Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC7188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
364094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring door onafgebroken bezit van de percelen A en B gedurende minimaal 20 jaar? Bezit of houderschap?

Artikelen 3:105 BW, 3:107 BW, 3:108 BW, 3:109 BW, 3:113 BW, 3:306 BW

De kern van het geschil tussen partijen is of eiser (in conventie) gedurende minimaal 20 jaar het ononderbroken bezit van de percelen A en B heeft gehad.

De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat het gebruik van de percelen A en B aanvankelijk is begonnen als houderschap en dat naar verkeersopvatting eiser geen bezitter is geworden van de percelen A en B, maar in ieder geval tot 25 april 2006 (althans tot in de loop van 2005) als houder moet worden aangemerkt.

Eiser heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat reeds eerder dan 25 april 2006 (althans 2005) sprake was van bezit. Het ter zake gedane bewijsaanbod dient dan ook als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd te worden gepasseerd.

Het voorgaande leidt verder tot de conclusie dat eiser (dan wel zijn voorganger) bij de ingebruikneming van de percelen A en B deze is gaan houden in het kader van een (stilzwijgend tot stand gekomen) gebruiksovereenkomst met de Gemeente. Aangezien eiser zich ten opzichte van de Gemeente eerst bij brief van 25 april 2006 (indirect) op het bepaalde in artikel 3:105 BW heeft beroepen, is in ieder geval tot dit moment geen sprake van de verjaring van de revindicatie van de Gemeente op grond van artikel 3:306 BW. Nu nadien de verjaringstermijn niet is voltooid, is een beroep op eigendom, verkregen langs de weg van artikel 3:105 BW, niet aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 364094 / HA ZA 07-626

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

[A],

wonende te [-],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. A. Heijder,

tegen

GEMEENTE AMSTERDAM (STADSDEEL SLOTERVAART),

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. M.F.A. Evers.

Partijen zullen hierna [A] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 23 mei 2007, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte in conventie, met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 augustus 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 15 januari 1980 is [A] eigenaar geworden van het perceel [-] te [-], kadastraal bekend als [-], sectie F, nummers 1506 en 2158 (hierna: de woning of het perceel van [A]). [A] woont met zijn gezin sinds 1980 in de woning. Op grond van de leveringsakte heeft [A] tevens het perceel gelegen aan de voorzijde van de woning, kadastraal bekend als [-], sectie F, nummer 1505, als tuin in gebruik gekregen. Dit laatste perceel is eigendom van de Gemeente.

2.2. [A] heeft, gezien vanaf de openbare weg, zowel een stuk grond gelegen aan de achterzijde van zijn woning als ook een stuk grond gelegen aan de linkerzijde van zijn woning in gebruik als tuin. Het stuk grond aan de achterzijde van het perceel van [A] dat hij in gebruik heeft, wordt hierna aangeduid als perceel A en het stuk grond aan de linkerzijde van de woning als perceel B. Perceel A wordt aan de achterzijde begrensd door een sloot; perceel B wordt aan de linkerzijde begrensd door een parkeerterrein. Perceel A maakt deel uit van het perceel kadastraal bekend als [-], sectie F, nummer 2533; perceel B bestaat uit een gedeelte van het perceel kadastraal bekend als [-], sectie F, nummer 2159 en een gedeelte van het perceel met nummer 2533. In het kadaster staat de Gemeente als eigenaresse van de percelen met de nummers 2159 en 2533 geregistreerd.

2.3. Sinds 2005 is de Gemeente Amsterdam bezig met plannen voor bebouwing van de percelen gelegen naast de woning van [A] (hierna: de bouwplannen). De bouwplannen hebben mede betrekking op perceel B.

2.4. Toen [A] in 2005 van de bouwplannen vernam, heeft hij contact opgenomen met de Gemeente. In januari 2006 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [A] en medewerkers van de Gemeente over de voorgenomen bouwplannen.

2.5. Op 29 april 2005 heeft [A] een brief aan de Gemeente gestuurd, waarin hij, voor zover hier van belang, het volgende schrijft:

“Door de voorgenomen plannen van het stadsdeelbestuur om het parkeerterrein naast ons huis te laten bebouwen, wordt het thans voor ons noodzakelijk om een tuinuitbreiding aan te vragen voor de grond aanpalend aan onze eigen grond. We hebben deze stukken grond al vanaf ongeveer 1980 onderhouden en van genoten.

Ten eerste willen wij graag het stuk grond achter onze tuin bij onze tuin betrekken (op de tekening aangeduid met A). Het loopt van de achterzijde van onze eigen tuin tot aan de sloot daarachter.

Tevens willen wij graag de strook grond van ongeveer 7.50 meter breed aan de zijkant van onze grond (tot aan de huidige stoeprand op het parkeerterrein) ook als tuinuitbreiding willen betrekken. (op de tekening aangeduid met B). Het loopt van de sloot aan de voorkant van het huis naar de sloot aan de achterkant van het parkeerterrein.”

2.6. Op 25 april 2006 heeft [A] opnieuw een brief aan de Gemeente gestuurd. In deze brief schrijft hij, voor zover hier van belang, het volgende:

“Wij hebben ons pand en terrein in 1980 gekocht en hebben meteen de stukken terrein er omheen als tuin in gebruik genomen. Wij hebben er een haag aan de kant van het parkeerterrein gezet.

Derhalve stellen wij dat het bezittersrecht voor genoemde grond aan ons behoort.”

2.7. De Gemeente heeft het door [A] op de percelen A en B geclaimde bezit afgewezen, onder meer bij brieven van 27 juni en 20 juli 2006.

2.8. Bij brief van 8 februari 2007 heeft de Gemeente aan [A] het gebruik van de percelen A en B opgezegd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A] vordert – kort gezegd – voor recht te verklaren dat [A] eigenaar is van het perceel plaatselijk bekend [-] te [-], welk perceel bestaat uit het kadastrale perceel 1121 te

[-] en de percelen A en B, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure.

3.2. Als grondslag voor zijn vordering voert [A] – kort gezegd - aan dat hij vanaf 15 januari 1980, dus meer dan 20 jaar, zonder bezwaar van de Gemeente bezitter is van de percelen A en B, zodat de revindicatie op grond van artikel 3:306 BW is verjaard en hij op grond van artikel 3:105 BW eigenaar van die percelen is geworden.

3.3. De Gemeente betwist dat [A] gedurende 20 jaar onafgebroken het bezit heeft gehad van de percelen A en B. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat [A] de percelen heeft gehouden voor de Gemeente.

[A] heeft vóór 25 april 2006 nooit het standpunt ingenomen dat hij bezitter van de percelen was. Bij brief van 25 april 2006 heeft [A] de Gemeente voor het eerst laten weten dat hij zich op het standpunt stelde dat hij de percelen als bezitter voor zichzelf hield, zodat de verjaringstermijn niet eerder dan op die datum is gaan lopen. Van verkrijgende verjaring van de percelen A en B door [A] is dan ook geen sprake.

Volgens de Gemeente is tussen haar en [A] een (stilzwijgende) overeenkomst van bruikleen tot stand gekomen op grond waarvan [A] de percelen om niet hield voor de Gemeente. De Gemeente heeft de overeenkomst van bruikleen, die voor onbepaalde tijd was aangegaan, opgezegd.

in reconventie

3.4. De Gemeente vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat tussen [A] enerzijds en de Gemeente anderzijds een overeenkomst van bruikleen geldt aangaande de percelen A en B en dat deze bruikleenovereenkomst door de Gemeente rechtsgeldig is opgezegd bij brief van 8 februari 2007 en derhalve is geëindigd, althans zal eindigen op 9 mei 2007, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdstip;

b. [A] te veroordelen om de percelen A en B (als hierboven nader omschreven onder 2.2), met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop van zijnentwege bevinden respectievelijk bevindt, binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van de Gemeente te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met machtiging van de Gemeente om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en op kosten van [A];

c. een en ander met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure.

3.5. Onder verwijzing naar haar verweer in conventie, zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven, stelt de Gemeente ten aanzien van het gevorderde – kort gezegd - dat een overeenkomst van bruikleen een duurovereenkomst is en in beginsel kan worden opgezegd. Vervolgens stelt zij dat zij er een redelijk belang bij heeft om het gebruik van perceel B te beëindigen in verband met de voorgenomen bouwplannen. Ten aanzien van het gebruik door [A] van perceel A stelt te Gemeente dat zij voortgezet gebruik niet kan tolereren nu [A] ten onrechte het bezit van dit perceel claimt. De Gemeente voegt daar nog aan toe dat [A] niet in economische zin van het gebruik van de percelen A en B afhankelijk is.

3.6. [A] voert verweer en verwijst hiertoe naar zijn stellingen in conventie, zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven. [A] betwist dat er een overeenkomst van bruikleen tot stand is gekomen. Subsidiair voert [A] aan dat de Gemeente een te rechtvaardigen belang dient te hebben bij de opzegging van het gebruik en dat de Gemeente een dergelijk belang niet heeft.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De kern van het geschil tussen partijen is of [A] gedurende minimaal 20 jaar het ononderbroken bezit van de percelen A en B heeft gehad. Onder bezit dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:107 lid 1 BW te worden verstaan het houden van een goed voor zichzelf. De vraag die derhalve allereerst moet worden beantwoord is of [A] de percelen gedurende 20 jaar onafgebroken voor zichzelf of voor de Gemeente hield.

4.2. Bij beantwoording van deze vraag heeft in beginsel als uitgangspunt te gelden het vermoeden van artikel 3:109 BW, inhoudende dat degene die een goed houdt wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. Het betreft hier echter slechts een vermoeden dat onder de gegeven omstandigheden moet wijken voor het uit de inschrijving in de openbare registers voortvloeiende bezitsvermoeden van de Gemeente (zie bijvoorbeeld artikel 6:174 BW). Voorts geldt dat op grond van artikel 3:108 BW naar verkeersopvatting en op grond van de uiterlijke feiten moet worden beoordeeld of [A] voor zichzelf hield of voor de Gemeente. In dit verband is niet slechts van belang de naar buiten toe blijkende feitelijke macht over de zaak, maar tevens de naar buiten toe blijkende wil om voor zichzelf te houden. Op de voet van artikel 3:113 lid 2 BW is verder van belang dat in het geval dat een goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn voor inbezitneming, maar dat de machtsuitoefening zodanig moet zijn dat naar verkeersopvatting de ander zijn bezit verliest.

4.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij gedurende 20 jaar voor zichzelf heeft gehouden en dus bezitter was, voert [A] het volgende aan. De kadastrale grens van het perceel van [A] is nooit gemarkeerd en door hem (en ook door zijn voorganger) is als feitelijke grens aangehouden (aan de linkerzijde) de grens van het parkeerterrein en (aan de achterzijde) de daar aanwezige sloot. [A] heeft de percelen A en B in gebruik als tuin. Op perceel A heeft [A] onder meer een zitplek gecreëerd en hij heeft daar een steiger in de sloot aangelegd. Hij heeft op de percelen beplantingen (bomen en heesters) aangebracht waaronder op perceel B een haag langs het parkeerterrein. [A] heeft de percelen sinds 1980 onderhouden, terwijl de Gemeente nooit enig onderhoud aan de percelen heeft gepleegd. Het door [A] gestelde gebruik van de percelen A en B wordt door de Gemeente niet betwist.

4.4. De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt. Allereerst is van belang dat vaststaat dat de Gemeente in het kadaster als eigenaresse van de percelen A en B staat ingeschreven en dat [A] hiervan op de hoogte was toen hij de woning kocht.

Verder is voor de beoordeling van belang dat [A] niet alleen de percelen A en B, maar tevens het perceel aan de voorzijde van zijn woning in gebruik heeft als tuin. [A] heeft niet (voldoende gemotiveerd) gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat het gebruik door [A] van de percelen A en B van een wezenlijk andere aard is dan het gebruik dat [A] maakt van het perceel aan de voorzijde van zijn woning. Daarom valt niet in te zien waarom het gebruik door [A] van de percelen A en B aangemerkt zou moeten worden als bezit, terwijl dat niet geldt voor het gelijksoortige gebruik van het perceel aan de voorzijde van zijn woning. Het gebruik door [A] van de percelen A en B als tuin (zoals hiervoor weergegeven onder 4.3) houdt dan ook niet in dat [A] de percelen als bezitter voor zichzelf is gaan houden. Hieraan doet niet af het (overigens niet door de Gemeente betwiste) betoog van [A] dat hij de percelen heeft onderhouden en ook de lasten van het onderhoud heeft gedragen, omdat, naar moet worden aangenomen, dat verband hield met het gebruik dat [A] (om niet) van de percelen maakte. [A] heeft bovendien niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat dit niet geldt voor wat betreft het onderhoud van het stuk grond aan de voorzijde van zijn woning dat hij in gebruik heeft van de Gemeente.

4.5. Voorts is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van bezit of houderschap van belang dat niet (voldoende gemotiveerd) is gesteld of anderszins uit de gedingstukken is gebleken dat [A] zich er vóór zijn brief van 25 april 2006 (althans vóór 2005 toen [A] voor het eerst contact had met de Gemeente over het gebruik van de percelen A en B, zie hiervoor onder 2.4) tegenover de Gemeente op heeft beroepen dat hij door verjaring eigenaar van de percelen was geworden. Onder deze omstandigheden hoefde de Gemeente vóór 25 april 2006 (althans vóór 2005) geen rekening te houden met het thans door [A] ingenomen standpunt dat hij bezitter is. In dat licht is dan ook begrijpelijk dat de Gemeente niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik door [A] van de percelen A en B. Hieraan doet niet af het betoog van [A] dat hij de onder 2.5 bedoelde brief op advies van de Gemeente heeft geschreven. Wat daarvan ook zij, het is voor de beoordeling niet van belang hoe de contacten tussen [A] en de Gemeente in 2005 (en 2006) precies zijn verlopen, nu vast staat dat [A] zich in ieder geval vóór 2005 tegenover de Gemeente er niet op heeft beroepen dat hij bezitter van de percelen A en B was. Evenmin is voor de beoordeling relevant de stelling van [A] dat de Gemeente bij het aanleggen van de verlichting op het parkeerterrein naast het perceel B zou zijn uitgegaan van de grens die door [A] sinds 1980 is aangehouden. Nog afgezien van het feit dat uit de gedingstukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat één van de lantaarnpalen staat op het als perceel B aangeduide stuk grond, is voor de beoordeling van de vraag of [A] hield voor zichzelf of voor de Gemeente, niet doorslaggevend of de Gemeente bij het aanleggen van de verlichting rekening heeft gehouden met het gebruik door [A] van perceel B.

4.6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van de percelen A en B aanvankelijk is begonnen als houderschap en dat naar verkeersopvatting [A] geen bezitter is geworden van de percelen A en B, maar in ieder geval tot 25 april 2006 (althans tot in de loop van 2005) als houder moet worden aangemerkt.

[A] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat reeds eerder dan 25 april 2006 (althans 2005) sprake was van bezit. Het ter zake gedane bewijsaanbod dient dan ook als onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd te worden gepasseerd.

4.7. Het voorgaande leidt verder tot de conclusie dat [A] (dan wel zijn voorganger) bij de ingebruikneming van de percelen A en B deze is gaan houden in het kader van een (stilzwijgend tot stand gekomen) gebruiksovereenkomst met de Gemeente. Aangezien [A] zich ten opzichte van de Gemeente eerst bij brief van 25 april 2006 (indirect) op het bepaalde in artikel 3:105 BW heeft beroepen, is in ieder geval tot dit moment geen sprake van de verjaring van de revindicatie van de Gemeente op grond van artikel 3:306 BW. Nu nadien de verjaringstermijn niet is voltooid, is een beroep op eigendom, verkregen langs de weg van artikel 3:105 BW, niet aan de orde.

4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in conventie zal worden afgewezen.

4.9. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht EUR 251,=

- salaris procureur 904,= ( 2,0 punt × tarief EUR 452,=)

Totaal EUR 1.155,=

in reconventie

4.10. Voor de beoordeling van de vordering in reconventie verwijst de rechtbank allereerst naar hetgeen in conventie is overwogen. Hieruit volgt dat vast staat dat tussen partijen met betrekking tot de percelen A en B een rechtsverhouding bestaat, althans heeft bestaan, die gekwalificeerd moet worden als een overeenkomst van bruikleen voor onbepaalde tijd. In reconventie staat thans ter beoordeling de vraag of de Gemeente deze overeenkomst van bruikleen rechtsgeldig heeft opgezegd, althans deze rechtsgeldig kan opzeggen met inachtneming van een redelijke termijn.

4.11. Bij de beantwoording van deze vraag heeft als uitgangspunt te gelden dat een overeenkomst van bruikleen per definitie een tijdelijk karakter heeft en dus in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter in verband met de concrete omstandigheden meebrengen dat de overeenkomst alleen kan worden opgezegd als de bruiklener daarvoor een dringende reden heeft. Dergelijke concrete omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken, zodat het verweer van [A] dat de Gemeente een te rechtvaardigen belang dient te hebben en te bewijzen bij de opzegging, reeds hierom strandt. Evenmin zijn door [A] omstandigheden aangevoerd die met zich zouden brengen dat de Gemeente in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door van haar opzegbevoegdheid gebruik te maken. Nu [A] verder niets heeft ingebracht tegen de door de Gemeente in acht genomen opzegtermijn, zal de rechtbank bepalen dat de overeenkomst van bruikleen rechtsgeldig is opgezegd en geëindigd.

4.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in reconventie zal worden toegewezen, met die aantekening dat de rechtbank geen aanleiding ziet de Gemeente te machtigen gebruik te maken van de sterke arm van justitie en politie, nu zij daarvoor geen gronden heeft aangevoerd.

4.13. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op

EUR 452,= (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,=) aan salaris procureur.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 251,= aan verschotten en EUR 904,= aan salaris procureur,

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 bedoelde proceskosten-veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. verklaart voor recht dat tussen [A] en de Gemeente een overeenkomst van bruikleen heeft gegolden aangaande de percelen A en B en dat deze bruikleenovereenkomst door de Gemeente rechtsgeldig is opgezegd bij brief van 8 februari 2007 en is geëindigd,

5.5. veroordeelt [A] om de percelen A en B (als hierboven nader omschreven onder 2.2), met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop van zijnentwege bevinden respectievelijk bevindt, binnen twee weken na betekening dit vonnis volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ter vrije beschikking van de Gemeente te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden,

5.6. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 452,= aan salaris procureur,

5.7. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.5 bedoelde veroordeling en de onder 5.6 bedoelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.?