvan niet beoordelen of dit ontbrekende artikel essentieel is voor de in het kader van de overleveringsprocedure te beantwoorden vragen, aldus de raadsman. De raadsman refereert zich ten aanzien van de vraag of dit dient te leiden tot weigering van de overlevering.

De officier van justitie heeft in dit verband naar voren gebracht dat genoemd artikel wellicht aan de stukken ontbreekt, maar dat de relevante wetsbepalingen waarop de strafbaarstelling en de strafbepaling berust zich wel bij de stukken bevinden.

De rechtbank constateert dat het onder e) van het EAB genoemde artikel 322 van het Belgische Strafwetboek ontbreekt, maar is van oordeel dat dit niet dient te leiden tot weigering van de overlevering en evenmin tot aanhouding om het ontbrekende artikel op te vragen. Uit de wel overgelegde artikelen is de rechtbank voldoende duidelijk van welke strafbare feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en welke straf hierop staat, zodat naar het recht van de uitvaardigende lidstaat voldoende duidelijk af te leiden valt wat de aard is van de strafbare feiten en hoe de aan de opgeëiste persoon verweten strafbare feiten worden gekwalificeerd. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

De feiten vallen onder de nummers [1] en [18] op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie

Georganiseerde of gewapende diefstal

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de gegeven garantie niet van de bevoegde autoriteit is verkregen nu deze is gegeven door de onderzoeksrechter die ook het EAB heeft uitgevaardigd en niet door de Procureur des Konings. De overlevering dient in zijn visie om die reden te worden geweigerd.

De officier van justitie acht de door de onderzoeksrechter gegeven garantie voldoende. De stelling in de brief van het IRC Amsterdam van 29 november 2006 dat deze garantie enkel kan worden verstrekt door de Procureur des Konings is niet juist.

De rechtbank overweegt het volgende.

Er is geen wettelijk vereiste dat de genoemde garantie gegeven dient te worden door de Procureur des Konings. Uit het standpunt van de officier van justitie blijkt dat hetgeen is verwoord in de brief van het IRC Amsterdam van 29 november 2006 berust op een vergissing. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.

De onderzoeksrechter heeft bij schrijven van 20 november 2006 de volgende garantie gegeven:

“Hierbij meld ik u eveneens dat mevrouw de Minister een terugkeergarantie verleent opdat de opgeëiste persoon, indien hij alhier wordt veroordeeld tot een effectieve en definitieve straf of vrijheidsbenemende maatregel, hij die straf of maatregel op zijn verzoek in Nederland zou kunnen ondergaan. De Belgische overheid gaat ermee akkoord dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de omzettingsprocedure zal worden toegepast beschreven in artikel 11 van het Verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen.”

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;

Diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meerdere verenigde personen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, OLW

Uit de stukken blijkt dat de feiten waarvoor de Belgische justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen deels in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, van de OLW verbiedt in dat geval de overlevering.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van een goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

1. Slechts een deel van de strafbare handelingen heeft mogelijk in Nederland plaatsgevonden, te weten het huren van een vluchtauto en eventuele daden van uitvoering. De strafbare handelingen hebben zich in aanmerkelijke mate op Belgisch grondgebied voorgedaan.

2. Het strafrechtelijk onderzoek en de vervolging van de strafbare feiten is in België aangevangen en heeft betrekking op een groot aantal feiten.

3. De bewijsmiddelen – onder meer in de vorm van video- en fotomateriaal van de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten bij de uitvoering van de strafbare feiten – zijn in België voorhanden.

4. De rechtsorde in België is het meest aangetast, aangezien het zwaartepunt van de feiten in België ligt en de schade in België is aangericht.

De raadsman heeft verzocht de overlevering niet toe te staan nu de feiten gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Voorts kan de officier van justitie niet in redelijkheid komen tot de vordering om af te zien van die weigeringsgrond. Hierbij wijst de raadsman met name op de mededeling in het EAB dat de medeverdachten zouden behoren tot een groep personen van Surinaamse afkomst wonende in de buurt van Amsterdam. Dit brengt met zich mee dat een groot deel van het getuigenbewijs zich in Nederland bevindt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat dient te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond nu de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Daarbij is van belang dat de opgeëiste persoon vrijwel geen argumenten naar voren heeft gebracht waarom vervolging in Nederland de voorkeur verdient. De stelling dat het getuigenbewijs zich in Nederland zou bevinden heeft de officier van justitie als onvoldoende kunnen beoordelen.

8. Verweren

De raadsman merkt op dat op het bevel tot inverzekeringstelling niet is aangegeven waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het gevolg dat daaraan verbonden moet worden.

De rechtbank constateert dat op het bevel tot inverzekeringstelling niet is aangekruist of de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd ter zake van een strafrechtelijk onderzoek, dan wel ter zake van een tenuitvoerlegging van een straf.

Zo deze omissie al zou kunnen leiden tot enig rechtsgevolg, overweegt de rechtbank dat uit het verhoor van de opgeëiste persoon van 1 november 2006 blijkt dat hij - nadat hem de reden van aanhouding is meegedeeld en hij op de hoogte is gesteld van de inhoud van het EAB - heeft verklaard dat hij heeft begrepen waarvoor hij is aangehouden. Onder deze omstandigheid acht de rechtbank het in ieder geval niet aangewezen consequenties te verbinden aan genoemde omissie. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

9. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

10. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 140, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet.

11. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de 20 feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzit¬ter,

mrs. A.I. van der Kris en G.H. Morsink, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 2 januari 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.