Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC3572

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 06-3089 WW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BH9357, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of eiser verwijtbaar werkloos is geworden en hem dientengevolge een WW-uitkering moet worden geweigerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de werkgever aan eiser geen onredelijke eisen omtrent de bejegening van patiënten en collega’s en ten aanzien van zijn lichaamshygiëne heeft gesteld. Door niet aan deze eisen te voldoen, heeft eiser zich verwijtbaar zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Hierbij is van belang dat de werkgever eiser herhaaldelijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het niet voldoen aan de gestelde eisen hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Dat eiser door toedoen van de werkgever psychisch geblokkeerd was geraakt waardoor hij niet meer inzag wat goed dan wel slecht voor hem was, heeft eiser onvoldoende medisch onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/3089 WW

van:

[eiser],

wonende te Hilversum,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. J.A.J. van Leusden-van de Ven,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.Y.A. van der Meulen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 14 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 9 mei 2006.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 15 november 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser is op 4 december 1978 in dienst gestreden bij het Ziekenhuis Hilversum (hierna: de werkgever) als leerling verpleegkundige. Na diplomering is eiser per 1 maart 1982 geplaatst in de functie van verpleegkundige.

Op 14 juni 2005 is door de werkgever tijdens een gesprek aan eiser te kennen gegeven dat hem na vele eerdere waarschuwingen, in december 2004 nog één keer een reële kans is gegeven zijn functioneren en werkhouding te verbeteren, maar dat dit verbetertraject niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Om die reden heeft de werkgever besloten dat eiser niet langer kan worden gehandhaafd en is op 15 augustus 2005 een ontslagvergunning aangevraagd bij het CWI. Deze is verleend op 28 september 2005. Vervolgens heeft de werkgever het dienstverband per 1 januari 2006 beëindigd.

Als gevolg hiervan heeft eiser verweerder verzocht om hem per 1 januari 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolgde de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 1 februari 2006 heeft verweerder eiser een WW-uitkering geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Met het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben en subsidiair dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Verweerder heeft gesteld dat eiser jarenlang is gewezen op aspecten van zijn functioneren, die uiteindelijk tot zijn ontslag hebben geleid. De werkgever heeft in ruime mate geprobeerd verbetering te bewerkstellen. Hetgeen van eiser is gevraagd omtrent de bejegening van patiënten en collega’s en ten aanzien van zijn lichaamshygiëne is volgens verweerder geenszins onredelijk of onmogelijk te noemen. De verbeterpunten waren eenvoudig te realiseren. Dat eiser dit niet heeft gedaan is eiser in beginsel aan te rekenen. Dat eiser als gevolg van het handelen van zijn werkgever geblokkeerd was geraakt, heeft eiser niet onderbouwd met een medisch stuk uit die periode. Uit onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts is naar voren gekomen dat geen sprake was van een ernstige psychopathologie op grond waarvan eiser niet in staat was in te zien dat hij tot aanpassing van zijn functioneren diende over te gaan. De bezwaarverzekeringsarts acht eisers handelen dus niet medisch verschoonbaar. Verweerder ziet dan ook geen reden om eisers verwijtbare handelen als verschoonbaar of als verminderd verwijtbaar te achten.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft in beroep aangevoerd dat hij alles wat in zijn vermogen lag heeft gedaan om zijn werk te behouden. Eiser heeft altijd naar behoren gefunctioneerd, totdat hij in 2002 een nieuwe leidinggevende kreeg. Dat eiser in de periode van 1994 tot 2002 ook al op zijn functioneren was aangesproken wordt bestreden. De werkgever heeft dit ook niet kunnen onderbouwen met stukken uit die periode, ondanks herhaaldelijke verzoeken daartoe. Vanaf 2002/2003 heeft zijn werkgever grote druk op hem gezet, terwijl de werkgever op de hoogte was van zijn tijdelijke privéproblemen. Verder heeft eiser betoogd dat hij door de lange periode van grote druk geblokkeerd was geraakt waardoor hij niet meer inzag wat goed dan wel slecht voor hem was. In 2003 was door een medewerker van P&O geconstateerd dat eiser behandeld diende te worden door een psychiater dan wel klinisch psycholoog. De werkgever heeft echter niets gedaan met dit advies. Eiser is overigens thans onder behandeling van een haptotherapeut en een psychiater. Tenslotte heeft de werkgever niet alles in het werk gesteld om eiser als werknemer te behouden. Zo had de werkgever eisers functioneren middels cursussen en trainingen op het gewenste niveau moeten brengen.

In geschil is de vraag of eiser verwijtbaar werkloos is geworden en hem dientengevolge een WW-uitkering moet worden geweigerd.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, moet de werknemer voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW, voor zover hier van belang, weigert verweerder, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert verweerder de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35. Ingevolge het zesde lid van dit artikel kan verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank onder meer het volgende gebleken. In november 2003 is een coachingstraject afgesproken met eiser, met als doel verbetering van attitude en communicatie naar de patiënt, werken conform afdelingsregels en -afspraken, verbetering samenwerking met collega’s en voldoen aan gestelde richtlijnen met betrekking tot (persoonlijke) hygiëne. Op 2 december 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden met eiser. Daarbij is medegedeeld dat het coachingstraject niet heeft geleid tot de vereiste verbetering in het functioneren van eiser naar patiënten en collega’s toe. Zo blijkt uit de criterialijst van de zorgcoördinator en vaardigheidsmeters van drie collega’s onder meer dat eiser afspraken niet nakomt, geen initiatief toont in het traject en dat eiser geen actie heeft ondernomen naar de Arbo-arts in verband met zijn lichaamsgeur. Besloten is het verbeteringstraject te beëindigen en een functioneringstraject te starten. In het kader hiervan is aan eiser een aantal eisen gesteld, te weten dat er geen mondelinge en/of schriftelijke klachten zijn van patiënten ten aanzien van eisers functioneren, dat eiser wekelijks 100% voldoende scoort op een vooraf geformuleerde criterialijst betreffende zijn houding en gedrag ten opzichte van patiënten en collega’s en dat er dagelijks sprake is van representativiteit oftewel het voldoen aan de hygiëne-/verzorgingseisen. Voorts zijn er werkafspraken gemaakt. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat als eiser onvoldoende scoort op een van de drie geformuleerde eisen, dit gevolgen zal hebben voor zijn functioneren als verpleegkundige.

Op 31 mei 2005 is het functioneringstraject geëindigd en is het traject geëvalueerd. Geconcludeerd is dat het verbetertraject geen enkel resultaat heeft opgeleverd; de houding en wijze van communiceren met patiënten van eiser is nog steeds onvoldoende, jegens patiënten stelt eiser zich nog regelmatig onbeleefd en onbehouwen op en eiser neemt de hygiënevoorschriften nog altijd niet voldoende in acht. Omdat er geen blijvende verbetering is opgetreden en deze verbetering in de toekomst ook niet verwacht wordt, is besloten dat eiser vanaf 11 juni 2005 geen nachtdiensten meer zal werken, maar uitsluitend dagdiensten zodat hij beter gecontroleerd kan worden. Voorts is aangeboden eiser behulpzaam te zijn bij het vinden van een functie buiten het ziekenhuis. Eiser heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de vorengenoemde conclusies.

De werkgever heeft op 15 augustus 2005 het CWI verzocht om een ontslagvergunning, die is verleend op 28 september 2005. Het dienstverband is per 1 januari 2006 beëindigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de werkgever aan eiser geen onredelijke eisen heeft gesteld door van hem te verlangen dat er geen klachten van patiënten binnenkomen met betrekking tot zijn functioneren, dat hij wekelijks 100% voldoende scoort op de vastgestelde criteria betreffende zijn houding en gedrag ten opzichte van patiënten en collega’s en dat eiser dagelijks voldoet aan de hygiëne-/verzorgingseisen. Door niet aan deze eisen te voldoen, heeft eiser zich verwijtbaar zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Hierbij is van belang dat de werkgever eiser herhaaldelijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren. Voorts is eiser er bij de aanvang van het functioneringstraject uitdrukkelijk op gewezen dat indien hij onvoldoende scoort op een van de drie geformuleerde eisen, dit gevolgen zal hebben voor zijn functioneren als verpleegkundige.

Voorst is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet voldoen aan de gestelde eisen hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Dat eiser door toedoen van de werkgever psychisch geblokkeerd was geraakt waardoor hij niet meer inzag wat goed dan wel slecht voor hem was, heeft eiser onvoldoende medisch onderbouwd. Uit de door eiser in beroep overgelegde verklaring van de psychologe [naam psychologe] van 15 maart 2006, de verklaring van de haptotherapeute [naam haptotherapeute] van 7 december 2006 en brief van de psychiater [naam psychiater] van 25 juli 2007 alsmede de verklaring van de haptotherapeute ter zitting kan niet blijken dat sprake is van een psychische stoornis bij eiser, nu geen van de behandelaars een psychische stoornis heeft vastgesteld. Dit strookt met de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat uit de door eiser ingebrachte informatie niet blijkt dat sprake is van een zodanig ernstige psychopathologie dat eiser daardoor niet kon inzien dat hij zijn gedrag moest aanpassen en een verbetertraject moest aangaan. Verder is van belang dat de door eiser ingebrachte informatie niet ziet op de periode dat eiser nog in dienst was bij de werkgever. Enkel het verslag van de verpleegkundig consulent psychiatrie [naam verpleegkundig consulent] van 20 maart 2003 ziet op deze periode, maar ook hij heeft niet vastgesteld dat bij eiser sprake was van een psychische stoornis. De verpleegkundig consulent heeft slechts gerapporteerd dat mogelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, maar dat hij hierover geen uitsluitsel kan geven aangezien daarvoor een deskundige, een psychiater of klinisch psycholoog, geraadpleegd dient te worden.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de opmerking van de verpleegkundig consulent dat zolang er geen sprake is van probleemervaring en eiser zijn sociale en communicatieve vaardigheden op het huidige niveau blijft toepassen, het aanbieden van coaching, begeleiding en/of ondersteuning geen enkele zin heeft, ook niet volgt dat eiser niet in staat zou zijn geweest zijn functioneren te verbeteren. Immers, niet alleen eisers gebrek aan probleemervaring was van belang, maar eiser diende ook zijn sociale en communicatieve vaardigheden aan te passen. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat de werkgever eiser naar aanleiding van het verslag van de verpleegkundig consulent heeft geadviseerd professionele hulp te zoeken, maar dat eiser dat zelf niet noodzakelijk vond. Daarnaast is gebleken dat ook eisers karakter en houding klachten van patiënten en collega’s met zich meebrachten en dat eiser zelf niet wilde voldoen aan de door de werkgever gestelde eisen.

Van de werkgever hoefde dan ook niet te worden verwacht dat eiser gedwongen zou worden psychische hulp te zoeken. Hierbij wordt opgemerkt dat het door eiser aangehaalde artikel 7:629, derde lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is in de onderhavige situatie nu dit artikel onder meer ziet op de situatie dat de werknemer geen arbeid heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte daartoe verhinderd was.

Gelet op de bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de verwijtbare werkloosheid eiser in overwegende mate is aan te rekenen, zodat de WW-uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd. Op grond van dezelfde overwegingen heeft verweerder niet vanwege een dringende reden hoeven af te zien van het opleggen van deze maatregel. Overige feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder van een maatregel had dienen af te zien, zijn niet gebleken.

Op grond van al het vorenstaande houdt het bestreden besluit in rechte stand. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

Voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2007 door mr. B.E. Mildner, voorzitter, en mr. T. van Muijden en mr. C.A.E. Wijnker, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B