Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
13.497352-2007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland. De omstandigheid dat de feitelijke levering van de cocaïne op 19 juni 2007 niet in het EAB is opgenomen omdat deze ten tijde van het opstellen van het EAB nog niet had plaatsgevonden, staat er niet aan in de weg dat de overlevering tevens wordt toegestaan voor deze levering. Gezien inhoud EAB en nadere informatie Duitse hoofdofficier van justitie is duidelijk dat de in het EAB genoemde voorbereidingshandelingen beoogden de levering van de cocaïne tot stand te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 10

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497352-2007

RK nummer: 07/3902

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 juni 2007 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 18 juni 2007 door de officier van justitie (Staatsanwältin) bij het openbaar ministerie (Staatsanwaltschaft) te Wuppertal, Bondsrepubliek Duitsland. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gede¬tineerd in huis van bewaring "Zwaag" te Zwaag,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 augustus 2007. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft op de zitting de termijn als bedoeld in artikel 22, lid 1 van de OLW op grond van artikel 22, lid 3 OLW met dertig dagen verlengd in verband met de bijzondere omstandigheid dat door de druk bezette agenda van de Internationale Rechtshulpkamer een eerdere behandeling van het EAB niet mogelijk was.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel (Haftbefehl) van het kantongerecht (Amtsgericht) Wuppertal, Bondsrepubliek Duitsland, d.d. 14 juni 2007 met nummer 8 Gs 567-568/07, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan, zoals de rechtbank begrijpt uit de aanvullende fax van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 augustus 2007, drie naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Albanese nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het nationale recht van de uitvaardigende justitiële autoriteit - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op deze feiten is bovendien naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de OLW

Uit het dossier blijkt dat de feiten, bedoeld onder 4.1 waarvoor de Duitse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond nu:

1. Slechts een deel waarvoor overlevering wordt verzocht mogelijk gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, te weten de verkoop van de verdovende middelen;

2. De opsporing en vervolging van het strafbare feit in Duitsland is aangevangen, en het onderzoek daar al langere tijd loopt, waarbij o.a. ook rechtshulpverzoeken aan Nederland zijn gedaan. De opgeëiste persoon is ook onderdeel van een grootschalig onderzoek dat reeds vanaf oktober 2006 in Duitsland loopt;

3. Het noodzakelijk wordt geacht dat de opgeëiste persoon in Duitsland gehoord wordt omtrent de feiten waarvoor hij wordt gezocht;

4. De bewijsmiddelen - onder meer in de vorm van tapverslagen, observatieverslagen en getuigen(verklaringen) - in Duitsland voorhanden zijn. Tevens bevindt de informatie die is verkregen naar aanleiding van de uitvoering van het rechtshulpverzoek zich in Duitsland.

De raadsman daarentegen heeft er op gewezen dat zeer belangrijke bewijsmiddelen zich in Nederland bevinden, namelijk een groot geldbedrag en 3 kilo cocaïne. Daarnaast is een groot aantal van de bewijsmiddelen uit Nederland afkomstig, zoals taps, observaties en processen-verbaal van aanhouding. De vervolging kan voorts in Nederland geconcentreerd worden nu Nederland de vervolging van twee in Nederland wonende medeverdachten ter hand heeft genomen. De raadsman heeft voorts gesteld dat eerst de rechtshulpverzoeken op basis waarvan in Nederland opsporingsonderzoek is verricht aan de stukken dienen te worden toegevoegd alvorens te kunnen beoordelen of de officier van justitie in redelijkheid tot haar beslissing om af te zien van de weigeringsgrond heeft kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 OLW bedoelde weigeringsgrond.

7. Verweren

Reikwijdte EAB

De raadsman heeft er op gewezen dat het EAB dateert van 18 juni 2007 en dat het verzoek tot overlevering aldus geen betrekking kan hebben op de feitelijke levering van de cocaïne op 19 juni 2007. De OLW en het Kaderbesluit staan niet toe dat een verzoekende staat de in het EAB omschreven feiten extensief interpreteert, aldus de raadsman, zeker niet wanneer door die interpretatie feiten onder het EAB zouden vallen die ten tijde van het uitbrengen van het EAB nog niet gepleegd waren. Het EAB dient inzicht te geven in het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering niet kan worden toegestaan voor zover deze ziet op de feitelijke levering van de cocaïne op 19 juni 2007.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het EAB, dat dateert van 18 juni 2007, komt onder andere naar voren dat vanaf begin juni 2007 voorbereidingshandelingen voor de levering van cocaïne hebben plaatsgevonden, waaraan de opgeëiste persoon zou hebben deelgenomen. Tijdens onderhandelingen heeft de opgeëiste persoon beloofd vier kilogram cocaïne te leveren, terwijl de opgeëiste persoon bovendien het transport van de verdovende middelen van Nederland naar Duitsland zou regelen.

De feitelijke levering van de cocaïne heeft op 19 juni 2007 in Nederland plaatsgevonden, waarna de opgeëiste persoon is aangehouden. Bij fax van 30 juli 2007 heeft de Duitse hoofdofficier van justitie te Wuppertal meegedeeld dat het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon ook de levering van de cocaïne op 19 juni 2007 omvat. Op een daartoe strekkende vraag van de Nederlandse officier van justitie heeft de Duitse hoofdofficier van justitie bij fax van 1 augustus 2007 een en ander nader toegelicht. Daarbij is uiteengezet dat volgens vaste rechtspraak van het Duitse Bundesgerichtshof reeds sprake is van een voltooide handel in verdovende middelen wanneer de verkoper de koopgegadigde een bindend en serieus verkoopaanbod doet. Alle activiteiten die met dezelfde goederenomzet te maken hebben, worden verbonden tot één waarderingseenheid. De activiteiten van de opgeëiste persoon hadden vanaf 1 juni 2007 tot en met 19 juni 2007 te maken met de levering van vier kilogram cocaïne aan de undercoveragent Sasa dan wel aan diens vermeende man achter de schermen, Attila. De leveringstoezegging aan Attila en het verschaffen van de vier kilogram cocaïne in Nederland op 19 juni 2007 berustten op een één geheel vormende beslissing en hadden met dezelfde goederenomzet te maken, aldus de Duitse hoofdofficier van justitie. Derhalve hebben het nationale arrestatiebevel van het Amtsgericht Wuppertal, alsmede het EAB betrekking op de gehele toedracht tot de aanhouding van [opgeëiste persoon] op 19 juni 2007.

De rechtbank is van oordeel dat het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het EAB en het onderliggende Duitse nationale arrestatiebevel de feitelijke levering van de cocaïne op 19 juni 2007 mede omvat. Gezien de inhoud van het EAB en de nadere informatie van de Duitse hoofdofficier van justitie is duidelijk dat de in deze bevelen genoemde voorbereidings-handelingen beoogden de levering van de cocaïne, die uiteindelijk op 19 juni 2007 heeft plaatsgevonden, tot stand te brengen. De omstandigheid dat de feitelijke levering van de cocaïne op 19 juni 2007 niet in het EAB is opgenomen omdat deze ten tijde van het opstellen van het EAB nog niet had plaatsgevonden, staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat de overlevering tevens wordt toegestaan voor de levering op 19 juni 2007. Het verweer wordt verworpen.

Artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de OLW

De raadsman heeft voorts gesteld dat bij het eerste in het EAB in onderdeel e) genoemde feit geen enkele relatie met Duitsland kan worden vastgesteld, zodat de overlevering voor dit feit dient te worden geweigerd op grond van artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de OLW.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het Haftbefehl d.d. 14 juni 2007 blijkt dat een zekere Antonis in verband met een levering van één kilogram cocaïne op 12 maart 2007 vanuit Griekenland naar Duitsland was gekomen om vervolgens op 14 maart 2007 samen met de opgeëiste persoon naar Nederland te reizen. Aldaar werd de cocaïne aan de opgeëiste persoon geleverd, die de drugs weer doorgaf aan een koerier. De cocaïne is vervolgens naar Griekenland of Albanië vervoerd, waarbij op 18 maart 2007 een grensovergang is gepasseerd. De opgeëiste persoon en Antonis zijn teruggekeerd naar Duitsland. Met instemming van de opgeëiste persoon werd een deel van de door de koerier vervoerde cocaïne aan een zekere Daku gegeven. Deze Daku heeft de cocaïne op Kreta verkocht. Tussen 31 maart 2007 en 2 april 2007 hebben telefonische besprekingen plaatsgevonden tussen de opgeëiste persoon en Daku over de vraag op welke wijze en aan wie de opbrengst van de cocaïneverkoop op Kreta overgemaakt diende te worden. Op 2 april 2007 heeft Daku vervolgens een geldbedrag overgemaakt op naam van een medeverdachte Cudina te Wuppertal, Duitsland. Deze Cudina en de opgeëiste persoon zijn vervolgens zelf het geld gaan afhalen bij de Postbank AG te Wuppertal.

De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat met betrekking tot het feit in Duitsland voorbereidings- en uitvoeringshandelingen hebben plaatsgevonden en aldus, anders dan door de raadsman gesteld, wel degelijk een relatie met Duitsland kan worden vastgesteld. Het veerweer ontbeert derhalve feitelijke grondslag en wordt verworpen.

8. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5, 7 en 13 van de OLW.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie (Staatsanwältin) bij het openbaar ministerie (Staatsanwaltschaft) te Wuppertal, Bondsrepubliek Duitsland, ten behoeve van het in de Bondrepubliek Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. J.M.J. Lommen-van Alphen en M.E.B. Terwee, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2007.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.