Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0279

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
386564 - KG ZA 07-2444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijmond en het KLPD vorderen een verbod tot het voeren van een collectieve actie door drie politievakbonden. De voorgenomen collectieve actie zal plaatsvinden tijdens de voetbalwedstrijden Ajax-PSV (in Amsterdam) en Feijenoord-AZ (in Rotterdam). Eisers voeren aan dat politie-inzet bij die wedstrijden noodzakelijk is. Ook indien de wedstrijden zullen worden afgelast is politie-inzet noodzakelijk omdat men beschikt over concrete aanwijzingen dat dan ongeregeldheden zullen ontstaan, aldus eisers. Verder voeren eisers aan dat ook derden (met name de KNVB en de betrokken clubs) zwaarwegende belangen hebben bij het doorgaan van de wedstrijden en dat collectieve actie van politieambtenaren er zeer waarschijnlijk toe zal leiden dat die wedstrijden niet doorgaan.

De voorzieningenrechter heeft de voorgenomen collectieve actie van twee van de drie gedaagden niet verboden. Van belang hierbij is dat eisers niet hebben gesteld dat die beide bonden in strijd met de spelregels bij het collectief arbeidsvoorwaardenoverleg hebben gehandeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat het begeleiden van voetbalwedstrijden door de politie niet als een essentiële dienst van de politie kan worden aangemerkt, zodat politieambtenaren in beginsel gebruik van het grondrecht tot het voeren van collectieve actie (ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden) toekomt. Verder hebben gedaagden desgevraagd uitdrukkelijk aangevoerd dat zij maatregelen hebben getroffen, zodat, indien er na een eventuele afgelasting van de wedstrijden ongeregeldheden zullen ontstaan, de collectieve actie onmiddellijk kan worden beëindigd en hun leden direct aan het werk zullen gaan. De (aanmerkelijke) belangen van derden wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaar dan het belang van de politievakbonden om gebruik te maken van hun grondrecht om – ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden – collectieve actie te voeren. De vordering zal echter wel worden toegewezen tegen gedaagde sub 3 (de Amsterdamse Politie Vakorganisatie) aangezien deze vakbond niet is betrokken bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden en geen ander argument voor het voeren van actie heeft genoemd dan het afbreken van die onderhandelingen.. Deze vakbond wordt dan ook – op straffe van dwangsommen – bevolen medewerking aan de voorgenomen acties te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 50
RAR 2008, 32
JAR 2008, 7
TAR 2008/33
JAR 2008/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 386564 / KG ZA 07-2444 Pee/MV

Vonnis in kort geding van 14 december 2007

in de zaak van

1. POLITIE REGIO AMSTERDAM AMSTELLAND,

gevestigd te Amsterdam,

2. DE POLITIE REGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

3. HET KORPS LANDELIJKE POLITIEDIENSTEN,

gevestigd te Den Haag,

eisers bij concept-dagvaarding,

procureur mr. P.N. van Regteren Altena,

advocaat mr. D. den Hartog te Den Haag,

tegen

1. de vereniging

ALGEMEEN CHRISTELIJKE POLITIEBOND,

gevestigd te Leusden,

2. de vereniging

ALGEMENE NEDERLANDSE POLITIEVERENIGING,

gevestigd te Utrecht,

3. de vereniging

AMSTERDAMSE POLITIE VAKORGANISATIE,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden vrijwillig verschenen,

procureur mr. A. Schellart.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 december 2007 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte concept-dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. De afgelopen tijd is er overleg gevoerd over de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op Nederlandse politiebeambten tussen gedaagden sub 1 en 2 als hun vertegenwoordigers en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In dit overleg is geen overeenstemming bereikt over loonsverhoging voor de politiebeambten.

2.2. Gedaagde sub 3 vertegenwoordigt (een deel van) de politie-ambtenaren werkzaam in de regio Amsterdam-Amstelland. Gedaagde sub 3 heeft niet deelgenomen aan het onder 2.1. bedoelde overleg.

2.3. In de eredivisie van de KNVB zal op 15 december 2007 te Rotterdam de voetbalwedstrijd Feijenoord tegen AZ plaatsvinden. Op 16 december 2007 zal te Amsterdam de wedstrijd Ajax tegen PSV plaatsvinden.

2.4. Bij aangetekende brieven van 13 december 2007 hebben gedaagden eisers aangezegd dat zij tijdens de onder 2.3. genoemde wedstrijden en in de uren daaraan voorafgaand alsmede erna zullen overgaan tot het voeren van een collectieve actie, bestaande uit het deelnemen aan een actievergadering waarbij zij in overleg met de vakbondsbestuurders de gang van zaken rondom het arbeidsvoorwaardenoverleg zullen bespreken.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen – kort gezegd – gedaagden op straffe van dwangsommen te bevelen de oproep tot het voeren van acties op zaterdag 15 en zondag 16 december 2007 in te trekken, dan wel gedaagden te bevelen de acties zowel in duur als in omvang nader te beperken. Verder vorderen zij – eveneens op straffe van dwangsommen – gedaagden te bevelen binnen twee uur na het uitspreken van dit vonnis aan alle betrokkenen bekend te maken dat de acties geen doorgang vinden.

3.2. Eisers stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat de beide voetbalwedstrijden door de autoriteiten als zeer risicovol worden aangemerkt. Supporters dienen door de politie op een verantwoorde wijze te worden begeleid. Zonder politiebegeleiding is het houden van deze voetbalwedstrijden onverantwoord. Het afgelasten van de wedstrijden is geen alternatief, omdat dit tot repercussies zal leiden waarvoor – naar de inschatting van de autoriteiten – dezelfde hoeveelheid politie-ambtenaren zal moeten worden ingezet om de openbare orde voldoende veilig te stellen als bij doorgang van de wedstrijden. Verder geldt nog met betrekking tot de wedstrijd in Amsterdam dat zondag 16 december 2007 een koopzondag is en dat in de nabijheid van het stadion een musicalvoorstelling zal plaatsvinden waarop veel publiek afkomt. De gevolgen van de acties zijn derhalve onevenredig ten opzichte van de op zich erkende ruimte voor politie-ambtenaren om met collectieve acties hun positie in het arbeidsvoorwaardenoverleg kracht bij te zetten. Behalve de verstoring van de openbare orde moet ook rekening worden gehouden met de verstoring van de voetbalcompetitie, omdat in het programma geen uitwijkmogelijkheden in het weekeinde zijn, terwijl deze beide wedstrijden volgens afspraken met de respectieve burgemeesters in het weekeinde moeten worden gespeeld. Voorts lijden de beide thuisspelende clubs aanzienlijke schade, omdat zij ten behoeve van beide wedstrijden veiligheidsmaatregelen hebben getroffen en uitgaven hebben gedaan op het gebied van horeca.

3.3. Gedaagden hebben tegen de vordering verweer gevoerd. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest (ESH), dat in Nederland van kracht is sedert mei 1980. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

4.2. Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende collectieve actie moet de rechter er vanuit gaan dat voor de vakbond en haar leden de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de rechter dan ook niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de collectieve actie. Voor het oordeel dat de collectieve actie niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien - met inachtneming van de door artikel 31 ESH gestelde beperkingen - moet worden geoordeeld dat de bonden en haar leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen. Tot die procedureregels behoort onder meer ook dat een collectieve actie in een arbeidsvoorwaardenconflict slechts rechtmatig kan zijn indien partijen gedurende enige tijd onderhandelingen hebben gevoerd, elkaar in die onderhandelingen niet hebben gevonden en een van partijen in die onderhandelingen kenbaar heeft gemaakt dat in haar ogen verder onderhandelen zonder zin is. Voorts dient de voorgenomen collectieve actie tijdig te zijn aangezegd. Aanzegging heeft een tweeledig doel: het voorkomen van onnodige bedrijfsschade en bescherming van de belangen van degenen die op de dienstverlening van de bestaakte werkgever zijn aangewezen. Aan de rechter komt in het licht van artikel 6 ESH geen beoordeling toe van de vraag of voor de werknemersorganisatie die tot collectieve actie oproept nog andere wegen openstonden om haar doel in het arbeidsvoorwaardenconflict te bereiken.

4.3. Indien vaststaat dat partijen gedurende enige tijd onderhandelingen hebben gevoerd en de werknemersvertegenwoordigers kenbaar hebben gemaakt dat verder onderhandelen in hun ogen niet meer zinvol is zonder gebruik te maken van hun stakingsbevoegdheid staat de rechtmatigheid van de collectieve actie vast tenzij de werknemers bij de wijze van uitvoering van hun stakingsbevoegdheid onvoldoende zorg in acht nemen jegens hun wederpartij.

4.4. Gedaagde sub 3 maakt geen deel uit van de partijen die over de arbeidsvoorwaarden onderhandelen of hebben onderhandeld. Daarom komt aan gedaagde sub 3 niet het recht op collectieve actie toe krachtens artikel 6 lid 4 ESH, nu deze gedaagde geen andere gronden dan het stuklopen van onderhandelingen voor haar bevoegdheid tot staken heeft aangevoerd. De jegens gedaagde sub 3 gevorderde bevelen zullen daarom als volgt worden toegewezen. De vordering onder 2 van het petitum van de dagvaarding is onvoldoende bepaald om te kunnen worden toegewezen.

4.5. Door eisers is niet betwist dat de onderhandelingen tussen eisers en gedaagden sub 1 en 2 gedurende enige tijd hebben plaatsgevonden en dat gedaagden sub 1 en 2 hebben verklaard verder onderhandelen zonder gebruik te maken van collectieve acties niet zinvol meer te achten. Daarmee hebben gedaagden voldaan aan de thans algemeen aanvaarde spelregels die in acht moeten worden genomen voordat in een arbeidsvoorwaardenconflict tot collectieve actie kan worden overgegaan. Gelet op de beperkte aard van de actie, waarover nader, is de aankondiging meer dan 48 uren voorafgaand aan de wedstrijden voldoende tijdig. Met gedaagden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de begeleiding van voetbalwedstrijden niet kan worden beschouwd als essentiële dienstverlening in die zin dat het collectieve actierecht van gedaagden daarvoor zou moeten worden beperkt.

Met eisers is de voorzieningenrechter van oordeel, dat indien juist zou zijn dat de openbare orde zou worden verstoord indien ten gevolge van de collectieve actie de wedstrijden geen doorgang zouden kunnen vinden omdat zoals uit uitlatingen op het internet zou moeten worden gevreesd supporters onrust zouden stoken, wel sprake is van essentiële dienstverlening door de politieambtenaren in welk geval het voeren van collectieve actie onrechtmatig zou kunnen zijn. Daargelaten dat de aanwijzingen voor misdragingen van supporters beperkt zijn en dat niet goed valt in te zien dat collectieve actie van politieambtenaren nooit denkbaar zou zijn omdat altijd gevreesd zou moeten worden voor ordeverstorend optreden van supporters, stelt de voorzieningenrechter vast dat gedaagden zodanige voorzieningen hebben getroffen bij de uitvoering van hun collectieve actie dat de actievoerende collega’s hun niet actievoerende collega’s tijdig kunnen bijstaan indien dat noodzakelijk is.

Desgevraagd hebben gedaagden immers verklaard dat hun collectieve actie zich beperkt tot het weigeren van de werkzaamheden die rechtstreeks met de begeleiding van de betreffende wedstrijden van doen hebben. Gedaagden hebben hun leden en andere politieambtenaren opgeroepen een vergadering bij te wonen gedurende de beide wedstrijden waarin zij hun standpunten in het arbeidsvoorwaardenoverleg kunnen bespreken. Politieambtenaren die niet op die vergadering verschijnen dienen hun werkzaamheden volgens hun rooster te vervullen. Politieambtenaren die gevolg geven aan de oproep houden zich gereed om direct nadat zou blijken dat verstoringen van de openbare orde plaatsvinden of dreigen hun gewone taken uit te oefenen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Daarmee staat vast dat de collectieve actie tegenover eisers proportioneel is.

4.6. Met betrekking tot de in artikel 31 ESH gestelde beperkingen aan de rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht, geldt dat moet kunnen worden vastgesteld dat de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van artikel 31 ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen, die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig. Of zulks het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderling verband, de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt. Hoezeer de KNVB en desbetreffende clubs in competitieverband in verlegenheid kunnen worden gebracht en hoezeer aannemelijk is dat de KNVB en die clubs aanzienlijke schade lijden, wegen in dit geval – alle omstandigheden in aanmerking genomen – de belangen van de KNVB en die clubs tegenover het belang van gedaagden om gebruik te maken van het grondrecht om ten behoeve van verbetering van collectieve arbeidsvoorwaarden na gevoerd overleg collectief actie te voeren minder zwaar.

4.7. Nu beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt gedaagde sub 3 de oproep aan haar leden tot het voeren van acties in Rotterdam op zaterdag 15 december 2007 en in Amsterdam op zondag 16 december 2007 in te trekken en haar medewerking aan het voeren van die acties in dit weekeinde te beëindigen, op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,- voor elke overtreding van dit bevel met een maximum van EUR 25.000,-,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. weigert de jegens gedaagden sub 1 en 2 gevraagde voorzieningen,

5.4. compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten zal dragen.

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mer. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2007.?