Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB8746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
13.497.275-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende garantie dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.275-2007

RK nummer: 07/2961

Datum uitspraak: 31 juli 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 mei 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 10 mei 2007 door de justitiële autoriteit, de substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, België. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[de opgeeiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1958,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Nieuwegein” te Nieuwegein,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 juni 2007. De behandeling is op die zitting aangehouden en voortgezet op de zitting van 22 juni 2007. Op deze beide zittingen zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Bij interlocutoire uitspraak d.d. 6 juli 2006 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst teneinde een aanvullende garantie van de Belgische autoriteiten te verkrijgen.

De behandeling van de vordering is op 20 juli 2007 voortgezet. Op de zitting zijn de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. P.H.L.M. Souren, optredende namens zijn kantoorgenoot mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van de vordering aanwezig te zijn.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde, derde kamer, d.d. 19 mei 2006 (ref: OU.21.99.239/00 EAU 2/07) ten grondslag.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de uitvaardigende staat van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van onderdeel e) van het EAB.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Belgische nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Op deze feiten is bovendien naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Artikel 12 van de Overleveringswet

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige EAB - vooralsnog - strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis en dat de rechtbank derhalve dient te onderzoeken of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon gewaarborgd zijn, zoals bedoeld in artikel 12 OLW, alvorens de overlevering kan worden toegestaan.

Op grond van de OLW dient de rechtbank het bestaan van deze waarborg met de grootste mate van zekerheid vast te stellen, om er zeker van te zijn dat de opgeëiste persoon niet, ten gevolge van de betekening van het EAB in Nederland, reeds bij aankomst in België niet-ontvankelijk blijkt te zijn in zijn verzet.

In het EAB is in onderdeel d) het volgende vermeld:

Het exploot van dagvaarding is betekend aan de Procureur des Konings te Oudenaarde, bij gebreke aan bekende woon- of verblijfplaats; de dagvaarding werd niet aan de gedaagde ter hand gesteld.

en is de volgende garantie opgenomen:

Het vonnis waarvan de uitvoering wordt benaarstigd, is nog niet aan [de opgeeiste persoon] in persoon betekend. Deze betekening zal gebeuren wanneer hij het Belgisch grondgebied zal betreden. Volgens het bepaalde in artikel 187 van het Belgisch Wetboek van Strafvordering zal hem vanaf datum van betekening een termijn openstaan van vijftien dagen om verzet aan te tekenen tegen het vonnis a quo, rechtsmiddel waardoor, bij geldig verzet, de strafprocedure ten gronde zal worden overgedaan.

Bij brief van 21 juni 2007 van voornoemde Procureur des Konings is een aanvullende garantie gegeven, inhoudende:

Zo [de opgeeiste persoon] aan België zal worden overgedragen, zal hem het geciteerde vonnis van 19 mei 2006 opnieuw worden betekend, waarna hem, luidens artikel 187 van het Belgisch Wetboek van Strafvordering een termijn van 15 dagen zal openstaan om verzet tegen het bestaande vonnis aan te tekenen.

Het is de rechtbank bekend dat naar Belgisch recht de bijzondere verzettermijn van vijftien dagen gaat lopen vanaf het moment dat de veroordeelde kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis aan de Procureur des Konings.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de bevindingen en beoordeling door de Hoge Raad in de - onder de Uitleveringswet gewezen - uitspraken, gepubliceerd onder LJN AT6197 en AT6200.

Uit de genoemde arresten van de Hoge Raad valt evenwel af te leiden dat de verzetstermijn van het verstekvonnis is gaan lopen op het moment dat de veroordeelde in de uitleveringsprocedure kennis van die betekening krijgt. De rechtbank ziet geen reden waarom dat in overleveringszaken anders zou zijn. Om die reden heeft de rechtbank in soortgelijke overleveringszaken de overlevering geweigerd.

Nu de opgeëiste persoon in het onderhavige geval in het kader van de overleveringsprocedure kennis heeft gekregen van voornoemd vonnis van 19 mei 2006 en van de betekening daarvan aan de Procureur des Konings op 2 juni 2006, kan de rechtbank niet uitsluiten dat, ondanks alle gegeven uitgebreide garanties, de verzettermijn reeds is gaan lopen. Aldus beoordeelt de rechtbank de hiervoor weergegeven garanties als onvoldoende.

Uit die garanties kan immers niet zonder meer volgen dat de rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde ook het door de Procureur des Konings bij die rechtbank vertolkte standpunt pleegt te huldigen. Bovendien is het de rechtbank ambtshalve bekend dat andere Belgische uitvaardigende autoriteiten zich in vergelijkbare gevallen inderdaad op het standpunt hebben gesteld dat de termijn voor verzet ingaat op het moment waarop de opgeëiste persoon in de overleveringsprocedure kennis heeft gekregen van de betekening van het bij verstek gewezen vonnis of arrest.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank derhalve onvoldoende vast dat - effectief - verzet mogelijk is en het vonnis niet inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.

Met het oog hierop heeft de rechtbank in haar interlocutoire uitspraak van 6 juli 2007 aan de Belgische justitiële autoriteiten verzocht een garantie te verstrekken met de volgende strekking:

Indien de Belgische rechter de opgeëiste persoon niet zal ontvangen in zijn eventuele verzet, omdat het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Oudenaarde van 19 mei 2006 toch in kracht van gewijsde blijkt te zijn gegaan vanwege de kennisneming door de opgeëiste persoon van de betekening van dat arrest aan de Procureur des Konings, zal de bij dat arrest opgelegde vrijheidsstraf niet ten uitvoer worden gelegd dan nadat de Belgische autoriteiten de opgeëiste persoon in de gelegenheid hebben gesteld het grondgebied van België te verlaten en hij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt dan wel, nadat hij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, in dat grondgebied is teruggekeerd.

Bij brief van 17 juli 2007 heeft de Procureur des Konings te Oudenaarde, België, meegedeeld dat hij de door de rechtbank gevraagde aanvullende garantie niet kan verstrekken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot haar oordeel dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit onvoldoende garantie is gegeven dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de rechtzitting, zodat de overlevering in gevolge het bepaalde in artikel 12 van de OLW moet worden geweigerd.

7. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [de opgeeiste persoon], aan de substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, België, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende staat wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Heft op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. J.M.J. Lommen-van Alphen en A.H.J. Swart, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 31 juli 2007.