Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC1450

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
AWB 07-1066 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep Stichting de Faunabescherming tegen de ontheffing ex artikel 9 Flora- en Faunawet voor het doden van wilde dieren op Kroondomein Het Loo. Drukjacht op wilde zwijnen. Voorschrift 4 bij ontheffing is geen onderdeel als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb. Wel strijd met de goede procesorde nu deze beroepsgrond eerst ter zitting is besproken.

Samenvatting:

Eerst ter zitting heeft eiseres gronden ingebracht tegen het vierde voorschrift, verbonden aan de verleende ontheffing, dat ziet op de drukjacht op wilde zwijnen.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de toepassing van de drukjacht op wilde zwijnen geen apart onderdeel van het bestreden besluit, zoals bedoeld in artikel 6:13 van de Awb, maar dient dit te worden beschouwd als deel uitmakende van het door eiseres reeds in haar zienswijze bestreden doden van wilde zwijnen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond op grond van artikel 6:13 van de Awb buiten beschouwing te laten. Die aanleiding ziet de rechtbank echter wel in de goede procesorde, nu niet is gebleken dat het aanvoeren van deze beroepsgrond niet eerder had gekund en verweerder zich uitdrukkelijk heeft verzet tegen het alsnog bespreken van deze eerst ter zitting aangevoerde grond.

Verweerder heeft in redelijkheid ontheffing verleend. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak met reg.nr. AWB 07/1066 BESLU

van:

Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger Stichting De Faunabescherming],

tegen:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. Nagel.

Aan het geding heeft tevens deelgenomen de Jagermeester van Hare Majesteit de Koningin, vertegenwoordigd door mr. M.C. de Smidt.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 november 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen een besluit van verweerder van 26 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 20 november 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 26 oktober 2006 is aan de Jagermeester van Hare Majesteit de Koningin voor het tijdvak van voornoemde datum tot en met 31 december 2009 ter voorkoming van belangrijke schade aan bossen en ter voorkoming van schade aan flora en fauna ontheffing verleend van het in artikel 9 van de Flora- en Faunawet (Ffw) vervatte verbod op het doden, bemachtigen en met het oog daarop opsporen van jaarlijks zoveel edelherten, reeën, damherten en wilde zwijnen, als noodzakelijk is om het aantal dieren terug te brengen tot de na te streven mediane voorjaarstand, op de gronden uitmakende Kroondomein Het Loo. Verweerder heeft aan deze ontheffing voorschriften verbonden.

Eiseres heeft tegen dit besluit ingevolge het bepaalde van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank, nu verweerder voor het verlenen van de vrijstelling de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb heeft gevolgd.

Eiseres heeft aangevoerd dat de ontheffing niet voldoet aan de voorwaarden zoals deze zijn gesteld in artikel 68 van de Ffw. Daartoe heeft zij de volgende beroepsgronden aangevoerd:

1. In het Faunabeheerplan Kroondomein Het Loo, waarop de ontheffing is gebaseerd, is op

geen enkele manier aangetoond dat er sprake is van (dreigende) belangrijke schade aan bossen. Voorts blijkt uit het Faunabeheerplan niet dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat ter voorkoming van belangrijke schade aan bossen en ter voorkoming van schade aan flora en fauna. Bovendien blijkt uit het Faunabeheerplan dat er al een bevredigend alternatief wordt toegepast, namelijk in de vorm van het laten staan van binnenrasters ten behoeve van de verjonging van het loofhout.

2. In het Faunabeheerplan wordt voorts op geen enkele manier aangetoond of aannemelijk

gemaakt dat de belangen ten aanzien van schade aan de landbouw en de verkeersveiligheid worden bedreigd. Daarbij blijkt uit het plan dat ook hiervoor een andere bevredigende oplossing aanwezig is, namelijk in de vorm van rasters. Er kan voorts uitsluitend een ontheffing worden verleend ter voorkoming van “belangrijke schade” aan de landbouw en niet voor “schade”.

3. Het is daarbij niet noodzakelijk om in te grijpen door middel van het verlenen van de ontheffing, nu er sprake is van een bepaalde natuurlijke draagkracht die door de dierpopulaties zal worden gevolgd. De dierpopulaties zullen hiermee zichzelf reguleren.

4. Door het niet vermelden van het aantal exemplaren van de verschillende soorten dat maximaal mag worden geschoten en het verlenen van toestemming om “zoveel dieren te schieten als nodig is om de na te streven mediane voorjaarstand te bereiken” is het uitoefenen van controle op het juiste gebruik van de ontheffing door de minister vrijwel onmogelijk.

5. Het deel van de ontheffing dat ziet op terugbrengen van de stand van de damherten tot 0 voldoet niet aan de voorwaarde dat uitsluitend ontheffing mag worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende diersoort. Het damhert is een beschermde inheemse diersoort die tevens is geplaatst op de rode lijst van bedreigde zoogdieren in Nederland.

De rechtbank overweegt het volgende.

Eiseres is in haar zienswijze wel opgekomen tegen het doden van – onder meer – wilde zwijnen, maar zij is niet ingegaan op het vierde voorschrift, verbonden aan de verleende ontheffing. Dit voorschrift ziet op het terugbrengen van het aantal wilde zwijnen middels de zogenaamde drukjacht. Het inleidend beroepschrift van eiseres bevat evenmin gronden gericht tegen deze jachtmethode. Gelet op de in de brief van 19 november 2007 vervatte intrekking van de aanvullende beroepsgronden van de gemachtigde van eiseres van 14 november 2007, heeft eiseres eerst ter zitting een beroepsgrond gericht tegen het aan de ontheffing verbonden voorschrift 4 betreffende de toepassing van de drukjacht op wilde zwijnen.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de toepassing van de drukjacht op wilde zwijnen geen apart onderdeel van het bestreden besluit, zoals bedoeld in artikel 6:13 van de Awb, maar dient dit te worden beschouwd als deel uitmakende van het door eiseres reeds in haar zienswijze bestreden doden van wilde zwijnen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond op grond van artikel 6:13 van de Awb buiten beschouwing te laten. Die aanleiding ziet de rechtbank echter wel in de goede procesorde, nu niet is gebleken dat het aanvoeren van deze beroepsgrond niet eerder had gekund en verweerder zich uitdrukkelijk heeft verzet tegen het alsnog bespreken van deze eerst ter zitting aangevoerde grond.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Ingevolge artikel 9 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, in samenhang met artikel 70 van de Ffw kan de Minister, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 9:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

In het derde lid van voormeld artikel is bepaald dat de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts wordt verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de verleende ontheffing noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan de bossen in het Kroondomein en heeft daarbij verwezen naar het Faunabeheerplan Kroondomein Het Loo 2004-2009. Indien er geen afschot van de in de ontheffing vermelde dieren plaatsvindt, neemt de populatie van deze dieren toe en daarmee de door hen veroorzaakte schade aan (jonge) bomen. Verweerder heeft er op gewezen dat het Kroondomein een multifunctioneel landgoed is en geen natuurgebied. Er wordt gestreefd naar het behoud en de versterking van de natuur- en landschapswaarden bij een verantwoord financieel beheer. Dat betekent dat er een verantwoord beheer van flora en fauna plaatsvindt, maar dat ook een substantiële opbrengst uit het hout moet worden bewerkstelligd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan beheer door middel van afschot en dat daardoor, uitgaande van de na te streven mediane voorjaarsstand, geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten. Verweerder heeft voorts aangegeven dat het edelhert en damhert met elkaar concurreren en dat de draagkracht van het betreffende gebied onvoldoende is voor de ontwikkeling van een volwaardige edelherten- en reeënpopulatie naast een volwaardige damhertenpopulatie. Verweerder heeft op grond van langdurig beleid, dat is neergelegd in de Nota Jacht en Wildbeheer, gekozen voor de populatie van edelherten. Omdat elders in het land waar geen concurrentie bestaat met het edelhert de populaties damherten behouden blijft, wordt de instandhouding van de diersoort geen geweld aangedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, mede gelet op het Faunabeheerplan en het verhandelde ter zitting, dat de ontheffing noodzakelijk is ter voorkoming van belangrijke schade aan de bossen in het Kroondomein en dat is voldaan aan de in artikel 68, eerste lid, van de Ffw genoemde voorwaarden dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soorten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het betoog van eiseres dat er alternatieve mogelijkheden bestaan om de jonge bomen te beschermen, namelijk met gebruikmaking van binnenrasters, afdoende heeft weerlegd met de stelling dat het financieel niet verantwoord maar gelet op het open karakter van het gebied ook niet wenselijk is om alle over het gehele terrein van het langdoed verspreide nieuwe aanwas van (loof)bomen individueel of per cluster af te rasteren, waarbij de rechtbank nog in het midden laat welk effect een zeer omvangrijke hoeveelheid binnenrasters op de aldaar bestaande dierpopulatie heeft.

De door eiseres bij brief van 3 november 2007 overgelegde rapporten onderbouwen haar stelling dat de verschillende diersoorten, indien niet wordt ingegrepen, uiteindelijk zelf hun populatie reguleren. Deze stellingen weerleggen echter niet het standpunt van verweerder dat die vorm van regulatie in dit geval niet hanteerbaar is omdat Kroondomein Het Loo een multifunctioneel landgoed is en niet een natuurgebied. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belangen die bij het beheer van een multifunctioneel landgoed een rol spelen, niet zouden mogen worden betrokken bij de verlening van een ontheffing op grond van artikel

68 van de Ffw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de verlening van de ontheffing de afweging van deze belangen voldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op het standpunt dat het edelhert en het damhert directe concurrenten zijn ten aanzien van voedsel. Mede gelet op deze nadere toelichting is het voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat deze twee diersoorten direct met elkaar concurreren. In een multifunctioneel landgoed als Kroondomein Het Loo kan dan, gelet op alle betrokken belangen, de noodzaak bestaan een keuze te maken voor één van beide diersoorten. Die noodzaak en de uitkomst van deze keuze zijn met de verwijzing naar de Nota Jacht en Wildbeheer naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd. Dat het damhert een beschermde diersoort is doet hier niet aan af. Die kwalificatie behelst immers geen absoluut verbod op afschot. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de ontheffing geen afbreuk doet aan de gunstige instandhouding van de soort als geheel, nu het damhert ook elders in Nederland voor komt, hetgeen door eiseres niet is betwist.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de ontheffing te verlenen.

Verweerder heeft tot slot ter zitting nog aangegeven dat de belangen van het voorkomen van schade aan landbouw en de verkeersveiligheid geen rol hebben gespeeld bij het verlenen van de ontheffing. De gronden van eiseres die zien op deze belangen kunnen derhalve onbesproken blijven

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep ongegrond wordt verklaard. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2007 door mrs. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, en P.H.A. Knol en A.E.J.M. Gielen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier,

en bekendgemaakt aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B