Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1692

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
AWB 06-5604 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

een honoraire consul krijgt geen parkeervergunning

Een honoraire consul heeft tevergeefs een belanghebbendenvergunning gevraagd om zijn auto bij het consulaat te kunnen parkeren. Burgemeester en Wethouders maken in het Uitvoeringsbesluit onderscheid tussen beroeps- en honoraire consuls, met de motivering dat de functie van honoraire consul – kort gezegd – minder omvattend is dan die van een beroepsconsul. Dit onderscheid is niet ongerechtvaardigd. De keuze die Burgemeester en wethouders in het Uitvoeringsbesluit maken acht de rechtbank in het licht van de parkeerdrukte in de Amsterdamse binnenstad niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/5604 GEMWT

tussen:

het Consulaat van de Republiek Uganda, gevestigd te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger Consulaat],

en

het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.S. Buis.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 21 november 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 17 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 31 oktober 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een belanghebbendenvergunning ongegrond verklaard. Eiser is honorair consul en wenst zijn auto te parkeren bij het consulaat aan de [adres] te Amsterdam. Verweerder heeft overwogen dat eiser als honorair consul op grond van het Uitvoeringsbesluit niet voor een belanghebbendenvergunning in aanmerking komt. Verweerder ziet geen aanleiding om wegens bijzondere hardheid een uitzondering te maken.

In beroep voert eiser aan dat het Uitvoeringsbesluit een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen honorair- en beroepsconsuls. Op grond van het Verdrag van Wenen inzake Consulaire betrekkingen (hierna: het Verdrag) zijn alle consulaten en de hoofden daarvan gelijkwaardig. Op grond van de préambule van het Verdrag dienen aan de consulaire posten voorrechten en immuniteiten te worden verleend om te verzekeren dat zij doelmatig functioneren. In artikel 28 van het Verdrag is bepaald dat de ontvangende staat alle faciliteiten verleent voor de verrichtingen van de werkzaamheden van de consulaire post. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt dat het consulaat van Jamaica, dat wordt geleid door een honoraire consul, blijkens artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit wel in aanmerking komt voor een belanghebbendenvergunning. Bovendien blijkt uit de website van het stadsdeel Oud-Zuid dat dat stadsdeel honorair consuls wel een belanghebbendenvergunning verstrekt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Van toepassing is de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 2005 (hierna: de Parkeerverordening 2005). Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Parkeerverordening, wordt een belanghebbendenvergunning verleend aan de belanghebbende, vermeld op de in het vierde lid genoemde lijst. Het vierde lid van artikel 20 van de Parkeerverordening bepaalt dat Burgemeester en Wethouders, gehoord de stadsdelen, een lijst samenstellen van - voor zover hier van belang - de houders van motorrijtuigen die belanghebbende zijn in de zin van de Verordening. De in het vierde lid bedoelde lijst is neergelegd in het Uitvoeringsbesluit van 1 februari 2006, opgesteld door de directeur van de dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer, daartoe gemandateerd door Burgemeester en Wethouders.

Artikel 4, onder c, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat als categorie van houders van motorrijtuigen die als belanghebbende in de zin van artikel 20, vierde lid, van de Parkeerverordening 2005, dienen te worden aangemerkt in Amsterdam gevestigde consuls-generaal, bij het adres van het consul-generaal, met als voorwaarde dat deze geleid wordt door een beroepsconsul (dus geen honoraire consul). Voor reeds bestaande, opgebouwde rechten van honoraire consuls als categorie motorrijtuighouders in de zin van artikel 20 lid 4 van de Parkeerverordening 2005 geldt een uitsterfbeleid.

De rechtbank stelt voorop dat in het kader van de verdeling van schaarse parkeergelegenheid in de Amsterdamse binnenstad er onderscheid gemaakt kan worden tussen diverse functies en personen die in aanmerking kunnen komen voor een belanghebbendenvergunning. De overweging van Burgemeester en Wethouders om onderscheid te maken tussen beroeps- en honoraire consuls met de motivering dat de functie van honoraire consul – kort gezegd – minder omvattend is dan die van een beroepsconsul, acht de rechtbank niet onredelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat het Verdrag op diverse plaatsen onderscheid maakt tussen een beroepsconsul en een honoraire consul. Er zijn verschillende regelingen getroffen ten aanzien van – onder meer – voorrechten, vrijstellingen en immuniteiten. Voorts is niet gebleken dat een belanghebbendenvergunning nodig is voor het doelmatig functioneren van het consulaat in de zin van de préambule van het Verdrag. De rechtbank neemt daarbij de door verweerder aangehaalde alternatieve parkeermogelijkheden in aanmerking. Evenmin blijkt dat een belanghebbendenvergunning een faciliteit is die in het kader van de verrichtingen van de werkzaamheden van de consulaire post door de ontvangende staat wordt verleend op grond van artikel 28 van het Verdrag.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het Verdrag in de weg staat aan het onderscheid dat Burgemeester en Wethouders maakt tussen beroeps- en honorair consuls.

Overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten bewegen op grond van de hardheidsclausule in artikel 35 van de Parkeerverordening 2005 eiser een belanghebbendenvergunning te verstrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiser op grond van het Uitvoeringsbesluit niet in aanmerking komt voor een belanghebbendenvergunning.

De rechtbank verwerpt het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de positie van de Jamaicaanse consuls niet gelijk is aan die van eiser. De Jamaicaanse consul beschikt geruime tijd over een belanghebbendenvergunning. Op hem is de uitsterfregeling van artikel 4, onder c, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing, aldus verweerder.

De rechtbank volgt deze stelling van verweerder en voegt daar aan toe dat ook als de verstrekking van een belanghebbendenvergunning op een vergissing berust, deze vergissing niet tot gevolg heeft dat op grond van het gelijkheidsbeginsel eiser alsnog een belanghebbendenvergunning dient te worden verstrekt.

De rechtbank ziet in de publicatie op de internetsite van het stadsdeel Oud-Zuid geen aanwijzing dat dit stadsdeel aan honoraire consuls wel een belanghebbendenvergunning verstrekt. Mocht blijken dat het stadsdeel Oud-Zuid daartoe wel overgaat, dan is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel nu het een ander stadsdeel betreft.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

Voor veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 december 2007 door mr. S.J. Riem, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B