Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0208

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
AWB 01-682 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep van eiseres richt zich op de beeindiging van de verplichte verzekering van haar huwelijkspartner. Haar huwelijkspartner is achteraf, op grond van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb. 720, opgenomen in de vrijwillige verzekering. Een nader ingekomen besluit waarin eiseres wordt medegedeeld dat ook zij alsnog is opgenomen in de vrijwillige verzekering, wordt in beroep niet behandeld omdat het beroep van eiseres zich niet richt op haar deelname aan de vrijwillige verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 01/682 AOW

van:

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Italiƫ),

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M.A.H.H. Ceelen

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.S. van Zanten.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 15 februari 2001 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2001 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 3 juli 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 6 september 2000 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij tot 1 januari 2000 is opgenomen in de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw). Aangezien de huwelijkspartner van eiseres met ingang van 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd is, is de verzekering van eiseres per die datum beƫindigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 september 2000 ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat haar huwelijkspartner wel degelijk geacht moet worden op en na 1 januari 2000 verplicht verzekerd te zijn gebleven voor de AOW/Anw.

Bij besluit van 3 mei 2007 heeft verweerder eiseres bericht dat zij over de jaren 2000 tot en met 2005 alsnog is opgenomen in de vrijwillige AOW/Anw-verzekering, omdat haar huwelijkspartner op grond van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb. 720 (hierna: KB 720) is opgenomen in de vrijwillige AOW/Anw-verzekering.

Met betrekking tot het nader ingekomen besluit van 3 mei 2007 overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank constateert allereerst dat het beroep van eiseres zich louter richt tegen de vaststelling van verweerder dat de huwelijkspartner van eiseres op en na 1 januari 2000 niet langer verplicht verzekerd is geweest ingevolge de AOW/Anw. Nu het nader ingekomen besluit van 3 mei 2007 in die vaststelling geen verandering brengt en uitsluitend ziet op de deelname van eiseres aan de vrijwillige verzekering, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van eiseres zich niet richt tegen dit besluit, zodat een behandeling daarvan achterwege kan blijven.

Met betrekking tot het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat dit beroep niet kan slagen. Daartoe verwijst de rechtbank kortheidshalve naar haar uitspraak van dezelfde datum onder nummer AWB 01/690 AOW. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht heeft besloten dat de huwelijkspartner van eiseres vanaf 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

Het beroep tegen het bestreden besluit dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Voor vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2007 door mr. J.F.A.M. Graafland, voorzitter, en mrs. C.C.W. Lange en C.G. Meeder, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C