Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0869

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
24-12-2007
Zaaknummer
13.497.260-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweer ten aanzien van art. 9, eerste lid OLW (ne bis in idem) verworpen. De opgeëiste persoon is eerder veroordeeld door de rechtbank Assen en heeft die straf ondergaan. De rechtbank betrekt in haar beoordeling art. 54 SUO en art. 3, lid 2 van het Kaderbesluit, alsmede recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG. Relevant beoordelingscriterium voor toepassing van art. 54 SUO is de gelijkheid van de materiële feiten, hetgeen moet worden begrepen als het bestaan van een geheel van concrete feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificaties van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het procesdossier van de rechtbank Assen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.260-2007

RK nummer: 07/2848

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 mei 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 22 maart 2007 door de officier van justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie te Verona (Italië).

Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedatum] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Noord-Holland Noord’,

huis van bewaring ‘Zwaag’ te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De eerste behandeling van de vordering vond plaats op de openbare zitting van 22 juni 2007. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Arabische taal.

Op 6 juli 2007 heeft de rechtbank een interlocutoire uitspraak gewezen. Hierbij is het reeds gesloten onderzoek heropend aangezien de rechtbank het in het kader van de beoordeling of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder e van de OLW aan de orde kan zijn, noodzakelijk vond kennis te nemen van de inhoud van het procesdossier dat betrekking heeft op het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 8 oktober 2003 (parketnummer 19.810052-03). De opgeëiste persoon heeft de bij dit vonnis aan hem opgelegde vrijheidsstraf inmiddels ondergaan.

De rechtbank heeft de behandeling van de vordering heropend en geschorst tot de zitting van 27 juli 2007.

Op 27 juli 2007 is de behandeling van de vordering voortgezet. Met instemming van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing.

Op deze zitting zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman opnieuw gehoord, de opgeëiste persoon met de bijstand van een tolk in de Arabische taal.

De raadsman heeft verweer tegen de vordering gevoerd.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Het hierna volgende is reeds bij interlocutoire uitspraak vastgesteld en wordt hierbij herhaald.

Aan het EAB ligt een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest ten grondslag, uitgevaardigd door het Hof (Court) van Verona en gedateerd 6 juli 2006, referentie 287/2006 R.G. Trib.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van vijftien jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest.

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon ‘als voortvluchtige’ is berecht en dat het arrest tegen hem bij verstek is gewezen. In dat geval verbiedt het bepaalde in artikel 12 OLW de overlevering, tenzij de uitvaardigende justitiële autoriteit garandeert dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

Eerdergenoemde officier van justitie te Verona heeft bij brief van 15 juni 2007 de volgende garantie gegeven: “ik kan u garanderen dat de opgeëiste persoon het recht heeft om in hoger beroep te gaan tegen zijn veroordeling en dat hij in de gelegenheid zal worden gesteld om bij alle fasen van het proces tegen hem aanwezig te zijn”.

De rechtbank is van oordeel dat de geboden garantie toereikend is.

In deze omstandigheden wordt het EAB verstaan als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon. Het bevel is derhalve uitgevaardigd ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Italië strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting op 27 juli 2007 herhaald dat de bovenvermelde personalia juist zijn, in zoverre dat hij zijn identiteit heeft veranderd en zich thans [opgeëiste persoon] noemt, geboren op [geboortedatum] 1978.

De opgeëiste persoon heeft voorts verklaard dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en dat hij in het jaar 2004 tot ongewenst vreemdeling in Nederland is verklaard. Na de ongewenstverklaring is de opgeëiste persoon naar Tunesië gegaan, heeft zijn identiteit veranderd en is teruggekeerd naar Nederland.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten niet vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Zoals reeds vastgesteld in de interlocutoire uitspraak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De rechtbank dient dan ook na te gaan of het EAB voldoet aan het vereiste als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e van de OLW.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De rechtbank is ook thans van oordeel dat de feiten zowel naar het recht van Italië als naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit de stukken blijkt dat de feiten bedoeld onder 4.2 waarvoor de Italiaanse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

De strafbare handelingen hebben zich in aanmerkelijke mate op Italiaans grondgebied voorgedaan en slechts een deel van de strafbare handelingen heeft mogelijk in Nederland plaatsgevonden, te weten de uitvoer van de verdovende middelen.

Het strafrechtelijk onderzoek is in Italië gevoerd en de bewijsmiddelen – waaronder in Italië uitgevoerde taps waaruit de verbindingen met in Italië opererende personen blijken en de wijze waarop de verdovende middelen in Italië werden ingevoerd en verkocht – zijn in Italië voorhanden.

De vervolging van de strafbare feiten is in Italië aangevangen en de medeplichtigen van de opgeëiste persoon zijn reeds in Italië berecht.

De rechtsorde is in Italië het meest aangetast, nu de verdovende middelen telkens in Italië werden ingevoerd en bestemd waren voor de verkoop in Italië.

Het voorgaande brengt met zich dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland, aldus de officier van justitie.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten acht de rechtbank de vordering waarbij aan de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon voorbij wordt gegaan niet onredelijk en is van oordeel dat de officier van justitie op de door hem aangevoerde gronden in redelijkheid tot zijn vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

7. Ne bis in idem

7.1 De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het EAB betrekking heeft op dezelfde feiten als die, in verband waarmee de opgeëiste persoon is veroordeeld bij vonnis van de rechtbank te Assen van 8 oktober 2003 (parketnummer 19.810052-03), welk vonnis inmiddels is tenuitvoergelegd. Hij heeft daarbij gewezen op meldingen in het kader van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties, waarvan sprake is in het Assense dossier.

7.2 De officier van justitie is van oordeel dat ten deze geen sprake is van overlevering in verband met vervolging in Italië voor dezelfde feiten als waarvoor de opgeëiste persoon al is veroordeeld. Hij wijst er op dat het EAB betrekking heeft op (medeplegen van) vier gevallen van invoer van cocaïne in Italië in de periode van 27 januari 2003 tot 28 februari 2003, terwijl de rechtbank Assen de opgeëiste persoon voor zover hier relevant onder 2 van de telastelegging- heeft veroordeeld omdat hij “in de periode van 1 november 2002 tot en met 1 mei 2003 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd materiaal bevattende cocaïne (..)”

In de visie van de officier van justitie mocht de opgeëiste persoon er na deze veroordeling niet op vertrouwen dat hij niet op een later moment zou worden vervolgd ter zake van invoer van cocaïne in Italië, nu deze feiten wezenlijk verschillen qua oogmerk, wilsbesluit en financieel voordeel.

7.3 De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan het begrip “feit” als bedoeld in de aanhef van artikel 9, lid 1 OLW.

Bij de beantwoording daarvan zoekt de rechtbank aansluiting bij het begrip “dezelfde feiten” als bedoeld in artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) en artikel 3 lid 2 van het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel. Volgens recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (o.a.Van Esbroeck LJN AW8904, Kretzinger 18 juli 2007 C-288/05 en Kraaijenbrink 18 juli 2007 C-367/05) is het enige relevante criterium voor de toepassing van artikel 54 SUO de gelijkheid van de materiële feiten, hetgeen moet worden begrepen als het bestaan van een geheel van concrete feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.

7.4 De rechtbank heeft kennis genomen van het strafdossier dat ten grondslag ligt aan de meergenoemde veroordeling door de rechtbank Assen. De officier van justitie en de raadsman hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om dit dossier in te zien.

Uit bedoeld dossier blijkt niet dat de opgeëiste persoon in Italië zal worden berecht ter zake van dezelfde –hiervoor onder 7.2 weergegeven- materiële feiten die ten grondslag lagen aan zijn veroordeling door de rechtbank Assen. Noch uit het Assense dossier, noch uit het EAB is af te leiden dat de cocaïne, die de opgeëiste persoon volgens de bewezenverklaring in Nederland heeft verkocht en afgeleverd, op een van de in het EAB genoemde data, al dan niet door daar genoemde koeriers, in Italië is aangekomen. Daarentegen biedt het Assense dossier aanknopingspunten voor de verdenking dat de opgeëiste persoon cocaïne verkoopt aan Portugezen die boven een cafetaria in Steenwijk verblijven. De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in de periode van 6 maart 2002 tot en met 9 december 2002 een bedrag van € 18.000 heeft ontvangen, hetgeen blijkt uit meldingen, gedaan in het kader van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties, die met hem in verband worden gebracht. Nog daargelaten dat de periode die de raadsman noemt een andere is dan de in het EAB genoemde periode, niet blijkt dat dit bedrag aan OP is betaald in verband met de in het EAB bedoelde cocaïne transporten.

7.5 De conclusie uit het voorgaande is dat het verweer dat op de voet van artikel 9 lid 1 OLW is gevoerd, niet kan slagen.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Artikelen 2, 5, 7, 12 en 13 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie, verbonden aan het Openbaar Ministerie te Verona (Italië), ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. M. van Mourik en A.R.P.J. Davids, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 augustus 2007.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.