Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1655

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
AWB 06-4457 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Uitbetaling van het PGB aan een gezinslid van de budgethouder dat slechts optreedt als vertegenwoordiger van de budgethouder en niet de verzorging op zich heeft genomen, kan niet worden aangemerkt als inkomen in de zin van de Wwb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/4457 WWB

van:

[eiseres], wonende te [woonplaats]

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Geffen,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verweerder].

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 31 augustus 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het gestelde niet tijdig nemen van een besluit op besluit op bezwaar door verweerder. Op 26 september 2006 heeft verweerder op het bezwaar beslist. Op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 september 2006 (hierna ook: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 15 november 2007.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Gedurende het tijdvak hier in geding (1 juli 2000 tot en met 29 februari 2004) ontving eiseres achtereenvolgens bijstand naar de gezinsnorm tezamen met haar partner en zoon (tot en met 23 november 2000) en bijstand als alleenstaande ouder (van 24 november 2000 tot en met 29 februari 2004).

De zoon van eiseres, [zoon eiseres], geboren [geboortedatum] 1993, is houder van een door de Sociale verzekeringsbank (Svb) verstrekt persoonsgebonden budget (PGB) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) dat is bedoeld om zorg in te kopen. Blijkens de overeenkomst van 13 april 2000 is eiseres vertegenwoordiger van de budgethouder.

Eiseres ontving als vertegenwoordiger van de budgethouder op basis van declaratie bij de Svb de PGB-gelden op haar bankrekening met nummer [nummer] (hierna: de 31-rekening).

Eiseres beschikte ook over een bankrekening met nummer [nummer] (hierna: de 38-rekening). Deze was een spaarrekening en een tegenrekening van de 31-rekening. Eiseres heeft ter zake van de 38-rekening verklaard dat zij deze gebruikte om te sparen voor haar zoon en dat zij de PGB-gelden die zij – op de 31-rekening – ontving meteen na ontvangst op deze rekening stortte.

Verweerder was bekend met de 31-rekening.

In april en december 2004 heeft eiseres bankrekeningen met nummers [nummer] en [nummer] (hierna: de 39- respectievelijk 32-rekening) geopend.

2.2. Bij primair besluit van 27 januari 2006 heeft verweerder het besluit tot toekenning van bijstand herzien over het tijdvak 1 juli 2000 tot en met 29 februari 2004 omdat over dat tijdvak wegens het schenden van de inlichtingenplicht tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiseres heeft nagelaten om verweerder er van in kennis te stellen dat zij beschikt over een drietal bankrekeningen (de 38-, de 39- en de 32-rekening) waarop tevens gelden worden gestort; derhalve is er sprake van verzwegen vermogen. Er is netto € 18.892,20 te veel bijstand uitgekeerd. Voorts heeft verweerder de te veel betaalde bijstand bruto teruggevorderd, neerkomend op een bedrag van € 26.604,94.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, het primaire besluit gehandhaafd en het gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen. Verweerder heeft daartoe samengevat het volgende overwogen.

Door de schending van de inlichtingenplicht is verweerder niet in de gelegenheid gesteld om tijdig te beoordelen of met onderhavige bankrekeningenconstructie terecht een beroep op de bijstand is gedaan. De door eiseres bij de Svb gedeclareerde bedragen dan wel het restant daarvan en de tegoeden op de rekeningen, waarvan niet kan worden vastgesteld of deze (restanten van) PGB-gelden betreffen, worden daarom beschouwd als vrij besteedbaar inkomen. Als de PGB-gelden als zodanig zouden zijn gebruikt dan zou de gemeente Amsterdam niet zijn benadeeld omdat deze gelden niet tot de middelen worden gerekend. Anders dan eiseres meent, kan op een enkele uitzondering na uit de voorhanden zijnde stukken niet worden afgeleid van wie de bedragen afkomstig zijn, dat de bedragen zijn afgeschreven van bestaande rekeningen van eiseres dan wel afkomstig zijn van de door eiseres bij de Svb gedeclareerde bedragen. Door de gang van zaken is het niet meer mogelijk om de verstrengeling van de rekeningen te ontrafelen en is de herkomst en opbouw van de spaargelden oncontroleerbaar geworden.

Verweerder voert het beleid dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden tot herziening en terugvordering. Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden of dringende redenen om van het beleid af te wijken.

Verweerder wijst het in bezwaar gedane verzoek om vergoeding van de bezwaarprocedurekosten en het verzoek om vergoeding van de schade bestaande in wettelijke rente af.

In beroep heeft eiseres samengevat het volgende aangevoerd.

Eiseres heeft de inlichtingenplicht niet geschonden. Controle van de 31-rekening was voldoende om inzicht te krijgen in de herkomst van de gelden en de opbouw van de saldi op zowel de 31- als de 38-rekening. Het niet apart melden van de 38-rekening kan daarom niet als schending van de inlichtingenplicht worden aangemerkt. De inlichtingenplicht kan voor de 39- en 32-rekeningen niet zijn geschonden aangezien die bankrekeningen ten tijde hier van belang nog niet bestonden. Eiseres heeft erop gewezen dat de strafrechter eiseres heeft vrijgesproken van valsheid in geschrifte inzake onderhavige kwestie.

Eiseres heeft niet ten onrechte bijstand ontvangen aangezien de PGB-gelden voor de beoordeling van het recht op bijstand tot de vrijgelaten middelen behoren.

Anders dan verweerder stelt, kan aan de hand van de voorhanden zijnde stukken het financieel verloop wel worden vastgesteld.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de door hem gestelde verzwijging van de 39- en de 32-rekening niet langer aan het bestreden besluit ten grondslag wordt gelegd. Voorts heeft verweerder toegelicht dat zijn herzienings- en terugvorderingsbesluit slaat op een bedrag ter hoogte van de door de Svb gestorte PGB-gelden en dat de grondslag van de herziening en terugvordering er in bestaat dat, doordat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, niet duidelijk is hoe de PGB-gelden zijn besteed.

2.3. De rechtbank overweegt het volgende.

2.3.1. Inzake het gestelde niet tijdig nemen van een besluit

Eiseres heeft ter zitting verklaard geen belang meer te stellen bij de behandeling van dit deel van het beroep. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel zal verweerder ter zake in de proceskosten worden veroordeeld.

2.3.2. Inzake het besluit van 26 september 2006

Artikel 17 van de Wet werk en bijstand (Wwb) [artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw)]:

“1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

(…)”.

Artikel 31 van de Wwb [artikel 43, tweede lid, van de Abw]:

1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

“(…)

f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;

(…)”.

Artikel 54 van de Wwb:

“(…)

3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

(…)”.

Artikel 58 van de Wwb:

“1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

(…)”.

Ter zake van de inlichtingenplicht

Verweerder moet voor de vaststelling van het recht op bijstand op de hoogte te zijn van aan de betrokkene toebehorende bankrekeningen en het is de plicht van de betrokkene om hiervan desgevraagd melding te doen. Dat verweerder in casu door eigen onderzoek uit de afschriften van de 31-rekening het bestaan van de 38-rekening had kunnen afleiden, doet aan deze plicht niets af. Terecht derhalve heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarbij zij nog opgemerkt dat de bestuursrechter ter zake een zelfstandig oordeel velt en dat vrijspraak voor valsheid in geschrifte niet impliceert dat het niet melden van de 38-rekening geen schending van de inlichtingenplicht oplevert.

Ter zake van de herziening en terugvordering

De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat hij zich op het standpunt stelt dat de PGB-gelden normaliter niet maar in dit geval wel als inkomsten worden beschouwd en derhalve in aftrek van het recht op bijstand komen, omdat door de schending van de inlichtingenplicht niet kan worden vastgesteld of de PGB-gelden daadwerkelijk als vrij te laten inkomsten dienen te worden aangemerkt, nu niet valt te achterhalen of eiseres de PGB-gelden conform hun bestemming, zorg voor [zoon eiseres], heeft besteed. De hoogte van de terugvordering komt overeen met de hoogte van de aan eiseres, ten behoeve van haar zoon, verstrekte PGB-gelden in de voorliggende periode.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt en wijst op de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 mei 2003 (nr. Intercom/2003/38036) gericht aan onder anderen de colleges van burgemeester en wethouders. Hieruit blijkt dat de PGB-gelden die de AWBZ-verzekerde ontvangt niet als inkomsten worden beschouwd tenzij deze worden uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen.

In casu worden de PGB-gelden niet uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen, de gelden worden slechts ter verdere beschikking gesteld van een gezinslid dat niet de verzorging op zich heeft genomen. De PGB-gelden dienen dan ook niet als inkomsten te worden beschouwd. Voorts overweegt de rechtbank dat de besteding van PGB-gelden aan de Svb, en niet aan verweerder, dient te worden verantwoord en gelden die niet aan zorg worden besteed, dienen, blijkens de brief van de Staatssecretaris, aan de Svb te worden terugbetaald. De Svb kan hiervoor de zoon als budgethouder en de moeder als zijn vertegenwoordiger aanspreken.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder het recht op bijstand ten onrechte heeft herzien en ter zake bijstand heeft teruggevorderd ter hoogte van een bedrag dat eiseres aan PGB-gelden ontving, nu het schenden van de inlichtingenplicht hiertoe een onvoldoende grondslag biedt.

Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij zal verweerder de beslissingen tot herziening en terugvordering dienen te herroepen en voorts over te gaan tot vergoeding van de bezwaarprocedurekosten alsmede tot vergoeding van de schade die naar het oordeel van de rechtbank enkel bestaat in de wettelijke rente over de reeds ingevorderde bedragen.

2.3.3. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 724,50: € 80,50 inzake het niet tijdig beslissen (1 punt voor het beroepschrift x € 322,00 x wegingsfactor 0,25 ) + € 644,00 inzake het bestreden besluit (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 322,00 x wegingsfactor 1).

Voorts dient het door eiseres betaalde griffierecht ad € 38,- aan haar te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 724,50, te vergoeden door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 38,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2007 door mr. drs. M.T. Boerlage, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. van Bremen, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C