Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1545

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/4537 GEMWT en AWB 07/4399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitzonderlijke situatie op grond waarvan het handhavend optreden van verweerder met een dermate kort begunstigingstermijn zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhaving (vooralsnog) had moeten worden afgezien, althans dat verzoekers een veel langere begunstigingstermijn had moeten worden gegund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in de gedingen met registratienummers AWB 07/4537 GEMWT en AWB 07/4399

GEMWT

van:

Rederij Griffioen en Schependienst de Singel, beiden gevestigd te Amsterdam,

verzoekers,

vertegenwoordigd door prof. mr. P. Nicolaï,

tegen:

het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Centrum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg.

1. PROCESVERLOOP

Op 23 november 2007 heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) een verzoek om voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift gericht tegen het besluit van verweerder, verzonden op 29 oktober 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 13 december 2007.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de rechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de rechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van art. 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Verzoekers hebben op 20 april 2006 exploitatievergunningen verkregen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het college) voor de exploitatie van de uitstootvrije bemande passagiersvaartuigen Bredero en Hildebrand. Aan de vergunningen is onder andere als voorwaarde verbonden dat binnen een jaar na verlening van de vergunningen voor ieder vergund vaartuig een ligplaatsvergunning of een ander bewijs van legale ligplaats diende te worden overgelegd. In verband hiermee hebben verzoekers aanvragen ter verkrijging van een ligplaatsvergunning ingediend bij de stadsdelen Oud-West, Westerpark en Zeeburg. Deze aanvragen zijn thans nog in behandeling. Het college heeft de in voornoemde voorwaarde genoemde termijn (van een jaar) verlengd tot 1 oktober 2007.

In een tweetal inventarisatierapportages van de buitendienst van de Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam van 20 juni 2007 is vermeld dat is geconstateerd dat de vaartuigen Bredero en Hildebrand zonder ligplaatsvergunning afgemeerd waren in de Singel nabij nummer 309.

Bij besluiten van 1 augustus 2007 heeft verweerder verzoekers aangeschreven de passagiersvaartuigen Hildebrand en Bredero, beiden gelegen in de Singel nabij nummer 309, binnen zes weken na dagtekening van de besluiten te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van stadsdeel Amsterdam Centrum voor zover dat het ligplaats innemen betreft, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 15.000,-.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard, met dien verstande dat de begunstigingstermijn is vastgesteld op zes weken na verzending van het besluit.

De rechter overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:22 van de Awb in samenhang met artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang met betrekking tot overtredingen, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert. Gelet op de Verordening op de stadsdelen is in het onderhavige geval verweerder het bevoegde orgaan.

In artikel 5:32, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Ingevolge het tweede lid van artikel 5:32 van de Awb strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (Vhb) is het verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het College met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, bedrijfs- en vaartuiggebonden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2.

Ingevolge artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vhb is het eerste lid niet van toepassing:

a. voor het innemen van een ligplaats die het College heeft aangewezen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen;

b. voor afmeerplaatsen die het College heeft aangewezen voor embarkeren of debarkeren van passagiers, dan wel voor de aan- en afvoer van materialen over water. Ten aanzien van het gebruik van deze afmeerplaatsen kan het College nadere regels stellen.

Ingevolge artikel 2.4.1, vierde lid, van de Vhb kan de vergunning alleen worden verleend indien de uit te oefenen werkzaamheden of activiteiten watergebonden zijn of wanneer het gaat om de aan- of afvoer van materialen over water en de vereiste vergunningen voor het uitoefenen van die werkzaamheden of activiteiten zijn verleend.

Ingevolge artikel 2.4.1, vijfde lid, van de Vhb kan het College in afwijking van het vierde lid vergunning verlenen:

a. voor incidentele sociaal-culturele activiteiten die een korte periode duren, of

b. in bijzondere gevallen.

Verzoekers hebben allereerst aangevoerd dat de passagiersvaartuigen Bredero en Hildebrand geen ligplaats innemen in de Singel nabij nummer 309, maar dat ze aldaar tijdelijk afgemeerd worden. Het tijdelijk afmeren is noodzakelijk voor het opladen van de accu's van de vaartuigen en voor het verrichten van andere handelingen, zoals het opruimen, schoonmaken en bevoorraden van de vaartuigen en het bezichtigen van de vaartuigen door potentiële klanten. Dit alles dient te gebeuren vóór het kantoor van Rederij der Nederlanden op het adres Singel 309, omdat daar de laadkast is geplaatst en omdat de ontvangst van potentiële klanten en de bevoorrading plaatsvindt vanuit het kantoor, aldus verzoekers. Ter onderbouwing van hun grief hebben verzoekers verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 december 2007 (LJN BB9429), waarin de Afdeling ten aanzien van de uitleg van een bestemmingsplanbepaling heeft overwogen dat, gelet op de redactie van de bepaling en op het algemeen spraakgebruik, het begrip ligplaats in het kader van die bepaling moet worden opgevat als plaats om een vaartuig voor langere tijd aan te leggen.

Naar het oordeel van de rechter slaagt het betoog van verzoekers niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat onder het innemen van een ligplaats moet worden verstaan "stilliggend in de zin van geankerd zijn (waaronder ook dient te worden begrepen het afmeren met behulp van spudpalen) hetzij gemeerd liggend zoals bedoeld in artikel 1.01 onder D sub 3 van het Binnenvaartpolitiereglement (Bpr)), anders dan in afwachting van de bediening van een brug of sluis, bunkeren en al het overige voor korte duur stilleggen wat naar verkeersopvatting niet kan worden gezien als ligplaats innemen". De rechter acht deze uitleg van het begrip 'ligplaats innemen' niet onredelijk. Daarbij neemt de rechter in aanmerking dat vorenbedoelde uitspraak van de Afdeling van 5 december 2007 in dit geval onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een andere uitleg, enerzijds omdat deze uitspraak betrekking heeft op de uitleg van een bestemmingsplanbepaling en anderzijds omdat in die uitspraak niet nader is gekwantificeerd wat onder het begrip 'voor langere tijd aanleggen' moet worden verstaan.

In het aanvullend bezwaarschrift van 3 september 2007 hebben verzoekers aangegeven dat in het algemeen tot 23.00 uur met de vaartuigen Bredero en Hildebrand wordt gevaren en dat de vaartuigen in de periode van 23.00 uur 's-avonds tot 11.00 uur 's-morgens afgemeerd liggen tegenover het kantoor van de rederij in verband met het opladen van de accu's. Hoewel de grens tussen afmeren en ligplaats innemen niet geheel duidelijk is aan te geven, is de rechter, gelet op de lange duur van afmeren, dagelijks op dezelfde plek, van oordeel dat hiermee sprake is van ligplaats innemen als bedoeld in artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vhb.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vhb onverbindend is voorzover het een verbod inhoudt tot het afmeren van vaartuigen op de wijze als door verzoekers verricht. In dit verband hebben zij erop gewezen dat het tijdelijk afmeren wordt beheerst door het Binnenvaartpolitiereglement en dat artikel 2.4.1 van de Vhb derhalve geen rechtsgeldig verbod kan omvatten tot het tijdelijk afmeren van een vaartuig waarmee niet beoogd wordt om blijvend ligplaats in te nemen.

De rechter stelt vast dat deze grief is gebaseerd op de veronderstelling dat sprake is van tijdelijk afmeren en niet van ligplaats innemen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat naar het oordeel van de rechter geen sprake is van tijdelijk afmeren, maar van ligplaats innemen, zodat de grief van verzoekers reeds om deze reden geen doel treft.

Nu de vaartuigen van verzoekers naar het oordeel van de rechter (dagelijks) ligplaats innemen in de Singel nabij nummer 309, zonder dat verzoekers over een ligplaatsvergunning beschikken, was verweerder bevoegd ter zake een last onder dwangsom op te leggen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Daartoe heeft verweerder verwezen naar zijn beleid, inhoudende dat geen nieuwe ligplaatsvergunningen voor passagiersvoertuigen in het beheersgebied van het stadsdeel worden uitgegeven totdat de planvorming met betrekking tot de inrichting van het water in het beheersgebied rond is. Een uitzondering hierop wordt alleen gemaakt voor passagiersvaartuigen die al vóór 2006 beschikten over een exploitatievergunning en tevens al vóór 2006 ligplaats in het stadsdeel hadden ingenomen, aldus verweerder.

De rechter acht dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist.

Vast staat dat verzoekers niet aan de uitzonderingsvoorwaarden in het beleid van verweerder voldoen, nu zij eerst in 2006 een exploitatievergunning hebben verkregen en eerst in 2007 ligplaats hebben ingenomen binnen het stadsdeel. Naar het oordeel van de rechter kan dan ook niet worden gezegd dat sprake is van een concreet uitzicht op legalisatie.

De rechter is echter van oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder van optreden in deze concrete situatie had behoren af te zien. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechter gebleken dat verzoekers in een zeer lastig parket verkeren. Op basis van de nota "Uitbreiding bedrijfsmatig vervoer op het water in Amsterdam" van de gemeente Amsterdam van 14 oktober 2005 (hierna: de Nota), waarin onder andere de intentie van de gemeente is weergegeven van uitbreiding van de passagiersvaart met passagiersvaartuigen die geheel uitstootvrij varen, hebben verzoekers een aantal vaartuigen, waaronder de Bredero en de Hildebrand, laten bouwen, die op elektriciteit varen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben verzoekers voor deze vaartuigen een exploitatievergunning verkregen van het college. Verzoekers hebben (onbetwist) verklaard dat zij dermate grote financiële investeringen hebben moeten doen dat direct na het afbouwen van de vaartuigen met de exploitatie ervan moest worden begonnen. Voorts hebben zij aannemelijk gemaakt dat de exploitatie van de schepen zal dienen te worden gestaakt indien zij aan de last onder dwangsom voldoen, met fatale gevolgen voor hun bedrijf. Hoewel in paragraaf 3.3 van de Nota is vermeld dat de stadsdelen, uitgezonderd stadsdeel Amsterdam Centrum, hadden aangegeven graag te willen meewerken aan het realiseren van nieuwe afmeervoorzieningen voor passagiersvaart, heeft de behandeling van de door verzoekers aangevraagde ligplaatsvergunningen bij de stadsdelen Oud-West, Westerpark en Zeeburg ernstige vertraging ondergaan, onder meer in verband met bezwaren van omwonenden. De vaartuigen worden derhalve thans wel reeds geëxploiteerd, maar verzoekers hebben nog geen ligplaatsvergunning voor de vaartuigen verkregen. De vaartuigen moeten echter uiteraard wel ergens worden aangelegd gedurende de periodes dat ze niet in gebruik zijn. Voorts moeten de accu's van de vaartuigen dagelijks worden opgeladen. Vast staat dat verweerder een vergunning heeft verleend voor het plaatsen van de daarvoor benodigde laadkast vóór het kantoor van de rederij op het adres Singel 309. Verzoekers zijn zodoende haast wel gedwongen met de desbetreffende vaartuigen dagelijks ligplaats in te nemen in de Singel bij de laadkast voor de rederij om de accu's op te laden.

Het belang van verweerder om in afwijking van zijn beleid niet over te gaan tot het verlenen van een tijdelijke ligplaatsvergunning is, gelet op het verhandelde ter zitting, vooral gelegen in het feit dat verweerder in het kader van de planvorming rondom de inrichting van het water in het beheersgebied niet voor voldongen feiten wordt gesteld die deze planvorming in de weg staan. Naar het oordeel van de rechter zal daar geen sprake van zijn indien verweerder vooralsnog afziet van handhaving en op die manier verzoekers een redelijke termijn gunt om zonder onderbreking van de expoitatie een ligplaats in een ander stadsdeel te verwerven.

Voorts is met de exploitatie van de schepen een gemeentelijk belang gediend, gelet op de Nota.

Tenslotte kan de voorzieningenrechter er niet aan voorbij zien dat verweerder zelf een vergunning heeft verstrekt voor de oprichting van een laadstation aan de Singel ter hoogte van numer 309. Daarmee heeft verweerder zelf meegewerkt aan de totstandkoming van een situatie die naar de letter van de VHB tot overtreding van het ligplaatsverbod heeft geleid.

Gelet op vorenstaande omstandigheden is de rechter van oordeel dat het handhavend optreden van verweerder met een dermate korte begunstigingstermijn zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhaving (vooralsnog) had moeten worden afgezien, althans dat verzoekers een veel langere begunstigingstermijn had moeten worden gegund.

Gelet op het voorgaande is de rechter van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Derhalve zal het beroep gegrond verklaard worden en het bestreden besluit worden vernietigd. Voorts zal verweerder opdracht worden gegeven om een nieuw besluit te nemen, en zal de rechter de voorlopige voorziening treffen dat de primaire besluiten van 1 augustus 2007 worden geschorst tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar bekend is gemaakt.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb zal de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam Centrum) het door verzoekers in de voorlopige voorzieningenprocedure en bodemprocedure betaalde griffiegeld, totaal € 428,-

(€ 143,- + € 285,-) dienen te vergoeden. Hierbij merkt de rechter op dat in de bodemprocedure abusievelijk een onjuist griffierecht is geheven (€ 143,- in plaats van

€ 285,-).

De rechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening en het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Die kosten zijn, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 966,- (3 punten x factor 1 x € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de rechter 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op de bezwaren van verzoekers met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat de primaire besluiten van 1 augustus 2007 worden geschorst tot zes weken nadat een nieuw besluit op bezwaar bekend is gemaakt;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam Centrum) aan verzoekers de griffierechten ad € 428,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam Centrum) aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2007 door mr. T.P.J. de Graaf, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (AWB 07/4399 GEMWT), een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B