Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BD1528

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
AWB 06-5259 WVG en AWB 06-3195 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kop:

Samenvallende vervoersbehoeften van echtgenoten. De rechtbank heeft zelf voorzien door aan de echtgenoten een tweepersoons gesloten buitenwagen (Canta) toe te kennen.

Samenvatting:

In de onderhavige zaken hadden echtgenoten ingevolge artikel 3.4 van de Verordening een Canta aangevraagd. De bestreden besluiten zijn vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek en een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft zelf voorzien door aan de echtgenoten een tweepersoons Canta toe te wijzen. Hierbij is onder meer in aanmerking genomen dat bij de echtgenoot sprake is van een weersgevoelige aandoening, dat de toegekende individuele vervoersvoorzieningen niet adequaat zijn en dat de echtgenoten een samenvallende vervoersbehoefte hebben. De eis van een gelijke medische indicatie kan de rechtbank niet herleiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de gedingen met reg.nrs. AWB 06/5259 WVG en AWB 06/3195 WVG

van:

[eisers],

beide wonende te [woonplaats],

eisers,

vertegenwoordigd door mr. M.F. Vermaat,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar.

1. PROCESVERLOOP

AWB 06/5259 WVG

De rechtbank heeft op 20 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 juni 2006 (hierna ook te noemen: het bestreden besluit I).

AWB 06/3195 WVG

De rechtbank heeft op 20 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 12 juni 2006 (hierna ook te noemen: het bestreden besluit II).

De beroepen zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 9 oktober 2007, waarna het onderzoek is gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Feiten en standpunten partijen

AWB 06/5259 WVG

Eiser is vanwege zijn orthopedische aandoeningen beperkt in zijn mobiliteit.

Eiser heeft zich op 2 mei 2003 gewend tot verweerder met een aanvraag op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) om in aanmerking te komen voor een gesloten buitenwagen. Ter beoordeling van de aanvraag heeft verweerder het Regionaal indicatie orgaan Tot & Met verzocht om een medisch advies uit te brengen. Op 2 september 2003 heeft Tot & Met een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor de gevraagde vervoersvoorziening en dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Voorts wordt (een dubbele) aanvullend openbaar vervoer (AOV), versie deur tot deur plus, in combinatie met een scootmobiel een adequate voorziening geacht.

Op grond hiervan heeft verweerder bij primair besluit van 3 oktober 2003 (hierna ook te noemen: het primaire besluit I) de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2004 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 december 2005 (reg.nr. AWB 04/4375 WVG) heeft de rechtbank het door eiser hiertegen ingesteld beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2004 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak onder meer het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat in het indicatierapport van 19 september 2003, dat aan het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag ten grondslag ligt, is aangegeven dat de arts van Tot & Met overleg heeft gehad met de huisarts van eiser. In dat rapport is niet aangegeven wat de inhoud van dit overleg was. In het rapport is ook aangegeven dat uit het medisch advies van 3 juni 2003, zoals aangevuld op 28 augustus 2003, van de medisch adviseur van Tot & Met blijkt dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Uit dit medisch advies blijkt ook niet wat de inhoud van het overleg was. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat de huisarts van mening is dat er een medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden en dat dit in een telefonisch onderhoud met de huisarts zeer duidelijk naar voren kwam. In het bestreden besluit beperkt verweerder zich tot de vaststelling dat uit het telefonisch overleg dat een andere adviserend arts van Tot & Met in het kader van nieuw onderzoek in bezwaar heeft gehad met de huisarts geen gegevens naar voren zijn gekomen die aanleiding geven het oorspronkelijk indicatieadvies te wijzigen. Uit het medisch advies van 2 juni 2004 dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit blijkt wederom niet wat de inhoud van het dit keer gevoerde overleg was.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerder, gelet op het expliciete door eiser in bezwaar ingenomen standpunt dat zijn huisarts wel van mening is dat er een medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden, het bestreden onvoldoende heeft gemotiveerd, althans dat er sprake is van een onvoldoende kenbare motivering van het bestreden besluit.

Eiser heeft in beroep ook aangevoerd dat verweerder de gezamenlijke vervoersbehoefte van hem en zijn echtgenote die ook een aanvraag voor een gesloten buitenwagen heeft ingediend had moeten betrekken bij de besluitvorming op de beide aanvragen. Eiser verwijst daarbij naar artikel 3.4, eerste lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten, het beleid van verweerder en de verplichting van verweerder de betrokken belangen af te wegen.”

AWB 06/3195 WVG

Eiseres is vanwege haar orthopedische en neurologische aandoeningen energetisch en in haar mobiliteit beperkt.

Eiseres heeft zich op 18 februari 2003 gewend tot verweerder met een aanvraag op grond van de WVG om in aanmerking te komen voor een gesloten buitenwagen. Ter beoordeling van de aanvraag heeft verweerder het Regionaal indicatie orgaan Tot & Met verzocht om een medisch advies uit te brengen. Op 30 september 2003 heeft T&M een advies uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor de gevraagde vervoersvoorziening en dat er geen medische noodzaak is tot bescherming tegen weersinvloeden. Voorts wordt (een dubbele) AOV, versie deur tot deur plus, een adequate voorziening geacht.

Op grond hiervan heeft verweerder bij besluit primair van 27 oktober 2003 (hierna ook te noemen: het primaire besluit II) de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 23 december 2005 (reg.nr. AWB 04/4550 WVG) heeft de rechtbank het door eiseres ingesteld beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2004 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft in deze uitspraak het volgende overwogen.

“De rechtbank heeft in het geding tussen de echtgenoot van eiseres en verweerder uitspraak gedaan (reg.nr. 04/4375 WVG). In deze uitspraak die is aangehecht komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing van verweerder om de afwijzing van de aanvraag van de echtgenoot van eiseres te handhaven geen stand kan houden omdat dit besluit ontoereikend is gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat ook het door eiseres bestreden besluit ontoereikend gemotiveerd is nu in bezwaar expliciet is aangevoerd dat eiseres en haar echtgenote een gezamenlijke vervoersvoorziening in de vorm van een gezamenlijke gesloten buitenwagen voor ogen staat en verweerder in het bestreden besluit hier onvoldoende op ingaat.”

AWB 06/5259 WVG en AWB 06/3195 WVG

Naar aanleiding van voornoemde uitspraken van de rechtbank heeft verweerder het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) verzocht om een nader medisch advies uit te brengen. Op 27 februari 2006 heeft het CIZ een advies uitgebracht. De medische adviseur komt tot de conclusie dat er geen reden is de eerdere adviezen te wijzigen.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 9 juni 2006 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit I gehandhaafd.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het besluit van 9 juni 2006 ingetrokken en bij bestreden besluiten I en II de bezwaren (wederom) ongegrond verklaard.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten I en II kort weergegeven gesteld dat zowel eiser als eiseres aan het CIZ hebben opgegeven dat de vervoersbehoefte bestaat uit het zich samen buitenshuis te verplaatsen voor het doen van de dagelijkse boodschappen, het bezoeken van familie in [woonplaats] en een dochter buiten [woonplaats], het bezoeken van winkels in [woonplaats] en recreatief vervoer. Volgens verweerder kunnen eisers zowel alleen als gezamenlijk gebruik maken van het AOV voor het bezoeken van familieleden in [woonplaats]. Voor recreatief vervoer en vervoer buiten de eigen regio heeft de gemeente geen zorgplicht. Verder is het uit het aanvullend onderzoek van het CIZ gebleken dat een eerder advies van 17 oktober 2005 in stand blijft, waaruit geconcludeerd dient te worden dat het betreffende indicatieadvies met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Ten aanzien van artikel 3.4 van de Verordening voorzieningen gehandicapten heeft verweerder gesteld dat dit artikel betrekking heeft op een gelijke medische indicatie waardoor er voorkomen kan worden dat er binnen één gezin twee gelijke (dure) vervoersvoorzieningen verstrekt hoeven te worden. Dit is bij eisers niet het geval nu zij zowel alleen alsmede gezamenlijk voor hun vervoersbehoefte in het kader van het leven van alledag gebruik kunnen maken van het AOV en er voor beiden, zowel individueel als gezamenlijk, geen indicatieadvies is voor een gesloten buitenwagen.

Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten I en II en hebben in beroep onder meer aangevoerd dat in het advies van het CIZ niet is aangegeven wat er is besproken in het nader telefonische overleg tussen de medische adviseur van het CIZ en de huisarts van eisers. Verder hebben eisers gesteld dat op grond van artikel 3.4 niet is vereist dat sprake is van een gelijke medische indicatie, maar dient er te worden beoordeeld of en in hoeverre de vervoersbehoefte van beide echtgenoten samen vallen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Wettelijk kader en regelgeving

Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in werking getreden en is de WVG ingetrokken. Het bestreden besluit is op grond van de WVG genomen. Ingevolge artikel 40, derde lid, van de WMO dient in het onderhavige geval met toepassing van de WVG te worden beslist.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

In artikel 3 van de WVG is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders verantwoorde voorzieningen aanbiedt. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

Met de Verordening heeft verweerder uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WVG.

Blijkens artikel 1.2 van de Verordening -voor zover hier van belang- kan een vervoersvoorziening slechts worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht; geschikt en langdurig noodzakelijk is om belemmeringen op het gebied van het zich buitenshuis verplaatsen op te heffen of aanzienlijk te verminderen; en deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Blijkens het bepaalde in artikel 3.1 van de Verordening omvat het aanbod van voorzieningen een collectief systeem van aanvullend openbaar vervoer, voorzieningen in natura, al dan niet aangepast, in de vorm van een auto, een gesloten buitenwagen, een open elektrische buitenwagen/scootermobiel of een ander verplaatsingsmiddel, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van of in verband met het gebruik van genoemde voorzieningen, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van het overbruggen van een zeer korte afstand. Het door verweerder te verstrekken pakket kan een combinatie zijn van de in dit artikel vermelde voorzieningen.

Blijkens artikel 3.3, eerste lid, van de Verordening worden genoemde vervoersvoorzieningen slechts toegekend wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek daartoe nopen. Ingevolge het derde lid van dit artikel houden Burgemeester en Wethouders bij de verstrekking van een vervoersvoorziening rekening met de individuele vervoersbehoefte. Blijkens het vierde lid van dit artikel wordt hierbij uitgegaan van het primaat van het collectief vervoerssysteem, indien daarmee in de individuele vervoersbehoefte kan worden voorzien.

Op de voet van artikel 3.4, eerste lid, van de Verordening wordt, voorzover de vervoerbehoeften van echtgenoten samenvallen, zo mogelijk één vervoervoorziening toegekend.

Bij de uitvoering van de WVG en de Verordening voert verweerder beleid dat is neergelegd in de Beleidsregels Wet Voorzieningen Gehandicapten (Gemeenteblad 2001, afd. 3, volgnr. 6, in werking getreden op 29 juni 2001, hierna: Beleidsregels). In deze Beleidsregels is in paragraaf 1.1. onder meer bepaald dat WVG voorzieningen zijn gericht op het bevorderen van de zelfstandigheid van gehandicapten en worden verleend met het doel de mogelijkheden te vergroten voor personen om zich te verplaatsen.

In paragraaf 4.2 is bepaald dat men moet uitgaan van de individuele beperkingen van de gehandicapte. Het gaat om een voorziening-op-maat. Als in een individueel geval sprake is van een vervoersbehoefte die niet of niet volledig door het collectieve vervoerssysteem wordt gedekt, kan een belanghebbende in aanmerking komen voor een individuele vervoersvoorziening.

In paragraaf 4.2.1 is bepaald dat bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt uitgegaan van het leven van alle dag. Uitgangspunt van dit beleid is dat de gehandicapte kan deelnemen aan het “leven van alle dag”. Dit betekent dat iemand in staat moet worden gesteld in ieder geval datgene te doen dat mensen van dag tot dag plegen te doen wanneer het gaat om het zich verplaatsen buitenshuis, zoals het doen van dagelijkse boodschappen, het bezoeken van bijeenkomsten, op visite gaan, winkelen of het zo maar buiten zijn. Voorzien moet worden in vervoer buitenshuis, dat noodzakelijk is om in overwegende mate in het dagelijks bestaan te voorzien. Dit is in de regel korte afstandsvervoer. Wanneer een belanghebbende bezigheden als deze in overwegende mate niet kan verrichten en geen gebruik kan worden gemaakt van het aanvullend openbaar vervoer, is sprake van een zodanig isolement dat een vervoersvoorziening gewettigd is.

In paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels staat onder meer het volgende. Bij een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen gaat het om een vervoermiddel dat voorziet in de vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de woning en op de iets langere afstand. Voor betrokkene moet een medische noodzaak aanwezig zijn tot bescherming tegen weersinvloeden. Uitgangspunt van deze voorziening is dat hiermee alle vervoersbehoeften op korte afstand en de iets langere afstand kunnen worden ingevuld omdat het openbaar vervoer, aanvullend openbaar vervoer en andere verplaatsingsmiddelen (bijvoorbeeld fiets, taxi, scootmobiel) niet in aanmerking komen.

Voorts heeft verweerder indicatiecriteria en richtlijnen voor indicatieadviseurs vastgesteld voor de verstrekking van een gesloten buitenwagen op grond van de WVG. Als criterium wordt onder meer gesteld dat er sprake moet zijn van een door medisch onderzoek aangetoonde noodzaak tot bescherming tegen weersinvloeden welke niet is te ondervangen door adequate kleding. Hierbij geldt als richtlijn voor de indicatieadviseurs dat in de beoordeling over bescherming tegen weersinvloeden het voorkomen van gezondheidsschade en aandoeningen die leiden tot functionele beperkingen een doorslaggevende rol spelen.

In dit geding staat ter beoordeling van de rechtbank de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de voorziening in de vorm van verstrekking van een gesloten buitenwagen heeft afgewezen.

Beoordeling van de bestreden besluiten

AWB 06/5259 WVG

Het bestreden besluit I is gebaseerd op het advies van het CIZ van 27 februari 2006. Het CIZ heeft in dit verslag vooreerst opgemerkt dat van een eerder telefonisch overleg tussen de huisarts van eiser en de medische adviseur van Tot & Met (nu CIZ) van 2 juni 2004 een gespreksnotitie is gemaakt en deze alsnog bij het verslag gevoegd. Uit deze notitie blijkt ten aanzien van eiser het volgende:

“... toenemende klachten bij koud en vochtig weer. Coll. (huisarts, rb) meent dat hij (eiser, rb) in aanmerking dient te komen voor een gesloten buitenwagen. Uitgelegd wat de criteria zijn -> geen gezondheidsschade bij toenemende koude etc. Hij (huisarts, rb) blijft echter voor een Canta pleiten. …”

Vervolgens is op 24 februari 2006 opnieuw medisch onderzoek verricht door de medische adviseur, [medisch adviseur]. Daarbij is wederom telefonisch informatie ingewonnen bij de huisarts van eiser. Ten aanzien van de medische situatie van eiser heeft het CIZ het volgende geconcludeerd:

“De aandoeningen van de heer [eiser] zijn niet van dien aard zijn dat ze weer(koude) gevoelig zijn, d.w.z dat de aandoening niet verandert (verergert) onder invloed van de weersomstandigheden. Wel kan het zijn dat de klachten verergeren, maar dit is subjectief en heeft geen invloed op de aandoening zelf. Er treedt dus geen gezondheidsschade op bij blootstelling aan kou.

Op medische gronden is vervoer per OV niet mogelijk (loopafstand is minder dan 100 meter). Vervoer per AOV is op medische gronden niet mogelijk (vanwege pijnklachten/problemen bij het instappen). Indien hulp wordt geboden bij transfers is vervoer per AOV wel mogelijk. Het is aan te bevelen, maar niet medisch noodzakelijk, het vervoer over zo kort mogelijke afstanden uit te voeren en eiser zo kort mogelijk staand te laten wachten.”

Het CIZ komt tot de conclusie dat er geen reden is het eerdere advies van 17 oktober 2005 te wijzigen nu in dit advies de goedkoopst adequate voorziening wordt geadviseerd.

De rechtbank constateert dat in het kader van het nieuwe medische onderzoek van 24 februari 2007 weliswaar een eerdere telefoonnotitie van 2 juni 2004 is overgelegd, maar ook dat de medische adviseur opnieuw telefonisch contact heeft gehad met de huisarts van eiser en dat wederom enige schriftelijke weergave van de tijdens dat gesprek gegeven informatie ontbreekt.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 25 juli 2007, LJN: BB0694, geoordeeld dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd dient te zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op welke grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Indien de belanghebbende het medische advies op een of meer punten concreet onderbouwd weerspreekt, is het niet met de in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vergewisplicht in overeenstemming dat het bestuursorgaan daaraan zonder meer voorbijgaat door te volharden in de – enkele – verwijzing naar het advies.

Gelet op de stellingen van eiser en de gegevens van diens huisarts, zoals blijkt uit de gespreksnotitie van 2 juni 2004, alsmede op de omstandigheid dat het wederom niet duidelijk op basis van welke gegevens de medische adviseur in het kader van het nieuwe onderzoek tot zijn bevindingen is gekomen, komt de rechtbank ook nu tot het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoet aan de daaraan te stellen motiverings- en zorgvuldigheidseisen.

Het standpunt van verweerder, zoals ter zitting naar voren is gebracht, dat er voor verweerder geen aanleiding is voor twijfel aan het CIZ-advies als het CIZ als autoriteit zegt schriftelijke informatie te hebben en vervolgens een oordeel daarover geeft, gaat voorbij aan de hierboven omschreven vergewisplicht.

De rechtbank stelt bovendien vast dat zowel verweerder als het CIZ bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een Canta uit is gegaan van het criterium gezondheidsschade. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 10 januari 2007, LJN: AZ7153, geoordeeld dat de in de Beleidsregels opgenomen criteria “gezondheidsschade” en “functionele beperkingen die nog lange tijd aanhouden” strijdig zijn met de in artikel 1 van de WVG opgenomen definities van de begrippen gehandicapte en vervoersvoorziening, nu het voor het in aanmerking kunnen komen voor vervoervoorzieningen voldoende is dat tengevolge van ziekte of gebrek, naar objectief medische maatstaf, aantoonbare beperkingen worden ondervonden bij het zich vervoeren buiten de woning. De tekst van artikel 1 van de WVG, noch de wetsgeschiedenis laat ruimte voor een restrictieve uitleg als in de Beleidsregels bedoeld. Het bestreden besluit I is naar het oordeel van de rechtbank ook om deze reden niet gebaseerd op een deugdelijke motivering.

Evenmin acht de rechtbank het in overeenstemming met de regelgeving en de Beleidsregels dat verweerder bij de bepaling van de vervoersbehoefte van eiser vervoersbewegingen ten behoeve van recreatie en het doen van de dagelijkse boodschappen heeft uitgesloten. Nu recreatie als hier bedoeld, te weten het gewoon naar buiten kunnen, en tevens het doen van boodschappen onderdeel uitmaken van het leefpatroon van eiser, had verweerder met deze vervoersbehoeften rekening moeten houden. In dit verband verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 22 maart 2007, LJN: BA3274.

Gelet op bovenstaande komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde vereiste van zorgvuldige voorbereiding als ook met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsvereiste. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit I vernietigd.

AWB 06/3195 WVG

Het bestreden besluit II is eveneens gebaseerd op het advies van het CIZ van 27 februari 2006. Ook ten aanzien van eiseres heeft verweerder bij het bepalen van de vervoersbehoefte van eiseres ten onrechte de zorgplicht voor recreatief vervoer uitgesloten. Onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ook het betreden besluit II voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde vereiste van zorgvuldige voorbereiding als ook met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsvereiste. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit II vernietigd.

Zelf voorzien

AWB 06/5259 WVG en AWB 06/3195 WVG

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaken te voorzien. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Vast staat dat eiser zeer beperkt is in zijn mobiliteit en minder dan 100 meter kan lopen. Evenmin is in geschil dat eiser gezien zijn vervoersbehoefte in aanmerking zou kunnen komen voor een scootmobiel. De vraag die hier vooreerst speelt is of eiser vanwege een weersgevoelige aandoening in aanmerking had moeten worden gebracht voor een gesloten buitenwagen, ofwel een Canta. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de in het bestreden besluit I genoemde geldelijke vergoeding voor de zeer korte afstand dient te worden beschouwd als een ultimum remedium en niet voorliggend is op de verstrekking van een voorziening in natura, zoals een Canta.

Zoals hiervoor al is overwogen, is ten onrechte het criterium van weersschadelijkheid aangelegd bij de beoordeling van de vraag of eiser in aanmerking kan komen voor een Canta. De rechtbank begrijpt uit het advies van CIZ van 24 februari 2006 dat de aandoening van eiser weliswaar niet verandert (verergert) onder invloed van de weersomstandigheden (het ten onrechte gehanteerde criterium van de weersschadelijkheid), maar dat de medische adviseur evenwel onderkent dat eisers klachten door deze aandoening onder invloed van de weersomstandigheden kunnen verergeren. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser een weersgevoelige aandoening heeft. Aan de toevoeging van de medische adviseur met betrekking tot de klachten namelijk dat “dit subjectief is en geen invloed heeft op de aandoening”, gaat de rechtbank voorbij nu deze kennelijk uitgaat van eerder genoemde onjuiste maatstaf danwel zonder nadere toelichting, welke ook na het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar nog altijd ontbreekt, onbegrijpelijk is.

Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om eiser in aanmerking te brengen voor een Canta.

De rechtbank begrijpt evenwel uit eisers gronden dat hij op de voet van artikel 3.4 van de Verordening in aanmerking wil komen voor een tweepersoons Canta om zich samen met eiseres te kunnen vervoeren.

Verweerder heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat dit artikel alleen van toepassing is als er sprake is van een gelijke medische indicatie.

De rechtbank constateert dat artikel 3.4 van de Verordening slechts spreekt van het samenvallen van de vervoersbehoeften van echtgenoten, in welk geval zo mogelijk één vervoersvoorziening wordt toegekend. Dat er ook sprake moet zijn van een gelijke medische indicatie kan de rechtbank niet uit enige regeling of toelichting herleiden, noch kon verweerder dit ter zitting nader onderbouwen.

Leidend bij de beoordeling van de vraag of een gevraagde voorziening dient te worden toegewezen, zijn de artikelen 2 van de WVG, waarin de zorgplicht voor verweerder staat om de deelneming van de gehandicapte aan het maatschappelijk verkeer mogelijk te maken door middel van het verstrekken van voorzieningen, en 3 van de WVG, waarin is bepaald dat deze voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht dient te zijn.

Niet in geschil is dat ook eiseres zeer beperkt is in haar mobiliteit en minder dan 100 meter kan lopen noch dat de vervoersbehoeften van eiser en eiseres samenvallen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, valt onder deze vervoersbehoefte ook recreatief vervoer, het bezoeken van het park en het doen van boodschappen en is verweerder in de bestreden besluiten ten onrechte uitgegaan van een beperkte (gereduceerde) vervoersbehoefte.

Evenmin is in geschil dat eiseres vanwege haar beperkingen niet in staat is om een scootmobiel of een Canta te besturen. In de CIZ-rapportage 24 februari 2006 wordt het besturen van een motorvoertuig ten stelligste afgeraden in verband met de cognitieve stoornissen en de soms uitgevallen handfunctie.

Eiseres is door verweerder wel in aanmerking gebracht voor een zka-vergoeding. Nog afgezien van de omstandigheid, zoals al eerder overwogen, dat de zka-vergoeding slechts geldt als ultimum remedium overweegt de rechtbank dat eiseres met deze vergoeding niet kan voorzien in al haar vervoersbehoeften op de (zeer) korte afstand, zoals hiervoor omschreven. Uit de CIZ-rapportage blijkt immers dat eiseres in een invalidenwagen wordt vervoerd en vanwege valgevaar slechts enkele stappen kan doen en dat eiser niet meer in staat de invalidenwagen te duwen. Dit alles brengt met zich mee dat recreatief vervoer, zoals samen met eiser een park bezoeken, niet kan worden gerealiseerd met behulp van een zka-vergoeding en dat deze voorziening daarom niet adequaat is. Daar komt bij dat het toewijzen aan eiser van een éénpersoons Canta ook voor eiser geen adequate voorziening geeft in aanmerking genomen dat eiseres bij vervoer is aangewezen op de hulp van derden en, indien eisers samen weg willen, eiser haar, voor zover mogelijk, steeds zal moeten begeleiden. In aanmerking nemende dat eisers een samenvallende vervoersbehoefte hebben, zal eiser zodoende alsnog geen gebruik kunnen maken van een eenpersoons Canta.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 2 van de WVG genoemde zorgplicht en het in artikel 3 van de WVG bepaalde dat een voorziening doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht dient te zijn, met zich mee brengen dat het in de rede ligt om aan eisers een voorziening in de vorm van een tweepersoons Canta toe te wijzen. Hierbij overweegt de rechtbank nog dat het niet zo kan zijn dat er twee individuele voorzieningen worden verleend die voor geen van beide echtelieden een voorziening als hiervoor omschreven biedt, terwijl er met het verlenen van één voorziening aan beide echtelieden, te weten een tweepersoons Canta, wel een dergelijke voorziening kan worden getroffen.

De rechtbank zal daarom op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de primaire besluiten I en II te herroepen en te bepalen dat aan eisers een tweepersoons Canta ter beschikking wordt gesteld.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hunberoepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1 en 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand vast op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, gemiddelde zaak; € 322,00 per punt).

Voorts dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 9 juni 2006 en 12 juni 2006;

- herroept de primaire besluiten van 3 oktober 2003 en 27 oktober 2003;

- bepaalt dat verweerder aan eisers binnen 6 weken na dagtekening van deze uitspraak een tweepersoons Canta in bruikleen ter beschikking dient te stellen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten gemaakt door eisers, begroot op € 644,00 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan eisers;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eisers betaalde griffierecht van

€ 38,00 (zegge: achtendertig euro) aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2007 door mr. C.C.W. Lange, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B