Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BD1245

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
awb 06-2321 beslu
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het hoogheemraadschap heeft op goede gronden de ontheffing voor de steiger bij een woonark afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de Nota genoegzaam gemotiveerd dat de ‘versteigering’ van oevers dient te worden tegengegaan met het oog op de bescherming van waterstaatkundige belangen en de beleving van water en oever. De steiger van eisers voldoet niet aan de afmetingen, zoals weergegeven in de ontheffingsbepalingen. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder geen aanleiding behoeven te zien van het beleid af te wijken. De gevolgen voor eisers zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Voorts is niet gebleken dat verweerder inconsistent heeft gehandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen, nu niet is gebleken dat verweerder in soortgelijke gevallen wel een ontheffing heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Enkelvoudige kamer

In het geding met reg.nr. AWB 06/2321 BESLU

van:

[eisers], wonende te [woonplaats],

eisers,

vertegenwoordigd door mr. F.M. Suërs,

en:

het Dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht,

verweerder,

vertegenwoordigd door J.B. Michels.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 2 mei 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 31 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Na sluiting van het onderzoek ter zitting van 18 juli 2007 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend voor een onderzoek ter plaatse. Het onderzoek ter plaatse heeft plaatsgevonden op 13 november 2007.

Het onderzoek is op 13 november 2007 gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Eisers hebben in 2003 een woonark in [woonplaats] gekocht.

In de ontheffing voor de woonark van 2 november 1977 wordt bepaald dat ten behoeve van het meren van en de toegang tot het vaartuig een loopbrugje mag worden gemaakt en behouden.

Eisers hebben in 2004 de aanwezige steiger vervangen door een steiger van 1,80 meter bij 14 meter (hierna: de steiger).

Op 18 april 2005 hebben eisers een aanvraag ingediend voor het bouwen van een nieuwe woonark en voor het behouden van werken in de [rivier]. Op 29 augustus 2005 hebben zij een tekening verstrekt waarop de omvang van de steiger is weergegeven.

Op 23 september 2005 heeft verweerder de ontheffing die was verleend op 24 september 2004 ingetrokken en een ontheffing verleend voor – onder meer - het vervangen van en ligplaats nemen met een woonboot op de [rivier] en het behouden van een loopplank en twee meerpalen in de [rivier].

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de weigering van de ontheffing voor de steiger op grond van de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 (hierna: de Verordening), de Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht van 20 december 2001 (hierna: de Keur) en het in de Nota Vaarwater op Orde van 20 december 2001 (hierna: de Nota) neergelegde regelgeving en beleid ongegrond verklaard. Verweerder ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van het beleid af te wijken. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat ook onder de werking van de op 1 mei 2006 inwerking getreden Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht en de Nota Vaarwater op Orde geen ontheffing zou zijn verleend voor de steiger.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat de in het beleid genoemde belangen niet door de steiger van eisers worden geschaad en dat verweerder teveel waarde hecht aan precedentwerking. Voorts dient verweerder af te wijken van het beleid, omdat de gevolgen voor eisers onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter uitvoering van, onder meer, de Verordening, heeft het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het hoogheemraadschap) de Keur opgesteld.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder g, van de Keur is het verboden in de wateren voorzieningen te maken, te hebben of te veranderen voor het (af)meren van schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen. In het derde lid, onder a van dat artikel is

- voor zover hier van belang – bepaald dat het verboden is in de wateren en binnen de grenzen van de van de beschermingszones werken te maken.

Ingevolge artikel 22, eerste en tweede lid, van de Keur is bepaald dat het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap schriftelijk ontheffing kan verlenen van de in deze Keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen. In de ontheffing kunnen voorwaarden worden opgenomen ter bescherming van de waterstaatkundige verzorging van het (beheers)gebied.

Ter uitvoering van de Keur heeft het hoogheemraadschap in de Nota beleidregels neergelegd.

In paragraaf 3 van de Nota zijn ontheffingsbepalingen en overige beleidsregels uitgewerkt voor de inrichting en het gebruik van vaarwegen.

De Nota stelt dat aan deze uitgebreide regels een principiële stellingname ten grondslag ligt. Beoogd wordt vaarwegen zoveel mogelijk open te houden (zicht, beleving, landschap). De regels voorkomen ook vergaande ‘versteigering’ van de oevers van de vaarwegen en een vergaande aantasting en vernietiging van de nog bestaande ‘natuurlijke’ met oever- en moerasplanten begroeide oeverzones. Deze groene oeverzones spelen een belangrijke rol in de natuurwaarde en het ecologisch functioneren van water en oevers en in de rol van oevers als ecologische verbindingszone. In de regels voor, onder meer, ontheffing voor afmeervoorzieningen wordt verschil gemaakt tussen groene, groenbruine en bruine zones.

Blijkens de Toelichting op de Oeverzoneringskaarten zijn groenbruine zones oeverzones in landelijk gebied met een minder hoge ‘natte’ natuurwaarde. De natuurwaarde van deze oevers wordt mede bepaald door het belang ervan als ecologische verbindingszone voor de trek van planten en dieren. In deze zones dienen zo weinig mogelijk barrières te worden opgeworpen voor de trek. Ook dienen de leefmogelijkheden voor plant en dier in de droge en natte oeverzone zo groot mogelijk te zijn. Groenbruine oevers hebben meestal ook een hoge landschappelijke en vaak ook cultuurhistorische waarde.

In ontheffingsbepaling 6, in paragraaf 3.5 van de Nota, geeft het hoogheemraadschap voorwaarden voor het verlenen van ontheffing op grond van artikel 13 van de Keur. In lid 5 van ontheffingsbepaling 6 wordt bepaald dat steigers niet langer mogen zijn dan zes meter. In lid 6 wordt – voor zover hier van belang - bepaald dat in groenbruine zones in principe alleen ontheffing wordt verleend voor de aanleg van een ‘dichte’ steiger van type A en lid 8 voegt daaraan toe dat een steiger van type A niet breder mag zijn dan 1,2 meter.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de Nota genoegzaam gemotiveerd dat de ‘versteigering’ van oevers dient te worden tegengegaan met het oog op de bescherming van waterstaatkundige belangen en de beleving van water en oever. Zoals verweerder ter zitting en bij het onderzoek ter plaatse heeft toegelicht beoogt het hoogheemraadschap met het beleid een te grote afdekking van het wateroppervlak te voorkomen, zodat licht en lucht het water onder de steiger in voldoende mate kan bereiken. De negatieve invloed van de afdekking door steigers in het algemeen wordt beperkt door het stellen van maximale afmetingen aan de individuele steigers. In dat licht dient ook het argument van de precedentwerking te worden gezien. De stelling van eisers dat verweerder een te groot belang hecht aan precedentwerking wordt verworpen. De rechtbank acht het beleid niet onredelijk of anderszins onjuist.

Ter zitting is komen vast te staan dat de steiger volgens de betreffende Oeverzoneringskaart in de groenbruine zone ligt. Gelet op de stukken in het dossier, het verhandelde ter zitting en het onderzoek ter plaatse, is voorts komen vast te staan dat de steiger een ‘dichte’ steiger van type A betreft, waarop de in het beleid geformuleerde voorwaarden voor een ontheffing van toepassing zijn.

Blijkens ontheffingsbepaling 6 mag de steiger, als ‘dichte’ steiger van type A, 1,2 meter breed en 6 meter lang zijn. Nu de steiger van eisers 1,80 meter bij 14 meter is, voldoet deze niet aan de voorwaarden voor een ontheffing.

De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder in het onderhavige geval van het beleid had moeten afwijken, omdat de gevolgen voor eisers onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

Op grond van het beleid is de schade aan waterhuishoudkundige belangen en de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van een steiger die niet aan de voorwaarden van ontheffingsbepaling 6 voldoet in beginsel gegeven. Op eisers rust de bewijslast voor hun stelling dat het beleid in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven, omdat de steiger van eisers geen negatief effect op deze belangen heeft.

Ter onderbouwing van hun stelling dat de steiger geen negatief effect heeft op de waterhuishoudkundige belangen en daar zelfs een positief effect op heeft, hebben eisers slechts gesteld dat de steiger wel lucht en licht doorlaat en dat er vissen onder de steiger zwemmen en waterlelies naast de steiger groeien. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet voldoende om te bepalen dat de steiger van eisers van het beleid dient te worden uitgezonderd. Het beleid bepaalt dat de landschappelijke, cultuurhistorische, natuur en overige waarden in het geding zijn in de groenbruine zone waarin de steiger van eisers ligt. De rechtbank heeft in het beleid geen steun gevonden voor de stelling van eisers dat deze waarden slechts dienen te worden beschermd voor zover de oever zichtbaar is vanaf het water of de openbare weg. Evenmin volgt uit het feit dat er een industrieterrein tegenover de woonark van eisers ligt dat die waarden bij de steiger van eisers niet in het geding zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de steiger van eisers de in het beleid beschermde belangen niet schaadt. De rechtbank laat hierbij het argument van verweerder dat de afmetingen van de steiger van belang zijn voor bagger- en onderhoudswerkzaamheden terzijde.

Voorts is niet gebleken dat verweerder inconsistent heeft gehandeld. Eisers hebben geen gevallen aangevoerd waarin verweerder het onderhavige beleid inconsistent heeft toegepast. Het feit dat er nog steeds geen riolering voor de woonarken is aangelegd valt niet onder het onderhavige beleid. Datzelfde geldt voor de ontheffing voor de aanlegsteigers bij het rietland aan de overkant van de [rivier]. Bovendien heeft verweerder bij het onderzoek ter plaatse geconstateerd dat die steigers niet in overeenstemming met de ontheffing zijn aangelegd.

Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder in het onderhavige geval van het beleid dient af te wijken, omdat aan de oever van de [adres] in [woonplaats] diverse woonarken met soortgelijke of grotere steigers zijn.

Voor zover eisers met het voorgaande hebben beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, verwerpt de rechtbank dit beroep, nu niet is gesteld of gebleken dat verweerder in soortgelijke gevallen wel een ontheffing heeft verleend.

De rechtbank overweegt hiertoe voorts dat verweerder ter zitting en bij het onderzoek ter plaatse heeft toegelicht dat het onderhavige geval het eerste geval is waarbij het beleid aan de orde komt. Het overgangsbeleid, zoals dat is weergegeven in overgangsregeling 2 in paragraaf 3.5 van de Nota, is inmiddels versoepeld. Voor de vervanging van steigers die voor 2002 zijn aangelegd en aan het toen geldende beleid voldeden zal een ontheffing worden verleend voor vervanging door een steiger van dezelfde omvang. De overige steigers zullen geen ontheffing krijgen. Verweerder beoogt hiermee de ‘versteigering’ te bevriezen. De rechtbank acht dit overgangsbeleid niet onredelijk.

De steiger van eisers valt niet onder het overgangsbeleid nu eisers hebben gesteld dat zij de aanwezige steiger met een omvang van 1.80 meter bij 10 meter van de vorige eigenaresse in 2004 hebben vervangen door de huidige (grotere) steiger. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat indien eisers aannemelijk maken dat er voor 2002 een steiger lag die voldeed aan het toen geldende beleid, zij die steiger mogen vervangen door een steiger met die afmetingen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, op goede gronden overwogen dat de aanwezigheid van een aantal steigers met dezelfde of grotere omvang geen aanleiding geeft af te wijken van het beleid. Bij de aanvraag voor een ontheffing voor de vervanging van die steigers gelden dezelfde regels als voor de steiger van eisers.

De rechtbank merkt op dat verweerder niet heeft onderzocht welke van de aanwezige steigers op grond van het beleid en het overgangsbeleid geen ontheffing voor vervanging zullen krijgen. Mocht verweerder overwegen tot handhaving over te gaan, dan zal dit onderzoek in het kader van de belangenafweging wel moeten worden verricht, nu bij die afweging betekenis kan toekomen aan de vraag of de steiger van eisers op grond van het overgangsrecht een van de weinige steigers is die zal moeten worden verwijderd.

De beroepsgrond van eisers dat zij onevenredige schade leiden door het beleid van verweerder hebben zij niet onderbouwd. De door eisers voorziene kosten van de verwijdering van de steiger, de eventuele waardedaling van de woonark en de schade die het eventueel noodzakelijke uitbaggeren oplevert aan de waterhuishouding in het geval van verwijdering van de steiger leiden niet tot het oordeel leiden dat verweerder in afwijking van het beleid een ontheffing had moeten verlenen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat er geen aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard.

Voor veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2007 door mr. J.J. Bade, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.M. van der Heijden, griffier, en bekendgemaakt op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B