Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BD2825

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
13.497.022.2007 - 07/345
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IRK. Overlevering België. Verweren m.b.t. de artikelen 11 en 12 van de OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.022.2007

RK nummer: 07/345

Datum uitspraak: 16 maart 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 januari 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 december 2006 door de justitiële autoriteit, de toegevoegd substituut-procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings te Brussel (België). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [plaats] (België) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 maart 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. P.M.S. Dijks, advocaat te Maastricht gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een verstekvonnis van 28 november 2002 van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Brussel (notitienummer: BR.27.66.105505/94) ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2 van de OLW stelt. Noch uit het EAB onder e) noch uit voornoemd vonnis blijken de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd en de plaats waar de strafbare feiten zijn begaan. Derhalve dient de overlevering te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de omschrijving van de feiten in het EAB onder e) in samenhang gelezen met voornoemd vonnis voldoende duidelijk is en dat daaruit in voldoende mate blijkt waaruit de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd, bestaat. Voorts blijkt uit het EAB onder e) dat de feiten zijn gepleegd in het gerechtelijk arrondissement Brussel en elders in België en in het buitenland. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw, nu voldaan is aan de vereisten die artikel 2, tweede lid onder e stelt.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Belgische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De feiten zijn zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

alsmede

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

Verweer met betrekking tot artikel 11 van de OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt wanneer de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, tweede lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is gaan lopen en dat het de vraag is of de opgeëiste persoon, gezien het tijdsverloop, nog in staat is een reële verdediging te voeren en dus of hij een eerlijk proces zal krijgen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank vat het verweer van de raadsvrouw op als een verweer met betrekking tot het in artikel 11 OLW bepaalde, te weten dat een overlevering niet wordt toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de rechtbank een op feiten en omstandigheden gebaseerd gegrond vermoeden bestaat, dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM. De raadsvrouw heeft een dreigende schending van het EVRM slechts aangevoerd, maar heeft deze op geen enkele wijze onderbouwd met nadere feiten en omstandigheden. Daarnaast zijn er in het dossier geen aanknopingspunten te vinden die wijzen op een dreigende schending van het EVRM. De rechtbank zal daarom aan dat verweer voorbij gaan.

Verweer met betrekking tot artikel 12 van de OLW

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat vooralsnog niet zeker is of het verzet tegen het verstekvonnis van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 28 november 2002 ontvankelijk is en dat daar pas bij de behandeling in hoger beroep over zal worden beslist.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet voldoende gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon bij de behandeling in hoger beroep aanwezig zal kunnen zijn.

De rechtbank overweegt het volgende.

De Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings te Brussel heeft bij brief van 19 februari 2007 aangegeven dat de heer [opgeëiste persoon] verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 28 november 2002, bij verstek gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (52ste correctionele kamer), dat de zaak opnieuw ten gronde, zowel over de feiten als over de rechtsgrond, zal worden behandeld in bijzijn van dhr. [opgeëiste persoon] en/of zijn raadsman en dat de zaak op 26 april 2007 op zitting zal komen. Uit deze brief blijkt voorts dat de hoger beroepprocedure loopt en dat de opgeëiste persoon de gelegenheid krijgt zich in hoger beroep te verdedigen. Hij kan er ook voor kiezen de verdediging door een advocaat van zijn keuze te laten doen. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid zal zijn de verdediging in zijn zaak te (laten) voeren en dat er dan ook geen sprake is van strijd met artikel 12 van de OLW.

Voorts is de rechtbank op grond van de stukken in het dossier niet gebleken dat er op voorhand sprake is van niet ontvankelijkheid van het verzet. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a en b, OLW

Uit het dossier blijkt dat de feiten, bedoeld onder 4 waarvoor de Belgische justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Hij heeft daartoe aangevoerd:

uit het aanhoudingsbevel en de stukken ter ondersteuning daarvan blijkt dat een deel van de feiten op Nederlands grondgebied zijn gepleegd, dat het niet gaat om feiten die in Nederland niet strafbaar zouden zijn en/of niet vervolgd plegen te worden, terwijl voorts blijkt dat:

1. slechts een deel van de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht mogelijk gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, te weten het ‘fictief’ doorleveren van de goederen;

2. de opsporing en vervolging van de strafbare feiten in België zijn aangevangen;

3. de medeverdachten [medeverdachten] reeds in België veroordeeld zijn;

4. de bewijsmiddelen – onder meer in de vorm van verklaringen – in België voorhanden zijn;

5. de rechtsorde in België rechtstreeks is aangetast, aangezien door de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd de Belgische schatkist meermalen is benadeeld.

Het bovenstaande brengt de officier van justitie tot het oordeel dat bij afweging van het belang dat de opgeëiste persoon mogelijk heeft bij een berechting in Nederland tegen het belang dat de verzoekende staat heeft bij zijn berechting aldaar, het belang van de verzoekende autoriteiten dient te prevaleren.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, hij in redelijkheid tot deze vordering heeft kunnen komen, nu de belangen van de opgeëiste persoon voldoende zijn gewaarborgd door de dubbele WOTS-garantie en de opgeëiste persoon geen argumenten naar voren heeft gebracht waarom vervolging in Nederland de voorkeur verdient.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 47 en 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikelen 2, 5, 7, 11, 12 en 13 van de OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de toegevoegd substituut-procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings te Brussel (Brussel) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzit¬ter,

mrs. L.E. Kalff en W.J. van Bennekom, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. W.J.A. van der Velde, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.