Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0024

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
795432 DX EXPL 06-1481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, zorgplicht, verdeling nadeel, categoriemodel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 795432 DX EXPL 06-1481

Vonnis van: 17 oktober 2007

F.no.: 592

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

1. [Eiser],

2. [Eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

afzonderlijk hierna te noemen [eiser] respectievelijk [eiseres] en gezamenlijk [Eisers],

gemachtigde: mr. I.J.M. Willems,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen Dexia,

gemachtigde: mr. S.M.E. Hirdes.

De procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 14 juli 2006, met producties,

- een akte van schorsing van Dexia,

- de rolmededeling van 8 augustus 2006,

- een akte tot hervatting van [Eisers], met producties, waaronder de verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW (opt-out-verklaring),

- de rolmededeling van 6 juni 2007,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 8 augustus 2007 is bepaald dat er een comparitie zal worden gehouden, die is gehouden op 1 oktober 2007. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [Eisers] en Dexia nog aanvullende stukken ingediend. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen Eisers in conventie

3. Standpunten Eisers

4. Standpunten Dexia

5. Vorderingen Dexia in reconventie

6. Verweer in reconventie

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

1. Feiten

in conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen. De hierna te noemen overeenkomsten zijn tot stand gekomen door bemiddeling van de besloten vennootschap Financiële Advies Federatie (FAF) B.V. (hierna: FAF).

1.2. Op of omstreeks 9 mei 2000 heeft Man een lease-overeenkomst ondertekend met de naam AEX Plus Effect Vooruitbetaling (hierna ook te noemen: lease-overeenkomst I) waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere. Deze overeenkomst is aangegaan onder nummer 39282000 voor een periode van 20 jaar met het recht van Man om -kort gezegd- de lease-overeenkomst na verloop van 60 maanden met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten te beëindigen onder betaling of verrekening van de restant hoofdsom. De overeenkomst bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 10.638,11 effecten leaset en dat de totale leasesom € 27.226,80 bedroeg waarin begrepen € 16.588,69 rente. [Eiser] diende bij voorruitbetaling € 5.445,36 te voldoen, zijnde 60 maandtermijnen minus een korting van 20%. Voorts diende [eiser], behoudens tussentijdse beëindiging, de 61ste tot en met de 240ste maand steeds € 113,44 te voldoen. [Eiseres] heeft lease-overeenkomst 1 mee-ondertekend.

1.3. Op of omstreeks 29 mei 2000 zijn nog een tweetal lease-overeenkomsten ondertekend door zowel [eiser] als [eiseres], waarop als lessee staan vermeld [eiser] “en/of” [eiseres]. Deze overeenkomsten zijn genummerd 39281999 en 39282000 (hierna te noemen lease-overeenkomst 2 en lease-overeenkomst 3) en zijn verder gelijk aan overeenkomst 1.

1.4. Op voornoemde overeenkomsten zijn de Bijzondere Voorwaarden Effectenlease van toepassing (hierna ook te noemen: Bijzondere Voorwaarden).

1.5. Bij het aangaan van de lease-overeenkomsten was [eiser] 61 en [eiseres] 59 jaar oud. [Eiser] was van beroep meubelmaker. Hij genoot een uitkering in het kader van de VUT. Hij heeft behalve de lagere school geen opleiding genoten. [Eiseres] was huisvrouw en zij heeft na de lagere school nog twee jaar voortgezet lager onderwijs gevolgd. Zij hadden voorts geen van beiden ervaring met beleggen.

Het gezinsinkomen bedroeg toentertijd € 1.063,42 per maand en zij beschikten, behoudens de door hen bewoonde woning, niet over vermogen van enige omvang. Hetgeen [Eisers] ter zake van voornoemde lease-overeenkomsten heeft betaald is gefinancierd door middel van een derde hypothecaire lening.

1.6. [Eisers] heeft ter zake van voornoemde lease-overeenkomsten aan Dexia op 6 juni 2000 € 5.445,36 voldaan en op 3 augustus 2000 € 10.890,72, derhalve in totaal € 16.336,08. Er zijn geen dividenden ontvangen. [Eisers] heeft in totaal € 401,04 aan fiscaal voordeel genoten.

1.7. De effecten waarop de overeenkomsten betrekking hadden vertegenwoordigden vijf jaar na aankoop gezamenlijk een waarde van € 20.776,23. De restanthoofdsommen van de overeenkomsten bedroegen op dat moment bij elkaar € 29.134,17.

1.8. Bij brief van 22 december 2004 heeft [Eisers] Dexia, kort gezegd, aansprakelijk gesteld uit hoofde van schending van bepalingen uit de Wet op het Consumenten Krediet (WCK) en uit hoofde van schending van zorgplichten.

1.9. Bij brief van 4 mei 2005 heeft de gemachtigde van [Eisers] de nietigheid van de lease-overeenkomsten ingeroepen en betaling gevorderd van hetgeen onverschuldigd werd betaald, dan wel vergoeding van de door [Eisers] geleden schade. Voorts heeft zij voor zover nodig de lease-overeenkomsten contractueel beëindigd per de 61ste maand.

1.10. Omdat [Eisers] niet voldeed aan zijn betalingsverplichtingen heeft Dexia lease-overeenkomst 1 beëindigd op 31 december 2005 en de lease-overeenkomsten 2 en 3 om dezelfde reden op 1 januari 2006. Dexia heeft [Eisers] ter zake eindafrekeningen gezonden, op grond waarvan [Eisers] voor overeenkomst 1 nog € 2.071,92 en voor overeenkomsten 2 en 3 ieder € 2.127,22 diende te voldoen.

1.11. Eisers heeft deze vorderingen niet voldaan.

1.12. Bij brieven d.d. 30 december 2005 en 27 januari 2007 heeft Dexia aan [Eisers] betalingsherinneringen gezonden, waarbij Dexia heeft aangekondigd de gestelde betalingsachterstanden bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel (BKR) te zullen melden.

2. Vorderingen [Eisers] in conventie

2.1. [Eisers] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

a) dat de overeenkomsten met nummer 39281559, 39281999 en 39282000 nietig worden verklaard, dan wel worden vernietigd, dan wel worden ontbonden;

b) Dexia te veroordelen om aan [Eisers] terug te betalen alle aan haar betaalde gelden ter zake van de onder a) genoemde overeenkomsten, zijnde tot 1 juni 2006 € 16.336,08, vermeerderd met de wettelijke rente over de vooruitbetaalde bedragen vanaf het moment van betaling door [Eisers] tot de dag der algehele voldoening;

c) indien en voor zover er een BKR-registratie is ten nadele van [Eisers] als gevolg van de onder a) genoemde overeenkomsten, gedaagde te veroordelen tot doorhaling daarvan bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 aan [Eisers] te betalen voor elke dag dat Dexia in gebreke blijft na voornoemd tijdstip voor doorhaling zorg te dragen;

d) Dexia te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3. Standpunten [Eisers]

3.1. [Eisers] stelt zich op het standpunt dat de lease-overeenkomsten zijn aan te merken als huurkoop zodat de zaak tot de competentie van de sector kanton behoort.

3.2. [Eisers] stelt dat Dexia haar zorgplichten heeft geschonden, onder meer doordat zij [Eisers] niet, onjuist althans onvolledig heeft geïnformeerd, in welk verband hij stelt dat Dexia aansprakelijk is voor het handelen van tussenpersoon FAF. Voorts heeft Dexia met name haar verplichtingen voortvloeiend uit de Wet toezicht effectenverkeer en de daarop gebaseerde regelingen veronachtzaamd.

3.3. Eisers stelt zich op het standpunt dat de lease-overeenkomsten dienen te voldoen aan de eisen van de WCK. Hij stelt daartoe onder meer dat het op grond van art. 9 van de WCK, al dan niet in verbinding met art. 12 lid 1 onder a van EG-Richtlijn 87/120, verboden is zonder een daartoe verleende vergunning krediet te verlenen. Dexia heeft volgens [Eisers] dat verbod overtreden, hetgeen leidt tot nietigheid van de lease-overeenkomsten op grond van art. 3:40 lid 2 BW.

3.4. [Eisers] stelt te hebben gedwaald, nu hij de lease-overeenkomsten niet zou zijn aangegaan bij een juiste voorstelling van zaken, met name omtrent de daaraan verbonden risico’s.

3.5. Eisers acht het aannemelijk dat hij thans met een achterstandscodering bij het BKR staat geregistreerd, zulks ten onrechte, zodat hij doorhaling van deze registratie vordert.

3.6. Nu de lease-overeenkomsten nietig althans rechtsgeldig vernietigd zijn vordert [Eisers] restitutie van alle door hem betaalde bedragen op grond van onverschuldigde betaling, dan wel vergoeding van de schade die hij heeft geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van Dexia, ter hoogte van de door hem betaalde inleg.

3.7. Voorts heeft [Eisers] nog gesteld dat door FAF is voorgespiegeld dat de oveenkomsten vijf jaar zouden duren.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia voert aan dat de lease-overeenkomsten niet kunnen worden aangemerkt als huurkoop. Nu Man daaraan geen andere conclusie verbindt dan dat de sector kanton bevoegd is zal Dexia om proceseconomische redenen thans geen verwijzing naar de sector civiel van deze rechtbank vorderen.

4.2. Dexia stelt niet aansprakelijk te zijn voor het handelen van FAF.

4.3. Dexia voert aan dat de lease-overeenkomsten niet onder het bereik van de WCK vallen.

4.4. In verband met eventueel vast te stellen restitutieverplichtingen beroept Dexia zich op art. 6:278 BW.

4.5. Dexia betwist dat de lease-overeenkomsten door dwaling tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte Eisers bij het aangaan van de overeenkomsten over alle relevante informatie en had hij op basis van de tekst van de lease-overeenkomsten en de toepasselijke Bijzondere Voorwaarden kunnen weten wat de lease-overeenkomsten inhielden, welke verplichtingen hij aanging en welke risico’s daarbij hoorden, zodat [Eisers] geen beroep op dwaling toekomt. In het bijzonder betwist Dexia dat de bepalingen van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999, zo al van toepassing, zijn geschonden. Voorts stelt Dexia dat tussen schade en beweerdelijk geschonden normen geen causaal verband bestaat.

4.6. Dexia stelt dat zij [Eisers] erop heeft gewezen dat de lease-overeenkomsten bij het BKR geregistreerd zouden worden. Zij is daartoe verplicht op grond van het reglement BKR. Zij kan zelf niet tot wijziging van de codering overgaan, maar slechts verzoeken daartoe aan het BKR richten, wat [Eisers] volgens Dexia trouwens zelf ook kan doen. Voor een dwangsom is derhalve geen plaats.

4.7. Dexia betwist de door [Eisers] gestelde schade, althans dat zij daarvoor aansprakelijk is. Zij meent voorts dat door [Eisers] genoten voordelen uit de lease-overeenkomsten in aanmerking dienen te worden genomen, zoals het fiscale voordeel, ontvangen dividenden en het ter beschikking hebben gestaan van de hoofdsom. Dexia doet voorts een beroep op art. 6:101 BW.

4.8. Dexia voert aan dat de wettelijke rente eerst kan worden gevorderd vanaf de datum van de dagvaarding, omdat Dexia niet in verzuim is geweest.

4.9. Ten slotte stelt Dexia – in reconventie – dat Eisers nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomsten en dat zij een vordering heeft op [Eisers] ten bedrage van de restschulden. Volgens Dexia verkeert [Eisers] in verzuim en zij vordert betaling van de restschulden.

5. Vorderingen Dexia in reconventie

5.1. In reconventie vordert Dexia dat [Eisers], bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling aan Dexia van € 6.416,36, te vermeerderen met de contractuele, althans de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten.

6. Verweer in reconventie

6.1. Onder verwijzing naar het debat in conventie voert [Eisers] naar aanleiding van de ingestelde tegenvordering van Dexia aan dat hij niet in verzuim is nu de lease-overeenkomsten op goede gronden buitengerechtelijk zijn vernietigd, dan wel vernietigd of ontbonden dienen te worden.

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en reconventie

7.1. In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

huurkoop en bevoegdheid (rov 8.1);

strijd met de WCK en/of andere wetten en regelingen (rov 8.3)

dwaling (rov 8.5);

aansprakelijkheid voor tussenpersonen (rov 8.7);

toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

nakoming zorgplicht (rov 8.9);

verdeling van het nadeel (rov 9);

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken. De stellingen in conventie en in reconventie zullen zoveel mogelijk gezamenlijk behandeld worden. In het onderhavige geval komt dan neer op het volgende.

Huurkoop en bevoegdheid

7.2. Lease-overeenkomsten als de onderhavige worden aangemerkt als huurkoop. De

kantonrechter is derhalve bevoegd.

Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

7.3. Een effecteninstelling is aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon, door wiens toedoen één of meer overeenkomsten als de onderhavige tot stand zijn gekomen. Het verweer van Dexia dat dit anders is wordt derhalve verworpen.

Strijd met WCK en andere wetten en regelingen

7.4. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, al dan niet in samenhang met Richtlijn 87/102/EEG, op welke grond de (ver)nietig(baar)heid van de overeenkomsten is bepleit.

7.5. De toepasselijkheid van de WCK kan in het midden blijven. Ook indien [Eisers] zich terecht op die regelingen zou beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomsten, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling

7.6. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [Eisers] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van een lening met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [Eisers] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [Eisers] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling leiden. Ook dit laat de zorgplicht die Dexia overigens had onverlet.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

7.7. Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

7.8. Eisers heeft Dexia verweten dat Dexia te zijnen opzichte de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van het onderhavige product. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De tekst van de overeenkomsten en van de Algemene Voorwaarden, alsmede van de brochures en folders waar Dexia zich op beroept voor zover [Eisers] die zou hebben ontvangen, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

7.9. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [Eisers] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [Eisers] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige overeenkomsten tot stand zouden zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [Eisers] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [Eisers] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), één en ander ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [Eisers] om de overeenkomsten aan te gaan.

7.10. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.4 bij de feiten zijn vermeld, is voor [Eisers] categorie 1 van toepassing. Dit betekent dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 85% van het nadeel voor rekening van Dexia dient te komen en het resterend percentage voor rekening van [Eisers] komt. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het inkomen ruimschoots lager dan modaal was en niet te verwachten viel dat dit nog zou stijgen.

7.11. Onder het in aanmerking te nemen nadeel zoals hierboven bedoeld, wordt verstaan het totaalbedrag van alle volgens de overeenkomsten verschuldigde maandelijkse termijnen gedurende de looptijd van de lease-overeenkomsten, conform hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 9.3. van het vonnis van 27 april 2007 beperkt tot 60 maanden, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 16.336,80 te vermeerderen met het totaal van de restanthoofdsommen van de overeenkomsten, zijnde € 29.134,17 en te verminderen met de opbrengst van de geleasete effecten, zijnde € 20.776,23.

7.12. Het totale nadeel uit de lease-overeenkomsten bedraagt derhalve € 24.694,74. Hiervan dient, gelet het in 7.10 genoemde percentage, een bedrag van € 3.704,21 voor rekening van [Eisers] te blijven.

7.13. Door [Eisers] is in het kader van de overeenkomsten een bedrag van € 16.336,80 betaald. Hierop dienen in mindering te worden gebracht het hiervoor berekende bedrag dat voor rekening van [Eisers] dient te blijven van € 3.702,51 en het door hem genoten fiscaal voordeel van € 401,04, zodat Dexia per saldo € 12.231,55 aan [Eisers] dient te voldoen.

Wettelijke rente

7.14. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter kan Dexia hierin niet volgen. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van de lease-overeenkomsten, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens te worden uitgegaan van de data waarop [Eisers] zijn betalingen aan Dexia heeft verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA5684). Dit leidt ertoe dat de wettelijke rente zal worden toegewezen over € 4.077,18 vanaf 6 juni 2000 en over € 8.154,37 vanaf 3 augustus 2000.

Ontbinding

7.15. De door [Eisers] gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomsten wordt afgewezen. Nog daargelaten of het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase als een (voor)contractuele tekortkoming kan worden geduid, zullen de gevolgen van zodanige ontbinding eveneens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepaald dienen te worden en zal de beslissing daaromtrent niet tot een ander resultaat leiden dan waartoe binnen het hiervoor weergegeven kader is beslist. [Eisers] heeft derhalve bij deze vordering geen belang.

Schadevergoeding

7.16. De overigens door [Eisers] gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen. De in verband daarmee gestelde feiten en omstandigheden, de negatieve financiële gevolgen voor [Eisers] daaronder begrepen, zijn verdisconteerd in het oordeel omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

BKR-registratie

7.17. Nu [Eisers] ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op tien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

7.18. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

Vordering in reconventie

7.19. Uit het voorgaande volgt dat de door Dexia ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen. De in verband daarmee gestelde gronden, feiten en omstandigheden zijn verdisconteerd in het oordeel in conventie omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen parttijen hebben te gelden.

Proceskosten

7.20. Gelet op de uitslag van de procedure in conventie en in reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. De kosten in reconventie zullen evenwel op nihil begroot worden, nu het debat in reconventie (vrijwel) geheel samenvalt met dat in conventie.

7.21. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt Dexia om aan [Eisers] te betalen € 12.231,55, vermeerderd met de wettelijke rente berekend over € 4.077,18 vanaf 6 juni 2000 en over € 8.154,37 vanaf 3 augustus 2000, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Eisers] gevallen, tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 196,00

-kosten dagvaarding: € 84,87

-salaris gemachtigde: € 600,00

------------

Totaal: € 880,87

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW,

III. veroordeelt Dexia om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [Eisers] geen verplichtingen uit de onderhavige overeenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,- tot een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 10.000,- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer en anders gevorderde;

in reconventie

VI. wijst de vordering af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [Eisers] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter