Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0396

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
AWB 06-1682 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:75a

Algemene wet bestuursrecht

in het geding met reg.nr. AWB 06/1682 WAO

van:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser, vertegenwoordigd door mr. F. Killic,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 6 januari 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 28 december 2005 (hierna: het bestreden besluit).

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank heeft mr. F. Killic, advocaat te Amsterdam, bij brief van 30 januari 2007 medegedeeld, dat het beroep wordt ingetrokken en dat aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de proceskosten.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om zonder zitting op het verzoek om vergoeding van de proceskosten uitspraak te doen, is het onderzoek gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 april 2004 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Tegen dit besluit heeft eiser op 17 april 2004 bezwaar aangetekend.

Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser bij besluit van 19 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft mr. F. Killic, advocaat te Amsterdam, tegen het besluit van 19 augustus 2004 een beroepschrift ingediend. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 04/4261 WAO.

Het beroep is bij brief van 21 december 2005 ingetrokken, omdat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen, aldus de gemachtigde van eiser. Op 13 januari 2006 heeft mr. Killic de aan de intrekking ten grondslag liggende herziene beslissing van 28 december 2005 ingezonden.

Bij brief van 5 januari 2006 heeft de gemachtigde van eiser verzocht het beroep tegen het besluit van 19 januari 2004 voort te zetten. Daartoe is aangevoerd dat verweerder te kennen heeft gegeven dat de eerdere toezegging abusievelijk is geweest en dat in de herziene beslissing anders is beslist dan voorheen voor wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid. Het beroep zou nooit zijn ingetrokken indien eiser bekend zou zijn met deze nieuwe beslissing van verweerder, aldus mr. Killic.

De rechtbank heeft het beroep van 5 januari 2006 aangemerkt als een nieuw beroepschrift dat is gericht tegen de herziene beslissing van 28 december 2005, het thans bestreden besluit. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer AWB 06/1682 WAO.

Op 3 mei 2006 zijn de nadere gronden ingediend. Mr. Killic stelt zich hierin op het standpunt dat verweerder op 21 december 2005 heeft beslist de eerdere beschikking van 19 augustus 2004 te herzien en de uitkering van eiser te handhaven op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze beschikking zou later, middels een beschikking van 28 december 2005, het thans bestreden besluit, abusievelijk zijn geweest. Per die datum wordt de uitkering van eiser gewijzigd in een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

Verweerder heeft op 30 januari 2007 een nieuwe beslissing genomen, waarin is bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser alsnog ongewijzigd op 80 tot 100% moet worden vastgesteld. Verweerder heeft zijn standpunt gewijzigd naar aanleiding van het beroepschrift van 5 januari 2006.

Het beroep is op 30 januari 2007 ingetrokken met het verzoek verweerder in de proceskosten te veroordelen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat het ingetrokken beroep, geregistreerd onder procedurenummer AWB 04/4261 WAO, terecht niet is voortgezet. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Verweerder heeft zich in de herziene beslissing van 28 december 2005, de brieven van 30 mei 2006 en 12 juni 2006 op het standpunt gesteld dat de beslissing van 28 december 2005 ziet op een wijziging van het besluit van 19 augustus 2004. De rechtbank is niet gebleken van een besluit van verweerder van 21 december 2005 zoals namens eiser is gesteld. Hieruit volgt dat eiser het beroep heeft ingetrokken omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat verweerder geheel aan zijn beroep was tegemoetgekomen. Eiser heeft, ondanks de omstandigheid dat hij gebruik heeft gemaakt van een professionele rechtsbijstandverlener, een schriftelijke bevestiging van verweerders herziene beslissing niet afgewacht en het beroep direct ingetrokken. De omstandigheid dat op 21 december 2005 een behandeling van het beroep ter zitting gepland stond maakt dit niet anders.

Ten aanzien van de vraag of verweerder aan het onderhavige beroep is tegemoetgekomen is de rechtbank van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, nu verweerder in de nieuwe beslissing op bezwaar van 30 januari 2007 heeft aangegeven dat het bestreden besluit van 28 december 2005 naar aanleiding van het beroepschrift van 5 januari 2006 tegen het bestreden besluit van 28 december 2005 is gewijzigd.

Gezien de omstandigheid dat verweerder de nieuwe beslissing op bezwaar van 30 januari 2007 heeft genomen naar aanleiding van het beroepschrift van 5 januari 2006 tegen het thans bestreden besluit, kan worden vastgesteld dat eiser het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder geheel aan het onderhavige beroep is tegemoetgekomen. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op proceskosten niet bestreden. Onder deze omstandigheden wordt aanleiding gevonden om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair zijn vastgesteld op € 322,00 (1 punt -voor het beroepschrift- x factor 1 x € 322,00) als kosten van verleende rechtsbijstand.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, vierde lid, van de Awb wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de betreffende rechtspersoon indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de hierboven omschreven proceskosten, begroot € 322,00 (zegge: DRIEHONDERD EN TWEEëNTWINTIG euro), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 21 augusts 2007 door mr. M. Vaandrager, rechter, in tegenwoordigheid van M.P. Osinga, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier De rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll: M.P.O.

D: B