Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
360490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzekeringsrecht, onjuiste incasso van premie geen grond voor ontbinding van de verzekeringsovereenkomst

Van verzekerde is door een fout bij verzekeraar geen premie geïnd middels de door verzekerde verstrekte automatische incasso. Verzekeraar vordert thans alsnog betaling van achterstallige premie.

Op de bepaling uit de verzekeringsvoorwaarden, inhoudende dat de verzekeraar een sanctie mag toepassen indien tijdige premiebetaling achterwege blijft, kan door de verzekerde geen beroep worden gedaan. Nu door de verzekeraar in dit geval op die bepaling geen beroep is gedaan, mist deze dan ook toepassing. Dit verweer van verzekerde faalt derhalve.

Het verweer van verzekerde dat de tekortkoming van de verzekeraar in voldoening van haar verplichting tot maandelijkse incasso van de premie ontbinding door de verzekerde van de verzekeringsovereenkomst rechtvaardigt, faalt eveneens.

De rechtbank oordeelt dat als afwijking van de hoofdregel dat geldschulden brengschulden zijn voor girale betaling, en derhalve ook voor automatische incasso, geldt dat dit een haalschuld is. Dit laat echter onverlet dat de plaats van betaling niet kan worden aangemerkt als een wezenlijk bestanddeel van de prestatie. Daar komt bij dat de verzekeraar haar hoofdverplichtingen uit de overeenkomst, te weten het verlenen van dekking, gedurende de overeenkomst is blijven nakomen.

De omstandigheid dat de verzekeraar gedurende een bepaalde tijd de premie niet via automatische incasso bij de verzekerde heeft geïnd, levert in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond op voor ontbinding van de verzekeringsovereenkomst door verzekerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2008, 31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 360490 / HA ZA 07-145

Vonnis van 17 oktober 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

MOVIR N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres,

procureur mr. E.W. van de Graaf,

tegen

A,

wonende te,

gedaagde,

procureur mr. A.I. Keur.

Partijen zullen hierna Movir en A genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 maart 2007, waarbij een comparitie is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2007, met de daarin genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde bewijsmiddelen, staat in deze zaak het volgende vast:

a. A heeft met ingang van 3 september 2001 twee arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij Movir gesloten, te weten een eerstejaarsverzekering (polisnummer 10078786) en een langlopende verzekering (polisnummer 10078027).

b. In de voorwaarden voor de eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering is – onder meer de volgende bepaling opgenomen:

“Artikel 9 – Premiebetaling

(...)

9.2 Wanbetaling

Indien de verzekerde de premie en de kosten niet tijdig betaalt en weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan of aan het licht getreden of toegenomen na de premievervaldatum. Een nadere ingebrekestelling door Movir is niet vereist. De verzekerde blijft verplicht de premie en de kosten te voldoen. Indien Movir maatregelen neemt tot incasso van de vordering komen alle kosten van invordering, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, voor rekening van de verzekerde. De dekking gaat weer in op de dag na die waarop de premie en de kosten door Movir zijn ontvangen. Niettemin is Movir bevoegd tijdens de schorsing de verzekering zonder inachtneming van een opzegtermijn op een door haar te bepalen tijdstip te beëindigen.”

De voorwaarden voor de langlopende verzekering bevat – onder meer – de volgende bepaling:

“Artikel 10 – Premiebetaling, premievrijstelling

(...)

10.2 Wanbetaling

Indien de verzekerde het verschuldigde niet tijdig betaald of weigert te betalen, wordt geen dekking verleend ten aanzien van nadien plaatsvindende gebeurtenissen. Een nadere ingebrekestelling door Movir is niet vereist. De verzekerde dient het verschuldigde alsnog te betalen. De dekking gaat weer in op de dag na die waarop het verschuldigde door Movir is ontvangen. Niettemin is Movir bevoegd tijdens de schorsing de verzekering zonder inachtneming van een opzegtermijn op een door haar te bepalen tijdstip te beëindigen.”

c. Tot maart 2002 is de premie abusievelijk geïnd bij de tussenpersoon AON in plaats van bij A via de door hem afgegeven machtiging automatische incasso. Na ontdekking van deze vergissing heeft Movir de premie teruggeboekt naar AON en bij A verhaald, maar niet geïnd.

d. Op 1 april 2003 heeft AON aan A geschreven:

“(...) Voor de ingangsdatum van de polissen 3 september 2001 tot 1 maart 2002 zijn wij destijds belast door Movir voor de premies. (...)

Het gestelde door Movir dat er vanaf 4 maart 2002 volledige dekking is, is onjuist; vanaf de ingangsdatum van de polissen is er dekking geweest, hetgeen opgesloten zit in het feit dat Movir de premies bij ons in rekening courant heeft belast en door ons zijn afgedragen. (...)”

e. Per fax van 28 augustus 2003 heeft Movir aan AON bevestigd dat vanaf de ingangsdatum 3 september 2001 aanspraak gemaakt kon worden op de polissen.

f. Van 1 maart 2002 tot 1 april 2004 heeft Movir de premies voor deze verzekeringen via automatische incasso bij A geïncasseerd.

g. Bij de administratieve verwerking van de door A bij Movir opgegeven wijziging van zijn rekeningnummer voor de automatische incasso, heeft Movir abusievelijk wederom de tussenpersoon AON vanaf 1 april 2004 ingevoerd als incasserende partij.

h. Op 12 april 2005 heeft Movir bij A via de afgegeven machtiging in één keer een bedrag van € 7.392,75 geïncasseerd. Dit bedrag is vervolgens door A gestorneerd.

i. Bij brief van 18 april 2005 heeft A aan Movir geschreven:

“Met referte aan mijn voorgaande correspondentie en gelet op de meest recente volstrekt onzorgvuldige handelwijze van Movir ontbind ik hierbij voor zover vereist bovengenoemde overeenkomst van arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Ter toelichting dient het volgende. Movir heeft vorige week zonder enige aankondiging, laat staan overleg, ruim € 7000,= af doen schrijven van mijn kantoorrekening. Ik wijs er op dat bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst werd overeen gekomen dat maandelijks premie zou worden betaald doordat Movir gebruik zou maken van een daartoe door mij verstrekte machtiging. Door thans in een keer voormeld bedrag af te doen schrijven, handelt Movir in strijd met hetgeen was overeengekomen en dermate onzorgvuldig dat ik geen enkel vertrouwen meer heb in voortzetting van de onderhavige overeenkomst. Voorts is van belang dat de beoogde premie een periode betreft waarover door toedoen van Movir geen dekking bestond zodat Movir geen aanspraak kan maken op die premie. (...)”

j. Op 28 april 2005 heeft Movir aan A – onder meer – geschreven:

“(...) In de periode 1 april 2004 tot 1 maart 2005 is er echter wel degelijk dekking geweest. Wij verzoeken u dan ook de openstaande premie van € 7908,63 in 4 maandelijkse termijnen vanaf 15 mei 2005 te voldoen. Uw verzoek de verzekering te beëindigen zullen wij uitvoeren per 1 januari 2006. (...)”

k. De polissen zijn per 1 januari 2006 geroyeerd.

l. Bij brieven van 19 januari 2006, 1 februari 2006, 23 juni 2006 en 5 oktober 2006 van deurwaarderskantoor B B.V. is A gesommeerd de achterstallige premie, vermeerderd met rente, incassokosten, BTW en informatiekosten te voldoen.

m. Bij brief van 3 februari 2006 heeft A aan het deurwaarderskantoor – onder meer – geschreven:

“(...)bericht ik u dat ik Movir destijds uitdrukkelijk heb bericht dat buitengerechtelijke incassomaatregelen zinloos zijn. Die zullen niet tot betaling leiden, worden dan ook volstrekt onnodig gemaakt en komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. (...)”

Bij brieven van 4 juli 2006 en 27 oktober 2006 heeft A aan het deurwaarderskantoor zijn standpunt dat incassomaatregelen niet tot betaling zullen leiden, herhaald.

3. Het geschil

3.1. Movir vordert – samengevat – veroordeling van A tot betaling van EUR 15.941,72, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Movir stelt hiertoe dat A sinds geruime tijd achterstallig is met betaling van de door hem verschuldigde premies voor de langlopende en eerstejaars arbeidsongeschiktheidsverzekering. Nadat dit in 2001/2002 ook al een keer gebeurd was, heeft Movir in de periode april 2004 tot maart 2005 bij vergissing de verschuldigde premie wederom bij de tussenpersoon AON in plaats van bij A geïncasseerd. De incasso ineens van het verschuldigde bedrag over die periode bij A in april 2005 verdient geen schoonheidsprijs, maar Movir heeft dit hersteld door A – nadat hij dit bedrag had gestorneerd – aan te bieden het bedrag in vier maandelijkse termijnen te voldoen. Door zo te handelen en de fout te herstellen heeft Movir geen wanprestatie gepleegd. Het niet incasseren via een machtiging kan überhaupt geen wanprestaie van Movir opleveren, want de verzekerde blijft verplicht om de premie te betalen. A was dan ook niet gerechtigd tot een ontbinding. Bovendien heeft er altijd dekking bestaan. Movir heeft immers altijd premie ontvangen, te weten van AON in plaats van van A.

De buitengerechtelijke incassokosten worden gevorderd op basis van artikel 9.2 van de voorwaarden bij de eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering die geldig zijn verklaard in de polis van 25 oktober 2001.

3.3. A heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierbij, bij de beoordeling van het geschil, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. A heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekeringsovereenkomst per 18 april 2005 buitengerechtelijk door hem is ontbonden. Bij de beoordeling van het geschil zal daarom onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór 18 april 2005 en de periode van 18 april 2005 tot 1 januari 2006, het moment waarop de polissen zijn geroyeerd.

4.2. Ter afwering van de vordering van Movir tot voldoening van de achterstallige premies vanaf 1 april 2004 tot 18 april 2005, heeft A gesteld dat als gevolg van het feit dat over die periode geen premie is geïncasseerd, voor die periode geen dekking heeft bestaan. Volgens A is de verzekering tijdens die periode krachtens het bepaalde in artikel 10.2 van de voorwaarden voor de langlopende verzekering opgeschort. A heeft verder opgemerkt dat Movir nu geen aanspraak meer kan maken op de premie over die periode, omdat het niet-incasseren van de premie over die periode aan Movir zelf te wijten was en nakoming van de overeenkomst door Movir over de periode voor 18 april 2005 door het alsnog verlenen van dekking, niet meer mogelijk is.

4.3. Movir heeft daarentegen gesteld dat gedurende de periodes dat door A geen premie is betaald wel dekking bestond, aangezien de premies in die periode zijn geïncasseerd bij de tussenpersoon AON.

Ook in de periode van september 2001 tot maart 2002, toen Movir eveneens abusievelijk bij AON in plaats van bij A de premies heeft geïncasseerd, heeft Movir achteraf bevestigd dat de dekking is blijven bestaan. Bovendien is niet gebleken dat Movir in de periode dat de premie niet bij A is geïncasseerd kenbaar heeft gemaakt dat de dekking zou worden geschorst.

Artikel 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden (en artikel 9.2 van de eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering) verleent de verzekeraar de mogelijkheid een sanctie toe te passen indien tijdige premiebetaling achterwege blijft. In dit geval is door Movir geen beroep gedaan op deze bepaling, omdat zij stelt dat de premies wel zijn geïncasseerd. Nu artikel 10.2 van de verzekeringsvoorwaarden een bepaling is waarop door de verzekeringnemer geen beroep kan worden gedaan en de verzekeraar, Movir, geen beroep op de bepaling heeft gedaan, wordt geoordeeld dat de bepaling in het onderhavige geval toepassing mist.

Dit betekent dat A over de periode tot 18 april 2005 aan Movir premie verschuldigd is voor de door hem afgesloten verzekeringen. De vordering van Movir is dan ook in ieder geval toewijsbaar voor de achterstallige premies tot 18 april 2005.

4.4. A heeft verder aangevoerd dat hij de verzekeringsovereenkomsten per brief van 18 april 2005, hiervoor onder 2.1.i aangehaald, buitengerechtelijk heeft ontbonden, omdat – zo wordt in deze brief gesteld – Movir onzorgvuldig en in strijd met hetgeen was overeengekomen heeft gehandeld door in een keer ruim € 7.000,= af te doen schrijven van de kantoorrekening van A in plaats van de premie maandelijks via de automatische incasso te innen. In zijn brief stelt A verder dat door toedoen van Movir geen dekking bestond.

A heeft in zijn conclusie van antwoord voorts aangevoerd dat Movir ook verder onzorgvuldig heeft gehandeld door haar administratie en bedrijfsvoering niet op orde te hebben, waardoor bij A geen vertrouwen meer bestond in voortzetting van de overeenkomst. Aangezien deze grond niet is aangevoerd in de ontbindingsbrief van 18 april 2005, zal bij de beoordeling van de vraag of de verzekeringsovereenkomst per 18 april 2005 is ontbonden, alleen de in de brief genoemde gronden in aanmerking worden genomen.

4.5. Ten aanzien van de stelling van A dat door toedoen van Movir geen dekking bestond, geldt hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen. Hieruit volgt dat gedurende het bestaan van de verzekeringsovereenkomsten wel dekking bestond. De stelling dat dit niet zo was, kan dan ook geen grond opleveren voor ontbinding van de overeenkomsten.

4.6. Movir heeft gesteld dat de incasso ineens van de achterstallige premie van ruim EUR 7.000,= weliswaar geen schoonheidsprijs verdient, maar dat dit evenmin wanprestatie oplevert van Movir, omdat zij deze misstap heeft hersteld door A vervolgens een betalingsregeling aan te bieden van vier maandelijkse termijnen en dat dit feit derhalve geen grond voor ontbinding kan zijn.

A heeft ter comparitie verder opgemerkt dat hij Movir een machtiging heeft verleend om de premie maandelijks automatisch te incasseren en dat de premiebetaling daarmee een haalschuld in plaats van een brengschuld is geworden. De tekortkoming in voldoening van haar verplichtingen tot maandelijkse incasso rechtvaardigt volgens A ontbinding van de overeenkomsten.

4.7. Zoals A terecht heeft gesteld geldt als afwijking van de hoofdregel dat geldschulden brengschulden zijn voor girale betaling, en derhalve ook voor betaling door automatische incasso, dat dit een haalschuld is.

Aan de orde is nu de vraag of de omstandigheid dat Movir gedurende een bepaalde tijd de premie niet via automatische incasso bij A geïnd heeft een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van Movir is die ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten door A rechtvaardigt.

Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van zijn verplichtingen de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Of een tekortkoming van te geringe betekenis is om ontbinding te rechtvaardigen hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst en de belangen van partijen over en weer.

Bij de verzekeringsovereenkomst rust op de verzekeraar de verplichting tot het verlenen van dekking en de - voorwaardelijke - verplichting tot het doen van uitkering waartegenover van de kant van de verzekeringnemer de verplichting tot het betalen van premie bestaat. In het geval van automatische incasso is de geldschuld weliswaar tot een haalschuld verworden, maar dat laat onverlet dat de plaats van betaling niet kan worden aangemerkt als een wezenlijk bestanddeel van de prestatie. Daar komt bij dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, Movir haar hoofdverplichtingen uit de overeenkomst, te weten het verlenen van dekking, gedurende de overeenkomst is blijven nakomen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de tekortkoming, mede in aanmerking nemende dat Movir de incasso ineens van het gehele bedrag heeft willen herstellen door A een betalingsregeling aan te bieden, in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond oplevert voor ontbinding van de verzekeringsovereenkomsten.

4.8. Tot slot heeft A aangevoerd dat sprake is van een duurverbintenis waarbij de overeenkomst over het verstreken tijdvak niet meer kan worden nagekomen. A heeft dit verweer echter niet nader gemotiveerd, zodat bespreking ervan hier achterwege kan blijven.

4.9. Dit betekent dat de premie eveneens verschuldigd is voor de periode van 18 april 2005 tot 1 januari 2006, het moment waarop de polissen zijn geroyeerd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het door Movir gevorderde bedrag ter zake van achterstallige premies van EUR 14.852,13, tegen de hoogte waarvan door A geen afzonderlijk verweer is gevoerd, zal worden toegewezen.

4.10. Ten aanzien van de wettelijke rente geldt dat nu vaststaat dat A in gebreke is met betaling van gevorderd bedrag aan Movir en de verschuldigdheid van de wettelijke rente voor het overige niet is weersproken, deze eveneens toewijsbaar is zoals gevorderd.

4.11. Met betrekking tot de door Movir gevorderde buitengerechtelijk kosten van EUR 952,=, wordt het volgende overwogen. Krachtens artikel 9.2 van de verzekeringsvoorwaarden bij de eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering komen alle kosten van invordering, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke, voor rekening van de verzekerde. A heeft weliswaar betwist dat deze voorwaarden van toepassing zijn, maar uit de door Movir overgelegde stukken is gebleken dat A niet alleen een langlopende maar ook een eerstejaarsarbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten, waarop – blijkens de polis – deze voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Verder is de rechtbank van oordeel dat de enkele mededeling dat buitengerechtelijke incassomaatregelen zinloos zijn omdat deze toch niet tot betaling zullen leiden, zoals door A geuit in de hiervoor onder 2.1.m aangehaalde brieven, niets afdoet aan de verschuldigdheid van noch de vordering die geïncasseerd tracht te worden, noch van de kosten van de incassowerkzaamheden.

Door Movir is echter niet aangetoond en ook heeft zij niet verzocht in de gelegenheid te worden gesteld aan te tonen, dat de daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten hoger zijn dan het forfaitaire bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg, met een maximum van 15% van de hoofdsom. De rechtbank zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering deze kosten tot dat bedrag, EUR 904,=, matigen.

4.12. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Movir worden begroot op:

- dagvaarding EUR 93,20

- vast recht 350,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.347,20

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt A om aan Movir te betalen een bedrag van EUR 14.989,72 (veertienduizend negenhonderdachtennegentig euro en tweeënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 14.852,13 vanaf 11 december 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt A om aan Movir te betalen een bedrag van EUR 904,= aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.3. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van Movir tot op heden begroot op EUR 1.347,20,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2007.?