Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1821

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
358152 - FA RK 06-8221
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding geregistreerd partnerschap, nevenvoorzieningen, minderjarige kinderen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 828, geldigheid: 2007-08-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 31

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

ZESDE ENKELVOUDIGE CIVIELE KAMER

BESCHIKKING

Ontbinding geregistreerd partnerschap

Beschikking in de zaak van:

[...],

wonende te Amsterdam,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de vrouw

procureur mr. J.C.P.M. Mol,

tegen

[...],

wonende te Amsterdam,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de man

procureur mr. R.K. Uppal.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken.

De rechtbank houdt rekening met haar beschikking van 4 april 2007.

De zaak is behandeld op de terechtzitting met gesloten deuren van 17 juli 2007, alwaar zijn verschenen: partijen en hun procureurs.

O V E R W E G I N G E N:

Partijen zijn [in] 2005 te [...] een geregistreerd partnerschap aangegaan.

[In] 2006 is te [...] de minderjarige [...] geboren.

Bij beschikking van 4 april 2007 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken

Ontvankelijkheid

Op een ontbinding van een geregistreerd partnerschap zijn ingevolge artikel 828 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken van overeenkomstige toepassing met uitzondering van artikel 819 Rv en de bepalingen verband houdende met minderjarige kinderen.

Een en ander zou betekenen dat partijen niet kunnen worden ontvangen in hun nevenverzoeken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen.

De rechtbank zal in het onderhavige geval echter reeds anticiperen op het wetsvoorstel betreffende Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na echtscheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, kamerstuk 2006-2007, nr. 30 145). Dit wetsvoorstel is op 12 juni 2007 dor de Eerste Kamer der Staten-Generaal vastgesteld. Nu uit genoemd wetvoorstel volgt dat de bepaling waarop de ontvankelijkheid in dit geval zou moeten afstuiten wordt geschrapt, is de rechtbank van oordeel dat het strookt met de bedoeling van de wetgever om thans reeds aan te nemen dat de man in zijn verzoek kan worden ontvangen.

Niet in geschil:

Tussen partijen is het navolgende niet, of niet langer, in geschil:

- toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man;

- de wijze waarop de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moet worden vastgesteld. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat ieder van hen houdt wat hij of zij thans reeds onder zicht heeft.

De rechtbank zal op de bovengenoemde punten beslissen conform hetgeen is verzocht.

Aan het oordeel van de rechtbank zijn thans nog de verzoeken ten aanzien van de minderjarige zoon van partijen onderworpen. Aan het oordeel van de rechtbank zijn het verzoek van de man strekkende tot een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige, het verzoek tot het vastleggen van een informatie- en consultatieplicht en het verzoek van de vrouw strekkende tot het eenhoofdig gezag over de minderjarige [...] onderworpen.

De rechtbank zal allereerst het verstrekkendste verzoek beoordelen met betrekking tot het gezag.

Vooropgesteld moet worden dat de partijen ingevolge het bepaalde van artikel 1:253 sa van het Burgerlijk Wetboek (BW) gezamenlijk gezag hebben nu [de minderjarige] tijdens hun geregistreerd partnerschap is geboren. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:245, lid 5, BW brengt dit, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw op dit punt naar voren heeft gebracht, met zich dat de man en de vrouw gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben en op ‘s mans verzoek strekkende tot een omgangsregeling en de informatieplicht de bepaling van 1:377 h BW van toepassing is.

Gezag:

De vrouw heeft haar verzoekschrift nader aangevuld en verzoekt thans te bepalen dat zij alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige [...]. De vrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de verhouding tussen partijen ernstig is verstoord, terwijl partijen al enige tijd uit elkaar zijn kunnen zij nog altijd niet op een normale wijze met elkaar communiceren. De vrouw meent dat doordat de man zich zeer stellig en dwingend blijft opstellen, [de minderjarige] door deze opstelling nu al klem komt te zitten tussen partijen. De vrouw verwacht niet dat deze situatie in de toekomst zich zal wijzigen.

De man stelt dat het verzoek van de vrouw onvoldoende is onderbouwd met gronden en derhalve dient te worden afgewezen. Volgens de man is er geen enkele aanleiding om het gezamenlijke gezag te wijzigen.

Noodzakelijk voor het gezamenlijk blijven uitoefenen van het gezag over de minderjarige is dat partijen na ontbinding van hun geregistreerd partnerschap als ouders op een zodanige wijze met elkaar om kunnen gaan en met elkaar kunnen communiceren dat in gezamenlijk overleg - indien nodig - belangrijke beslissingen kunnen worden genomen. Indien een reëel risico aanwezig is dat een kind door het handhaven van het gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen beide ouders, terwijl niet te verwachten is dat die situatie zich binnen afzienbare termijn zal wijzigen, is het niet in het belang van de minderjarige om het gezamenlijk gezag in stand te laten.

Gelet op hetgeen uit de stukken die deel uitmaken van het dossier is gebleken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht komt de rechtbank tot de slotsom dat er, onvoldoende grond is om de vrouw alleen te belasten met het ouderlijk gezag. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat partijen, in ieder geval binnen afzienbare termijn, niet in staat zullen zijn weer met elkaar te communiceren en samen beslissingen te nemen. Hierbij benadrukt de rechtbank dat van partijen gevergd mag worden dat zij zich beiden als verantwoordelijke ouders zullen gedragen en in het belang van hun kind zullen handelen. Richting elkaar zullen zij moeten “geven en nemen” en “water bij de wijn moeten doen”. Op die manier en door het belang van de minderjarige voor op te stellen kan gezamenlijk gezag een succes zijn, wat uiteindelijk het meest in het belang van het kind is. Het feit dat partijen in de kortgeding procedure besloten hebben om de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige eerst via het omgangshuis te laten verlopen, ziet de rechtbank als een stap in de goede richting. Wellicht dat partijen op deze wijze weer hun vertrouwen in elkaar als ouders kunnen opbouwen. De rechtbank zal gezien het voorgaande het verzoek van de vrouw afwijzen en het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand laten.

Omgangsregeling:

De man verzoekt te bepalen dat hij een omgangsregeling heeft gedurende de helft van de week met een opbouwregeling. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek af te wijzen.

De man heeft de vrouw in kort geding gedagvaard ten einde een omgangsregeling en een informatie- en consultatieplicht af te dwingen. Nadat een mediationpoging is mislukt is ter terechtzitting van 17 april 2007 door de voorzieningenrechter met partijen gesproken over begeleide omgang tussen de man en [de minderjarige] via het omgangshuis te Zaandam. Bij vonnis van 5 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan en bepaald dat, nu partijen het hierover eens zijn, partijen thans middels het omgangshuis aan omgang moeten gaan werken. Voorts heeft de voorzieningenrechter de vrouw veroordeeld om de man eenmaal per maand schriftelijk of per e-mail te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de minderjarige].

Nu partijen ter zitting van 17 juli 2007 in het kader van de onderhavige procedure nog altijd hun bereidheid hebben aangegeven om thans middels het Omgangshuis te Zaandam tot omgang te komen, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige om een beslissing ten aanzien van de omgang aan te houden in afwachting van de resultaten via het Omgangshuis. De rechtbank zal de beslissing pro forma aanhouden tot nader te noemen datum. Partijen dienen de rechtbank ruim voor genoemde datum te berichten omtrent het verloop van de contacten en de voortgang van de procedure. Met name de vrouw heeft nog gevraagd om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten. In afwachting van de procedure bij het omgangshuis acht de rechtbank hiervoor nu geen termen aanwezig.

Informatie- en consultatieplicht

De man heeft tenslotte in de onderhavige procedure verzocht te bepalen dat de vrouw de man dient te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige en hem raadpleegt over daaromtrent te nemen beslissingen in een mate zoals de rechtbank juist acht.

Gebleken is dat partijen met de uitspraak van de voorzieningenrechter in dit verband kunnen leven, de vrouw echter met uitzondering van de frequentie. De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, mede nu de man middels het omgangshuis zelf contact zal hebben met de minderjarige, de frequentie mede gezien de leeftijd van [de minderjarige] te hoog is. De rechtbank acht een informatieplicht van eens per kwartaal een redelijke frequentie. Het ligt op de weg van de vrouw, temeer nu zij gezamenlijk het gezag hebben over de minderjarige, om de man, indien zich er belangrijke zaken voordoen aangaande [de minderjarige], tussentijds te informeren en consulteren.

Wellicht ten overvloede acht de rechtbank het van belang om jegens de man nogmaals te benadrukken dat het in het belang van de minderjarige is dat de man zich neerlegt bij de keuze van de vrouw voor de naam [...]. Voor een evenwichtige ontwikkeling van de minderjarige is van belang dat er op dit punt tussen beide ouders geen discussie blijft bestaan.

Hetgeen voorts door partijen naar voren is gebracht zal de rechtbank als reeds in het voorgaande besproken danwel als niet ter zake dienende buiten beschouwing laten.

Mitsdien zal worden beslist als volgt.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank:

- bepaalt in het kader van een omgangsregeling dat de vader met voornoemde minderjarige omgang zal hebben, en dat deze omgang zal plaatsvinden in en onder begeleiding van het Omgangshuis te Zaandam, en op een door dat omgangshuis te bepalen dag en tijdstip;

- bepaalt dat de behandeling ten aanzien van de omgangsregeling pro forma zal worden voortgezet op 21 februari 2008, met het verzoek aan het Omgangshuis Noord-Holland de rechtbank vóór die datum schriftelijk rapport uit te brengen over het feitelijk verloop van de omgangsregeling;

- bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemd Omgangshuis zal doen toekomen;

- bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal dient te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de minderjarige] en de man te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de man met ingang van heden huurder zal zijn van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats];

- bepaalt dat de verdeling van de tussen partijen bestaande goederengemeenschap reeds feitelijk heeft plaatsgevonden; iedere partij behoudt datgene wat hij thans reeds in zijn bezit heeft;

- wijst af het meer verzoek van de vrouw met betrekking tot het éénhoofdig gezag;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, lid van deze kamer, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 15 augustus 2007 in tegenwoordigheid van mr. M.T.C. Duijzer als griffier..