Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC9797

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
Parketnummer 13.497.435.2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Executie-overlevering. (1) Aan de eis van vier maanden vrijheidsstraf a.b.i. art. 7 lid 1 onder b OLW is ook voldaan, indien de gezamenlijke duur van twee of meer - al dan niet bij verschillende vonnissen - opgelegde vrijheidsstraffen ten minste vier maanden bedraagt.(2) Indien één vrijheidsstraf is opgelegd voor twee feiten, staat de omstandigheid dat de overlevering niet kan worden toegestaan voor één van die feiten, niet in de weg aan overlevering voor het andere feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.435.2007

RK nummer: 07/4619

Datum uitspraak: 19 oktober 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 augustus 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 26 juli 2007 door de justitiële autoriteit, de Eerste substituut Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings te Tongeren, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1979,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gede¬tineerd in het Huis van Bewaring “de Boschpoort”

te Breda,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 oktober 2007. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat te Maastricht gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen zes vonnissen ten grondslag, te weten:

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02.

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 810/01.

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01.

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 30 januari 2001, referentie: 117/01

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Hasselt, zetelend in correctionele zaken, dd 15 juli 2003, referentie: 01178/03.

• een vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 18 april 2005, referentie: 570/05

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 jaren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

Van deze vrijheidsstraf dient de opgeëiste persoon nog 667 dagen uit te zitten.

Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Belgische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een aantal feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt, te weten:

- wat betreft het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02: feit 8 als illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en feit 13 als georganiseerde of gewapende diefstal

- wat betreft het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01: de feiten 1 tot en met 4 en 6 als oplichting en feit 5 als illegale handel in verdovende middelen en pyschotrope stoffen

- wat betreft het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Hasselt, zetelend in correctionele zaken, dd 15 juli 2003, referentie: 01178/03: het enige feit als afpersing en racketeering.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij ten aanzien van

- de feiten 1 tot en met 4 en 6 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01 en

- het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Hasselt, zetelend in correctionele zaken, dd 15 juli 2003, referentie: 01178/03,

in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Deze feiten vallen respectievelijk onder de nummers 20 en 21 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Oplichting (Tongeren, 8 juni 2001)

Afpersing en racketeering (Hasselt, 15 juli 2003).

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij ten aanzien van de overige feiten in redelijkheid niet tot dat oordeel kunnen komen.

Feit 8 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, betreft "het bezit van marihuana en weed". Bij gebreke van gegevens ten aanzien van de hoeveelheden van de verdovende middelen en/of de intentie van de opgeëiste persoon (bijv. (verdere) verspreiding), kan het enkele bezit van verdovende middelen in redelijkheid niet worden gebracht onder de noemer illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Feit 13 van hetzelfde vonnis betreft een diefstal "gepleegd bij nacht en gebruikmakend van een voertuig om de vlucht te vergemakkelijken". Bij gebreke van gegevens over de mate van organisatie van deze diefstal en/of het gebruik van wapens bij deze diefstal kan dit feit in redelijkheid niet worden gebracht onder de noemer georganiseerde of gewapende diefstal.

Feit 5 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01, betreft het bezit op een drietal onderscheiden data van "niet nader te bepalen hoeveelheden cannabis". Bij gebreke van nadere gegevens van de hoeveelheden van de verdovende middelen en/of de intentie van de opgeëiste persoon (bijv. (verdere) verspreiding), geldt ook voor dit feit dat het enkele bezit in redelijkheid niet kan worden gebracht onder de noemer illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Voor overlevering ter zake van deze - en de overige - feiten is derhalve gekwalificeerde dubbele strafbaarheid vereist.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

4.2.1 Verweer

Er is geen sprake van een "Gesamtstrafe", aldus de raadsman, nu de tenuitvoerlegging wordt gevraagd van 6 vonnissen. Artikel 7 OLW eist dat in geval van executie-overlevering per vonnis komt vast te staan dat een straf van ten minste vier maanden is opgelegd en dat, indien een vonnis betrekking heeft op twee of meer feiten, komt vast te staan dat aan elk feit ten minste vier maanden van de opgelegde straf is toe te rekenen. Ten slotte dient naar het oordeel van de raadsman op elk afzonderlijk feit in beide lidstaten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden te zijn gesteld. Dat is niet voor alle feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd het geval. Ten aanzien van deze feiten dient de overlevering te worden geweigerd.

De officier van justitie heeft daartegen ingebracht dat de OLW ten aanzien van een executie-overlevering uitdrukkelijk bepaalt dat de opgelegde straf doorslaggevend is, niet het daarvan nog te executeren restant. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een gezamenlijke straf voor alle feiten, zodat aan de minimumeis van 4 maanden is voldaan. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling aan te houden, indien de rechtbank dit standpunt niet volgt, om de Belgische autoriteiten in de gelegenheid te stellen per vonnis aan te geven of de duur van de opgelegde straf ten minste vier maanden is of te bevestigen dat er sprake is van een ‘Gesamtstrafe’ van 6 jaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om voor elk afzonderlijk feit de minimale strafbedreiging met 12 maanden te eisen. Als één strafbaar feit voldoet aan dat vereiste dan behoeven naar het oordeel van de officier van justitie de andere feiten daaraan niet te voldoen. Op een aantal feiten is een lagere strafbedreiging gesteld. In zoverre zal de overlevering moeten worden geweigerd. Het is dan aan de Belgische justitiële autoriteiten te bepalen wat uiteindelijk het strafrestant zal zijn. De officier van justitie wijst in dat verband naar aantekening 6 bij artikel 6 van de Uitleveringswet in Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit luidt:

Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.

Artikel 2, eerste lid, OLW luidt:

Een Europees aanhoudingsbevel kan slechts worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld of indien een straf of maatregel is opgelegd, wanneer deze een duur heeft van ten minste vier maanden.

Artikel 7 OLW luidt, voor zover hier van belang:

1. Overlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich naar het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit schuldig heeft gemaakt aan:

1°. een naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemd strafbaar feit dat tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staat vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld; of

2°. een ander feit dat zowel naar het recht van de uitvaardigende lidstaat als naar dat van Nederland strafbaar is en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld;

b. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit als onder 1° of 2° bedoeld.

Ten aanzien van de eis van de opgelegde vrijheidsstraf

Zoals de rechtbank al eerder heeft geoordeeld, heeft de in de artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, onder b, OLW tot uitdrukking gebrachte eis van een vrijheidsstraf voor de duur van ten minste vier maanden betrekking op de duur van de opgelegde straf, niet op de duur van het daarvan (nog) ten uitvoer te leggen deel.

Artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit spreekt van "feiten" en van "opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden". De gebezigde meervoudsvormen brengen mee dat een EAB ook kan worden uitgevaardigd (1) met betrekking tot twee of meer - al dan niet bij verschillende vonnissen - opgelegde vrijheidsstraffen waarvan de duur tezamen ten minste vier maanden bedraagt en (2) met betrekking tot een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier maanden die is opgelegd ter zake van twee of meer feiten.

De artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, OLW bezigen daarentegen de woorden "feit" en "vrijheidsstraf" en wekken aldus de suggestie dat, in geval van een overlevering ter fine van tenuitvoerlegging, (1) de duur van elke opgelegde vrijheidsstraf afzonderlijk ten minste vier maanden dient te bedragen en (2) per feit een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier maanden moet zijn opgelegd.

Uit niets, bepaaldelijk niet uit de wetsgeschiedenis, volgt echter dat de wetgever dergelijke beperkingen heeft willen aanbrengen. Integendeel, uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat tot de Overleveringswet heeft geleid, blijkt dat artikel 7 OLW onder meer strekt tot implementatie van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit en dat de eerstgenoemde bepaling is ontleend aan artikel 5 van de Uitleveringswet. Uit de verwijzing naar artikel 5 van de Uitleveringswet volgt dat de wetgever heeft willen aansluiten bij hetgeen in het uitleveringsverkeer met de lidstaten rechtens was.

In geval van executie-uitlevering vereisten de artikelen 2, eerste lid, EUV en 2, eerste lid, BUV niet dat voor elk feit afzonderlijk een vrijheidsstraf van voldoende duur was opgelegd. Tot uitlevering kon leiden een vrijheidsstraf met een duur van ten minste vier respectievelijk drie maanden, opgelegd wegens twee of meer feiten.

Ingevolge artikel II, eerste lid, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (hierna: de Overeenkomst) moest uitlevering ook worden toegestaan, indien de duur van de verscheidene straffen en maatregelen gezamenlijk minstens vier maanden bedroeg. Uit de parlementaire behandeling van de goedkeuring van de Overeenkomst blijkt dat deze bepaling een nadere verduidelijking en niet een uitbreiding van artikel 2, eerste lid, EUV behelsde en dat artikel 5 van de Uitleveringswet niet afweek van artikel 2, eerste lid, EUV noch van artikel II, eerste lid, van de Overeenkomst (Kamerstukken II, 1981, 16 433, nr. 5, p. 4-5).

Daarom moet het ervoor worden gehouden dat artikel 7, eerste lid, onder b, OLW, dat naar structuur en inhoud is ontleend aan artikel 5 van de Uitleveringswet, overlevering toestaat ter zake van twee of meer - al dan niet bij verschillende vonnissen - opgelegde vrijheidsstraffen waarvan de gezamenlijke duur ten minste vier maanden bedraagt en dat deze bepaling niet vergt dat voor elk feit afzonderlijk een zodanige vrijheidsstraf is opgelegd. Deze uitleg komt overeen met de bewoordingen en het doel van artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit, ter implementatie waarvan artikel 7 OLW onder meer strekt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook in het midden blijven of de in het EAB vermelde opgelegde vrijheidsstraf van zes jaren een samengestelde straf (een "Gesamtrafe") of de som van de bij de onder 2 genoemde vonnissen afzonderlijk opgelegde vrijheidstraffen betreft. In beide gevallen is voldaan aan het in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, OLW gestelde vereiste aangaande de duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

Ten aanzien van de eis van dubbele gekwalificeerde strafbaarheid

De rechtbank begrijpt het standpunt van de officier van justitie zo, dat zij heeft willen betogen dat artikel 7, eerste lid, onder b, OLW niet meebrengt dat, in geval van een EAB dat strekt tot de tenuitvoerlegging van een ter zake van twee of meer feiten opgelegde vrijheidsstraf, de overlevering alleen kan worden toegestaan, indien al die feiten tot overlevering kunnen leiden.

De rechtbank kan zich met dat standpunt verenigen. Evenmin als in het uitleveringsrecht staat de omstandigheid dat de overlevering niet kan worden toegestaan voor één of meer feiten, terwijl zij wel toelaatbaar is voor één of meer overige feiten, in de weg aan overlevering ter tenuitvoerlegging van de ter zake van al die feiten opgelegde vrijheidsstraf. Het specialiteitsbeginsel brengt in zo'n geval mee dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat gehouden zullen zijn de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf te beperken tot het deel van die straf dat betrekking heeft op de feiten waarvoor de overlevering is toegestaan.

Het voorgaande ontslaat de rechtbank overigens niet van de verplichting per feit te onderzoeken of het voldoet aan de eisen van artikel 7, eerste lid, onder b, OLW. Met dat onderzoek zijn immers de belangen van de opgeëiste persoon én van de uitvaardigende lidstaat gemoeid. Indien immers de vrijheidsstraf is opgelegd ter zake van feiten die niet alle tot overlevering kunnen leiden, dan geldt voor de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat de uit het specialiteitsbeginsel voortvloeiende beperking op hun recht tot tenuitvoerlegging, terwijl indien alle feiten tot overlevering kunnen leiden van zo'n beperking geen sprake is.

4.2.2 Beoordeling van de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid

4.2.2.1 Geen dubbele gekwalificeerde strafbaarheid

Een aantal van de feiten is hetzij naar het recht van België en/of Nederland niet bedreigd met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden hetzij niet strafbaar naar Nederlands recht.

Naar het recht van België is niet een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld op:

- de feiten 1, 2 tweede en derde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs. En vluchtmisdrijf heeft gepleegd"), 3 tweede deel ("De wachtmeesters van de rijkswacht, agenten drager van de openbare macht te hebben uitgescholden voor hoerenzonen en klootzakken en zich aldus schuldig te hebben gemaakt aan smaad"), derde deel ("Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan weerspannigheid") en vierde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs"), 4 eerste deel ("Te Genk op 20 april 2000 weerspannigheid te hebben gepleegd ten aanzien van een agent drager van de openbare macht", 5 en 11 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02;

- de feiten 1 en 2 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 810/01.

De omschrijvingen van feit 8 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02, en van feit 5 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01, vermelden niet de hoeveelheden van de cannabis, weed en marihuana die de opgeëiste persoon in zijn bezit heeft gehad, zodat niet kan worden vastgesteld of op deze feiten naar Nederlands recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De omschrijving van feit 12 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02, vermeldt niet welk "verboden wapen" de opgeëiste persoon heeft gedragen, zodat niet kan worden vastgesteld of dit feit naar Nederlands recht strafbaar is.

4.2.2.2 Wel dubbele gekwalificeerde strafbaarheid

De overige feiten zijn zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:

- het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

diefstal

mishandeling

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten delen aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

zware mishandeling;

- het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 30 januari 2001, referentie: 117/01:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele toebehoort aan een ander, vernielen;

- het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 18 april 2005, referentie: 570/05:

opzetheling.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van een aantal van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, gaat de rechtbank er vanuit dat een en ander niet tot gevolg zal hebben dat geen sprake meer zal zijn van een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden, zoals bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 7, eerste lid, onderdeel b, OLW.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 300, 302, 310, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Eerste substituut Procureur des Konings bij het Parket van de Procureur des Konings te Tongeren ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens:

- de feiten 2 eerste deel ("Te Bree op 18 november 2000 opzettelijke slagen en verwondingen met ziekte en ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tengevolge te hebben toegebracht aan [persoon1]"), 3 eerste deel ("Te Genk op 21 maart 2000 wachtmeesters van de rijkswacht te hebben bedreigd met een aanslag op personen door te zeggen:"dan zal ik wel iemand sturen om u kapot te maken"), 4 tweede deel ("en deze te hebben bedreigd met een aanslag op personen door te zeggen:"Ik poep u op de rechtbank", "Ik maak u kapot", "Ik eet u levend op"), 6, 7, 9, 10 en 13 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02;

- de feiten 1 tot en met 4 en 6 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01;

- het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 30 januari 2001, referentie: 117/01;

- het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Hasselt, zetelend in correctionele zaken, dd 15 juli 2003, referentie: 01178/03;

- het feit van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 18 april 2005, referentie: 570/05.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voorzover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens:

- de feiten 1, 2 tweede en derde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs. En vluchtmisdrijf heeft gepleegd"), 3 tweede deel ("De wachtmeesters van de rijkswacht, agenten drager van de openbare macht te hebben uitgescholden voor hoerenzonen en klootzakken en zich aldus schuldig te hebben gemaakt aan smaad"), derde deel ("Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan weerspannigheid") en vierde deel ("Bij samenhang een voertuig te hebben bestuurd zonder verzekering en zonder houder te zijn van een rijbewijs"), 4 eerste deel ("Te Genk op 20 april 2000 weerspannigheid te hebben gepleegd ten aanzien een agent drager van de openbare macht"), 5, 8, 11 en 12 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 11 december 2002, referentie: 1395/02;

- de feiten 1 en 2 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 810/01;

- feit 5 van het vonnis van de rechtbank eerste aanleg van Tongeren, zetelend in correctionele zaken, dd 8 juni 2001, referentie: 811/01.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs.M.E.B. Terwee en J.T.H. Zimmerman, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 oktober 2007.

Involge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.