Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BC0008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
DX 06-3245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease, artikel 1:88 BW, zorgplicht, verdeling van nadeel, categoriemodel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: DX 06-3245

Vonnis van 17 oktober 2007

F.no.: 583

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[Eiser]

wonende [woonplaats]

eiser,

nader te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel

t e g e n

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen Dexia

gemachtigde: dw. P. Swier

Procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 23 augustus 2005, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 21 december 2005 is vastgesteld dat de procedure is geschorst.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam heeft [eiser] een afschrift overgelegd van de opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijke Wetboek (BW), waarin hij verklaart niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 30 mei 2007 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2007.

Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Voorafgaand aan deze comparitie zijn door [eiser] per brief van 15 augustus 2007 aanvullende stukken ingediend. Tijdens de comparitie heeft [eiser] een kopie van zijn belastingaangifte en belastingaanslag over het jaar 2001 overgelegd. Dexia heeft afgezien van de mogelijkheid op deze stukken te reageren.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Indeling van het vonnis

Het vonnis heeft de volgende onderdelen:

1. Feiten

2. Vorderingen [eiser]

3. Standpunten [eiser]

4. Standpunten Dexia

5. Beoordeling van de vorderingen.

1. Feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt (worden) haar rechtsvoorgangster(s) daaronder mede begrepen.

1.2. Op of omstreeks 2 november 2001 heeft [eiser] een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Korting-Koers Lease-service waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij Labouchere (hierna: lease-overeenkomst 1). Deze overeenkomst, met als uitgevende instelling Koers-Kompas Effectenvernieuwing N.V., is aangegaan onder nummer 12407455 voor een periode van 120 maanden en bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 11.344,51 een certificaat leaset en dat hij 120 maandelijkse termijnen van telkens € 159,50 verschuldigd is. De totale leasesom beloopt € 19.139,90 waarin begrepen € 7.795,40 rente. Per 24 december 2004 is de overeenkomst op verzoek van [eiser] door Dexia beëindigd.

1.3. Op 19 juli 2002 is [eiser] gehuwd met [echtgenote] (hierna: Echtgenote).

1.4. Op of omstreeks 23 september 2002 heeft [eiser] wederom een lease-overeenkomst ondertekend met de naam Korting-Koers Lease-service waarop hij als lessee staat vermeld, met als wederpartij Labouchere (hierna: lease-overeenkomst 2). Deze overeenkomst, met als uitgevende instelling Koers-Kompas Effectenvernieuwing N.V., is aangegaan onder nummer 14213639 voor een periode van 120 maanden en bepaalt onder meer dat [eiser] in totaal voor een aankoopsom (hoofdsom) van € 7.500,00 een certificaat leaset en dat hij 120 maandelijkse termijnen van telkens € 105,45 verschuldigd is. De totale leasesom beloopt € 12.654,00 waarin begrepen € 5.154,00 rente. Per 24 december 2004 is de overeenkomst op verzoek van [eiser] door Dexia beëindigd.

1.5. [Eiser] is geboren op [geboortedatum] 1975 en was 26 jaar oud ten tijde van het aangaan van lease-overeenkomst 1. Hij heeft een diploma LBO opleiding Bouwtechniek, differentiatie Timmeren, en voorts enige vakopleidingen met succes gevolgd. Het netto inkomen van [eiser] bedroeg in 2001 ongeveer € 1.500,00 per maand. [eiser] had voorafgaand aan het aangaan van de lease-overeenkomst(en) geen andere effectenlease-overeenkomsten gesloten en had geen voor beleggen relevante opleiding dan wel beroepservaring. Hij beschikte destijds niet over vermogen van enige omvang.

1.6. [Eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 1 38 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 6.061,- aan Dexia betaald. Op 24 december 2004 is € 559,50 ter zake van de hierna genoemde eindafrekening verrekend met de opbrengst van lease-overeenkomst 2.

1.7. [Eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 2 aan Dexia betaald 27 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 2.847,15.

1.8. Op 24 december 2004 heeft Dexia voor beide lease-overeenkomsten een eindafrekening (hierna: eindafrekening) opgesteld volgens welke [eiser] uit hoofde van lease-overeenkomst 1 nog € 559,50 verschuldigd was en ter zake van lease-overeenkomst 2 recht had op een bedrag van € 1.158,83. Laatstgenoemd bedrag is, zoals hiervoor vermeld, deels verrekend met de vordering van Dexia op [eiser] uit hoofde van lease-overeenkomst 1 en voor het overige door Dexia aan [eiser] uitbetaald.

1.9. [echtgenote] heeft aan [eiser] geen schriftelijke toestemming verleend voor het aangaan van lease-overeenkomst 2.

1.10. Bij brief van 7 april 2005 is namens [echtgenote] met een beroep op artikel 1:89 BW de nietigheid althans vernietiging ingeroepen van lease-overeenkomst 2.

2. Vorderingen [eiser]

[Eiser] vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten nietig zijn;

- Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door [eiser] uit hoofde van de lease-overeenkomsten aan Dexia is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [eiser] tot de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van zodanige bedragen als de kantonrechter zal vermenen te behoren;

Subsidiair

- te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomsten door [eiser], althans [echtgenote], terecht zijn vernietigd;

- Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door [eiser] uit hoofde van genoemde overeenkomsten aan Dexia is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [eiser] tot de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van zodanige bedragen als de kantonrechter zal vermenen te behoren;

Meer subsidiair

- te verklaren voor recht dat Dexia jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld;

- Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door [eiser] uit hoofde van de lease-overeenkomsten aan Dexia is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [eiser] tot de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van zodanige bedragen als de kantonrechter zal vermenen te behoren;

Uiterst subsidiair

- de lease-overeenkomsten geheel, althans gedeeltelijk te vernietigen op grond van dwaling, bedrog, wanprestatie en/of misbruik van omstandigheden;

- Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen door [eiser] uit hoofde van de lease-overeenkomsten aan Dexia is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [eiser] tot de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van zodanige bedragen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

Voorts wordt veroordeling van Dexia in de proceskosten gevorderd.

3. Standpunten [eiser]

3.1. [Eiser] is van mening dat de lease-overeenkomsten nietig zijn wegens strijd met de Wet op het Consumentenkrediet (WCK). [eiser] is daarnaast van mening dat de lease-overeenkomsten buitengerechtelijk ontbonden c.q. vernietigd zijn wegens dwaling en/of bedrog, misbruik van omstandigheden en omdat Dexia niet heeft voldaan aan haar zorgplicht. Verder acht [eiser] de handelwijze van Dexia jegens hem onrechtmatig, op grond waarvan hij Dexia gehouden acht de door hem dientengevolge geleden schade te vergoeden. Tot slot stelt [eiser] dat sprake is van huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve van koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dat hij dus voor het aangaan van lease-overeenkomst 2 de toestemming behoefde van [echtgenote] ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat [echtgenote] deze (schriftelijke) toestemming niet verleend heeft, heeft zij deze overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen.

3.2. Volgens [eiser] is Dexia aansprakelijk voor de door hem geleden schade. De schade bestaat volgens hem uit alle financiële gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten, althans uit de reeds door hem betaalde bedragen.

3.3. Volgens [eiser] is Dexia wettelijke rente verschuldigd over alle betaalde bedragen, ingaande de dag van betaling.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia betwist dat de WCK van toepassing is op de lease-overeenkomsten. Eveneens betwist Dexia dat de lease-overeenkomsten door dwaling en/of bedrog tot stand zijn gekomen, dat zij tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht(en) of dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Volgens Dexia beschikte [eiser] bij het aangaan van de lease-overeenkomsten over alle relevante informatie.

4.2. Voorts voert Dexia aan dat geen sprake is van vernietigbaarheid van lease-overeenkomst 2 als bedoeld in artikel 1:89 BW omdat – kort gezegd – artikel 1:88 BW geen betrekking heeft op vermogensrechten als de onderhavige, geen sprake is van huurkoop bij gebrek aan aflevering en omdat partijen niet hebben beoogd om de afnemer de effecten te doen verkrijgen. Dexia stelt verder dat de huwelijkspartner de in artikel 1:88 BW bedoelde toestemming ook op andere wijze dan schriftelijk kan verlenen en dat [echtgenote] dit ook gedaan heeft.

4.3. Tenslotte betwist Dexia de schade, althans betwist zij daarvoor aansprakelijk te zijn.

5. Beoordeling van de vorderingen

5.1. In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN nummer BA 3914, zijn in een soortgelijk geschil een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, waarvan voor dit geding met name van belang zijn:

huurkoop (rov 8.1);

artikel 1:88/1:89 BW (rov 8.2);

strijd met de WCK (rov 8.3);

dwaling (rov 8.5);

toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR), (rov 8.8);

nakoming zorgplicht (rov 8.9);

verdeling van het nadeel (rov 9).

De kantonrechter neemt de overwegingen uit het vonnis van 27 april 2007 op deze onderdelen over, voor zover daarvan niet hierna wordt afgeweken. De kantonrechter zal eerst ingaan op de stellingen inzake de nietigheid van beide overeenkomsten, vervolgens op de ten aanzien van lease-overeenkomst 2 ingeroepen nietigheid op grond van artikel 1:88/1:89 BW en vervolgens de overige stellingen bespreken.

Strijd met WCK

5.2. Dexia beschikte niet over een vergunning krachtens de WCK, op welke grond de (ver)nietig(baar)heid van de lease-overeenkomsten is bepleit.

5.3. De toepasselijkheid van de WCK kan in het midden blijven. Ook indien [eiser] zich terecht op die regeling zou beroepen, zouden de gevolgen daarvan eveneens beoordeeld moeten worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de lease-overeenkomsten dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

Dwaling; bedrog; misbruik van omstandigheden

5.4. Uit de inhoud van de lease-overeenkomsten en de bijbehorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease had [eiser] kunnen en moeten afleiden dat sprake was van leningen met renteverplichtingen voor de financiering van ten behoeve van hem gekochte effecten, en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van het aankoopbedrag. De lease-overeenkomsten geven bovendien aan welke rente in rekening wordt gebracht en wat de totale leasesom is. Bij vragen daaromtrent had (ook) van [eiser] enig nader onderzoek mogen worden verwacht. Voor zover [eiser] onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken een overeenkomst is aangegaan, kan die onjuiste voorstelling derhalve niet tot vernietiging van de lease-overeenkomsten wegens dwaling leiden.

5.5. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de lease-overeenkomsten en de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease is geen sprake van een opzettelijke gedane onjuiste mededeling dan wel het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat Dexia verplicht was mede te delen, noch van enige andere kunstgreep. Het beroep op bedrog wordt derhalve verworpen.

5.6. [eiser] heeft verder aangevoerd dat sprake zou zijn van misbruik van omstandigheden. Dit beroep dient eveneens te worden verworpen. Uit hetgeen gesteld is, blijkt niet dat Dexia, wetende of moetende begrijpen dat [eiser] door bijzondere omstandigheden (zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) bewogen werd tot het aangaan van de lease-overeenkomsten, het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen zij wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW).

Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW.

5.7. Lease-overeenkomsten als de onderhavige worden aangemerkt als huurkoop.

5.8. Artikel 1:88 lid 1 onder d BW is op lease-overeenkomst 2 van toepassing. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de daar bedoelde toestemming voor deze lease-overeenkomst ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9721, rov 2.12.3). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [echtgenote] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

5.9. De verjaringstermijn voor dit beroep is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW 3 jaar.

Nu lease-overeenkomst 2 is gesloten op of omstreeks 23 september 2002 en [echtgenote] per brief van 7 april 2005, en derhalve tijdig, een beroep op de vernietigbaarheid heeft gedaan dient dit beroep te worden gehonoreerd. Lease-overeenkomst 2 is derhalve nietig. Dientengevolge dienen alle betalingen van [eiser] aan Dexia ter zake van deze lease-overeenkomst te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen hij ter zake van die overeenkomst van Dexia ontvangen heeft.

5.10. [eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 2 aan Dexia 27 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 2.847,15 betaald. Volgens de eindafrekening was sprake van een positief eindsaldo en is een bedrag van € 1.158,83 aan [eiser] uitgekeerd, waarvan € 559,50 ter voldoening van het negatieve eindsaldo uit lease-overeenkomst 1. Derhalve is het nadeel uit hoofde van lease-overeenkomst 2 € 1.688,32.

5.11. Gegeven vorenstaande behoeven de overige stellingen alleen behandeling in het kader van de beoordeling van lease-overeenkomt 1.

Toepasselijkheid Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (NR)

5.12. Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplicht. Het verweer van Dexia dat de NR onverbindend is treft geen doel.

Nakoming zorgplicht en toerekening van het nadeel

5.13. [Eiser] heeft Dexia verweten dat Dexia te zijnen opzichte de op haar rustende zorgplicht niet is nagekomen onder meer doordat Dexia niet of onvoldoende gewezen heeft op de risico’s van het onderhavige product. Het verweer van Dexia hiertegen dient als onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd te worden. Dexia had haar afnemers op niet mis te verstane wijze op die risico’s dienen te wijzen. De brochures en folders waar Dexia zich op beroept, houden een dergelijke waarschuwing niet in en door Dexia is ook niet gesteld of aangetoond dat zij op andere wijze aan deze informatieverplichting voldaan heeft. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

5.14. Op gronden als vermeld in het vonnis van 27 april 2007 is het onaanvaardbaar om Dexia onverkort alle nadeel te laten dragen en dient het voor rekening van Dexia komende nadeel te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (LJN: AU6092). Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van [eiser] die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat lease-overeenkomst 1 tot stand zou zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden van [eiser] (bepalend voor de vraag of deze financiële risico's wenste te lopen en in hoeverre dat verantwoord was), de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring waarover [eiser] beschikte (zowel ten aanzien van beleggingen als daarbuiten), een en ander ten tijde van het aangaan van lease-overeenkomst 1. Ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen, voor zover aangenomen kan worden dat die omstandigheden van wezenlijke invloed zijn geweest op de beslissing van [eiser] om de overeenkomst aan te gaan.

5.15. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals hiervoor onder 1.5 bij de feiten vermeld, is voor [eiser] categorie II van toepassing en dient, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, 60 % van het nadeel uit hoofde van lease-overeenkomst 1 voor rekening van Dexia te komen en het resterende percentage (40%) voor rekening van [eiser].

5.16. In het voetspoor van het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007 gaat de kantonrechter met het oog op een gelijke behandeling van gelijk(soortig)e zaken bij de berekening van het nadeel uit van een fictieve looptijd van 60 maanden, nu - bijzondere omstandigheden daargelaten - een langere termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaard kan worden. Hieruit volgt dat termijnbetalingsverplichtingen, die na deze 60 maanden resteren, niet tot het nadeel zullen worden gerekend. In onderhavig geval komt deze berekening neer op een bedrag van € 9.570,00. Verder wordt, bij gebreke van nadere informatie, tot het nadeel gerekend de restant hoofdsom volgens de eindafrekening, zijnde € 9.102,11, te verminderen met de opbrengst van het geleasede certificaat, zijnde € 8.916,33, eveneens volgens de eindafrekening.

5.17. Het totale nadeel uit hoofde van lease-overeenkomst 1 bedraagt derhalve € 9.755,78. Hiervan dient, gelet op het in 5.15 genoemde percentage, een bedrag van € 3.902,31 voor rekening van [eiser] te blijven.

5.18. [Eiser] heeft ter zake van lease-overeenkomst 1 aan Dexia 38 maandelijkse termijnen voor een totaalbedrag van € 6.061,00 betaald. Volgens de eindafrekening was [eiser] op het moment van beëindiging van deze lease-overeenkomst nog een bedrag van € 559,50 verschuldigd, welk bedrag door hem door middel van verrekening met de uitkering uit hoofde van lease-overeenkomst 2 is voldaan. Derhalve is door [eiser] in totaal een bedrag van € 6.620,50 aan Dexia betaald. Hierop wordt in mindering gebracht voornoemd bedrag van € 3.902,31 dat voor rekening van [eiser] dient te blijven, zodat Dexia uit hoofde van deze lease-overeenkomst per saldo aan [eiser] dient te voldoen € 2.718,19.

Wettelijke rente

5.19. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft Dexia nog aangevoerd dat zij eerst in verzuim heeft kunnen geraken na in gebreke te zijn gesteld. De kantonrechter kan Dexia hierin wat betreft lease-overeenkomst 1 niet volgen. Immers, Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht, na schending daarvan vóór de totstandkoming van deze lease-overeenkomst, nadien niet meer deugdelijk kunnen nakomen. In die zin – en ook overigens – is voor het intreden van verzuim niet vereist dat Dexia in gebreke is gesteld. Aangezien voorts het als gevolg van de schending van de zorgplicht geleden nadeel is ontstaan met de aan Dexia gedane betalingen, dient voor de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente voor wat betreft lease-overeenkomst 1 telkens te worden uitgegaan van de data waarop [eiser] zijn betalingen aan Dexia heeft verricht (zie in deze zin hof te Amsterdam 24 mei 2007, LJN BA5684). Tevens dient in ogenschouw te worden genomen dat het in dit verband in aanmerking te nemen nadeel niet alleen bestaat uit door [eiser] betaalde termijnen, maar ook uit nog verschuldigde doch niet betaalde termijnen en restschuld. Dit brengt mee dat de betalingen van [eiser] voor de berekening van de wettelijke rente niet geheel, maar voor een deel in aanmerking worden genomen. Het in aanmerking te nemen deel is een breuk, waarbij de teller wordt gevormd door het bedrag dat [eiser] uit hoofde van lease-overeenkomst 1 dient terug te ontvangen en de noemer door het bedrag dat [eiser] ter zake van die leaseovereenkomst aan Dexia heeft betaald. De aldus voor de berekening van het wettelijke rente in aanmerking te nemen bedrag is te stellen op 41,06% van de door [eiser] betaalde bedragen, rekening houdend met de respectieve betaaldata van de termijnen en de betaaldatum van de restschuld.

5.20. Wat betreft lease-overeenkomst 1 dient Dexia een bedrag van € 2.718,19 (zie rechtsoverweging 5.18 hiervoor) aan [eiser] te betalen. Tussen eind november 2001 en eind december 2004 heeft [eiser] 38 termijnen van € 159,50 betaald. Dexia is de wettelijke rente verschuldigd telkenmale vanaf het moment van betaling en, gelet op het hiervoor onder 5.19 overwogene, over 41,06% van dit bedrag. Daarnaast is door [eiser] een bedrag van € 559,50 (door middel van verrekening) voldaan. Dexia is de wettelijke rente verschuldigd over 41,06% hiervan, zijnde € 229,73, vanaf de dag van verrekening, zijnde 24 december 2004.

5.21. Voor wat betreft het in het kader van lease-overeenkomst 2 terug te betalen bedrag is de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het in 5.10 genoemde saldo van de

door Dexia te restitueren betalingen vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde het moment waarop de in de onder 1.10 bedoelde brief als betalingster-mijn op te vatten periode van twee weken verstreek, derhalve met ingang van 22 april 2005.

Overige stellingen

5.22. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

5.23. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Overig

5.24. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding(en). De eigendom van de in het kader van de lease-overeenkomsten gekochte effecten is bij Dexia verbleven.

Beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat artikel 1:88 BW op lease-overeenkomst 2 van toepassing is en dat die lease-overeenkomst derhalve buitengerechtelijk vernietigd is;

II. veroordeelt Dexia aan [eiser] te voldoen:

- € 2.718,19 als hoofdsom ter zake van lease-overeenkomst 1;

- de wettelijke rente over 41,09% van iedere uit hoofde van lease-overeenkomst 1 betaalde termijn vanaf het moment van betaling tot aan de dag der voldoening;

- de wettelijke rente over € 229,73 vanaf 24 december 2004 tot aan de dag der voldoening;

- € 1.688,32 als hoofdsom ter zake van lease-overeenkomst 2;

- de wettelijke rente over € 1.688,32 vanaf 22 april 2005 tot aan de dag der voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 103,00

- voor het exploot van dagvaarding € 85,60

- voor salaris van gemachtigde € 400,00

In totaal: € 588,60

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.S.F. Voskens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter