Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB8008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
22-11-2007
Zaaknummer
AWB 05/4068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet voorzieningen gehandicapten / vervoerskostenvergoeding / gelijkheidsbeginsel

Eiser heeft aangevoerd dat zijn vervoersbehoefte uitstijgt boven de 2000 kilometers per jaar en om die reden in aanmerking dient te komen voor een hogere vervoerskostenvergoeding. Eiser heeft tevens een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn grotere vervoersbehoefte onvoldoende met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een tegemoetkoming toe te kennen die is gebaseerd op 2000 kilometers. De rechtbank is verder van mening dat geen sprake is van gelijke gevallen waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/4068 WVG

van:

[Eiser], wonende te Amsterdam Zuidoost,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M.C.W. van der Voort,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 6 september 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 28 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit I). Bij besluiten van 2 maart 2006 (hierna: bestreden besluit II) en 7 april 2006 (hierna: bestreden besluit III) heeft verweerder aanvullende besluiten genomen op het bezwaar van eiser waarop in het bestreden besluit I was beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 februari 2007 heropend teneinde de zaak door te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek is vervolgens gesloten ter zitting van 15 maart 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontving van verweerder in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) een volledige vervoerskostenvergoeding van € 1279,- per jaar.

Bij besluit van 8 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, voor zover voor deze zaak van belang, het beleid met betrekking tot de vervoerskostenvergoeding gewijzigd.

Op 16 februari 2005 heeft eiser verweerder verzocht om verlenging van de tegemoetkoming in de vervoerskosten. Eiser heeft daarbij aangegeven over een personenauto te beschikken.

Bij primair besluit van 4 april 2005 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de eerder toegekende vervoerskostenvergoeding wordt afgebouwd in de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 in het kader van het gewijzigde beleid en de in dat kader vastgestelde overgangsregeling. Nu eiser heeft aangegeven in het bezit te zijn van een personenauto wordt op basis daarvan een tegemoetkoming in de kosten van een personenauto toegekend ter hoogte van € 580,00 (2000 leefkilometers x € 0,29) per jaar, aldus verweerder. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. In het tegen dit besluit gerichte beroep heeft eiser gesteld dat hij niet is gehoord op zijn bezwaar. Verweerder heeft eiser daarop alsnog in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Op de hoorzitting heeft de gemachtigde van eiser een nadere schriftelijke toelichting op eisers bezwaar gegeven. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder overwogen dat in hetgeen namens eiser op de hoorzitting is aangevoerd geen reden wordt gezien om het primaire besluit te herzien. Het bezwaar van eiser is opnieuw ongegrond verklaard.

Op de zitting van 29 november 2006 heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd uitgelegd dat de bestreden besluiten II en III aanvullingen zijn op het bestreden besluit I en dat de besluiten in onderlinge samenhang met elkaar dienen te worden gelezen. Verweerder heeft aan genoemde besluiten ten grondslag gelegd dat de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld op basis van het soort vervoermiddel dat iemand in zijn bezit heeft. In het geval van eiser is dit een personenauto en wordt een bedrag van € 580,00 per jaar toegekend. Verweerder heeft verder betoogd dat uit de jurisprudentie volgt dat geen rekening behoeft te worden gehouden met alle bij de gehandicapte levende wensen, maar dat van belang is dat de gehandicapte in zijn woon- en leefomgeving kan deelnemen aan het leven van alledag.

Ten aanzien van het verzoek van eiser om een (hogere) vervoerskostenvergoeding van 72 kilometer per week (3744 kilometer op jaarbasis) heeft verweerder opgemerkt dat gebleken is dat eiser met zijn auto de boodschappen in de buurt kan doen waardoor het blijven halen van de boodschappen in zijn oude woonomgeving niet kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid waarvoor een hogere vervoerskostenvergoeding dient te worden verstrekt. Ten aanzien van het bezoeken van ziekenhuizen is overwogen dat het vervoer naar ziekenhuizen niet onder de zorgplicht valt. Aangezien eiser tijdens de hoorzitting geen bijzondere vervoersbehoefte heeft aangevoerd die zou moeten leiden tot een verhoging van de vervoerskostenvergoeding bestaat geen aanleiding om een hoger aantal leefkilometers te vergoeden dan het aantal van 2000 dat volgens de jurisprudentie als voldoende wordt beschouwd, aldus verweerder. Omdat eisers situatie niet afwijkt van die van vele andere gehandicapten bestaat voorts geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsbepaling.

In beroep tegen dit besluit heeft eiser aangevoerd dat hij een grotere vervoersbehoefte heeft dan de 2000 leefkilometers die hij op jaarbasis vergoed krijgt. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat gemeenten beleidsvrijheid hebben om rekening te houden met aan afwijkende vervoersbehoefte. Ten onrechte heeft verweerder dan ook geen rekening gehouden met de afwijkende vervoersbehoefte van eiser. Eiser kan vanwege zijn beperkingen/handicap maximaal 100-200 meter lopen en is dan ook voor vrijwel elke verplaatsing buitenshuis op een vervoersvoorziening aangewezen. Uit de jurisprudentie volgt dat in een dergelijke situatie voor de betrokkene een aanvullende voorziening dient te worden getroffen. Eiser doet tenslotte – onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2000, LJN: ZB8734 – een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser voert in dit verband aan dat iemand die zich met het collectief vervoer verplaatst slechts € 1,50 per retourrit betaalt terwijl een persoon die zich met de auto verplaatst voor dezelfde retourrit € 2,20 betaalt. Verweerder brengt hiermee een ongerechtvaardigd onderscheid aan tussen de ene categorie Wvg gerechtigden en de andere, aldus eiseres.

Bestreden besluiten I en II

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 2 maart 2006 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van eiser. Het beroep van eiser wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder met het besluit van 7 april 2006 een besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:18 van de Awb en dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van eiser. Het beroep van eiser wordt dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

De rechtbank constateert dat verweerder de besluiten van 28 juli 2005 en 2 maart 2006 bij besluit van 7 april 2006 heeft ingetrokken. Derhalve wordt het beroep tegen de besluiten van 28 juli 2005 en 2 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een proces-belang. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten (1 punt x € 322,00 x factor 1). Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit van 7 april 2006.

Bestreden besluit III

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het college van burgemeester en wethouders zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

In artikel 3 van de WVG is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders verantwoorde voorzieningen aanbiedt. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

Met de Verordening voorzieningen gehandicapten (hierna: de Verordening) heeft verweerder uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WVG.

Bij het besluit ‘Nieuwe invulling Wvg vervoer’ van 8 juli 2004 (hierna aangeduid als: het nieuwe beleid) heeft de Amsterdamse gemeenteraad de volledige vervoerskostenvergoeding inkomensonafhankelijk gemaakt en de hoogte afhankelijk gesteld van uitsluitend de meerkosten als gevolg van de handicap. In de toelichting op dit nieuwe beleid is aangegeven dat het begrip ‘meerkosten’ ziet op het feit dat een verplaatsing duurder is als gevolg van een handicap. Als iemand niet kan lopen of fietsen en geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of eigen auto is men afhankelijk van relatief kostbaar vervoer zoals een taxi of hulp van derden.Verder is volgens de toelichting de herijking van (onder meer) de vervoerskostenvergoedingen ingegeven door het feit dat in het kader van het oude beleid sprake was van overlappingen en doublures bij de vervoers(kosten)voorzieningen.

Blijkens de jurisprudentie van de CRvB gaat de zorgplicht van de gemeente in beginsel niet verder dan dat de gehandicapte in staat wordt gesteld 1500 tot 2000 zogenoemde leefkilometers per jaar te reizen. In Amsterdam was in het oude beleid de hoogte van de volledige vervoerskostenvergoeding gebaseerd op 3500 leefkilometers per jaar.

Er is voor gekozen om 3500 leefkilometers per jaar te handhaven voor de groep van WVG-cliënten (in het nieuwe beleid aangeduid als: groep 1) die niet met het (aanvullend) openbaar vervoer en niet met een eigen vervoermiddel kunnen reizen en voor wie de volledige vervoerskostenvergoeding de enige adequate voorziening is. Voor hen kan de WVG alleen geld bieden, waarbij is aangetekend dat dit als de minst optimale voorziening wordt gezien. Om dit gebrek aan bewegingsvrijheid te compenseren is de hoogte van de vergoeding gerelateerd aan 3500 leefkilometers en derhalve ruimer vastgesteld dan op grond van de jurisprudentiële norm strikt noodzakelijk is. Bij de twee andere groepen – bestaande uit mensen die in het bezit zijn van een eigen vervoermiddel, namelijk een scootmobiel of een eigen auto – heeft de gemeenteraad 2000 leefkilometers als uitgangspunt genomen.

De WVG-cliënten met een auto, personenbus of gesloten buitenwagen (in het nieuwe beleid aangeduid als: groep 3) ontvangen een gebruiksvergoeding gebaseerd op 2000 leefkilometers. De hoogte van de kilometervergoeding is daarbij afhankelijk gesteld van het soort vervoermiddel en is gebaseerd op de gemiddelde gebruikskosten. Voor een auto is de hoogte vastgesteld op € 0,29 per kilometer. Op jaarbasis is dit een vervoerskostenvergoeding van € 580,-.

Overwegingen met betrekking tot het geschil

In geschil is de vraag of verweerder door toekenning van de onderhavige vervoerskostenvergoeding een verantwoorde voorziening als bedoeld in artikel 3 van de WVG heeft aangeboden en of verweerder in redelijkheid, met inachtneming van een overgangsregeling, de vervoerskostenvergoeding van eiser met ingang van 1 april 2005 heeft kunnen verlagen van € 1279,- naar € 580,- per jaar.

De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezit is van een personenauto en derhalve behoort tot de groep gehandicapten die een vervoerskostenvergoeding ontvangt van € 580,- per jaar (groep 3). Als gevolg van de hiervoor vermelde beleidswijziging is voor de groep gehandicapten waarvan eiser deel uitmaakt (groep 3) de vervoerskostenvergoeding voor de toekomst lager vastgesteld dan de voorheen aan deze groep toegekende volledige vervoerskostenvergoeding. De rechtbank is van oordeel dat deze beleidswijziging niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat gelet op de hierboven aangehaalde jurisprudentiële basis van 2000 leefkilometers vaststaat dat de door verweerder onder het oude beleid gehanteerde norm van 3500 kilometers verder strekt dan verweerders zorgplicht.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat door verweerder ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen de groep gehandicapten die zich kan verplaatsen met het (aanvullend) openbaar vervoer en de groep gehandicapten waartoe eiser zelf behoort en die gebruik kan maken van een eigen vervoermiddel is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen. De gehandicapten die tot groep 3 behoren, beschikken immers over een eigen vervoermiddel, terwijl de gehandicapten die gebruik maken van het (aanvullend) openbaar vervoer geen eigen vervoermiddel tot hun beschikking hebben. Dit verschil rechtvaardigt een andersoortige vervoersvoorziening. Dat het gebruik van het (aanvullend) openbaar vervoer goedkoper is, maakt niet dat verweerders besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel komt.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn vervoersbehoefte uitstijgt boven de 2000 kilometers per jaar die worden vergoed en daarom in aanmerking dient te komen voor een hogere tegemoetkoming in de kosten voor het autogebruik dan € 580,-. Ter zitting van 29 november 2006 heeft eiser nader toegelicht dat hij drie keer in de week naar zijn zuster in Weesp gaat en één keer per twee weken zijn dochter bezoekt die in Amsterdam-West woont. Voorts heeft eiser gesteld dat hij elke week naar het AMC gaat en een bezoek brengt aan de pedicure. Nu eiser zijn grotere vervoersbehoefte onvoldoende met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten om een tegemoetkoming toe te kennen die gebaseerd is op 2000 kilometers.

Met betrekking tot de eerst in beroep betrokken stelling van eiser dat verweerder hem ten onrechte geen vergoeding voor de zeer korte afstand heeft toegekend overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de aanvraag van eiser meer behelsde dan een aanvraag voor verlenging van een tegemoetkoming in de vervoerskosten. De rechtbank hecht hierbij waarde aan het gegeven dat de gemachtigde van eiser kennis heeft genomen van het primaire besluit en de daaraan ten grondslag gelegde “Rapportage Afbouw + Opbouw vervoerskosten” van 4 april 2005 en daarop in de bezwaarfase is gereageerd zonder dat is aangevoerd dat de aanvraag ook betrekking zou moeten hebben op een andere voorziening dan een tegemoetkoming in de vervoerskosten. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag voor zover in geding, zich beperkt tot de aangevraagde tegemoetkoming in de vervoerskosten.

Gelet op de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 3 van de WVG gehouden was om een hogere vervoerskostenvergoeding toe te kennen dan € 580,- als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de auto.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden besluit III in rechte kan standhouden. Het hiertegen gerichte beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank in dit verband geen aanleiding. De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen de bestreden besluiten I en II, niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit III, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2007 door mr. F. Hoogendijk, voorzitter, en mrs. B.E. Mildner en C.G. Meeder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Koning-van As, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum:

De griffier,

De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B