Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7747

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
AWB 07/3210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onder toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) aan vergunninghoudster vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van zevenentachtig woningen en een parkeergarage (hierna te noemen: de Tweeling) op een terrein gelegen aan de Caroline MacGillavrylaan te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in de zaak met reg.nr. AWB 07/3210 WRO

van:

[Verzoekers], allen wonende te Amsterdam,

verzoekers,

vertegenwoordigd door mr. S.H. van den Ende,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.C. H. van Dijk

Tevens heeft aan het geding deelgenomen Heddes Vastgoed B.V.,

vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman.

1. PROCESVERLOOP

Op 10 augustus 2007 heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het bezwaar van verzoekers van 9 april 2007 gericht tegen een besluit van verweerder van 3 april 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 29 augustus 2007.

2. OVERWEGINGEN

Het oordeel van de rechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Bij besluit van 3 april 2007 heeft verweerder onder toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) aan vergunninghoudster vrijstelling van het bestemmingsplan en een bouwvergunning verleend voor het oprichten van zevenentachtig woningen en een parkeergarage (hierna te noemen: de Tweeling) op een terrein gelegen aan de Caroline MacGillavrylaan te Amsterdam.

Verzoekers hebben zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat een beslissing op hun bezwaarschrift is genomen.

Verzoekers hebben aangevoerd dat het ontwerp van de Tweeling voorziet in twee woontorens waarvan de hoogste de maximale bouwhoogte die in het bestemmingsplan is voorzien met meer dan 70% overschrijdt, waardoor de inbreuk op het bestaande planologisch regime zeer groot is. Gelet daarop achten zij de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing onvoldoende. Zij vinden ook dat met hun belangen onvoldoende rekening is gehouden. Ook achten zij het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand omdat het in strijd is met de criteria van de welstandsnota. Voorts stellen verzoekers dat het aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoek luchtkwaliteit om meerdere redenen niet aan de te stellen eisen voldoet. Daarnaast hebben zij gesteld dat de voorziene windschermen niet in de bouwvergunning zijn begrepen, terwijl maatregelen in het kader van het te verwachten slechtere windklimaat benodigd zijn zodat zonder de uitwerking van deze maatregelen de bouwvergunning en vrijstelling niet verleend hadden mogen worden. Tenslotte stellen zij dat de door verweerder verleende vrijstelling van artikel 16 van de planvoorschriften, dat een bouwverbod behelst in waterkeringen, niet geldt voor de windschermen, omdat het waterschap bij de advisering zich alleen heeft gebaseerd op de tekeningen bij de aanvraag voor de bouwvergunning waarop de windschermen niet voorkomen.

De rechter overweegt als volgt.

Wettelijk kader

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Wetenschap en Technologie Centrum Watergraafsmeer” (hierna: het bestemmingsplan WTCW). De bouwplannen zijn gelegen op gronden waarop ingevolge dit bestemmingsplan de bestemming "Wonen 2 (W2)” rust.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor a. woningen met inbegrip van bijbehorende bergingen en andere nevenruimten, huisgebonden beroepen; b. maatschappelijke voorzieningen en c. voor wat betreft de onbebouwd blijvende delen tevens voor water, tuinen en erven.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel mag op de in het eerste lid genoemde gronden slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde bestemming.

Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel gelden voor de in de leden 1 en 2 genoemde gronden en bouwwerken de maximumbouwhoogte zoals op de kaart staat aangeduid en een maximumbebouwingspercentage van 60. Indien uit nader windhinderonderzoek blijkt dat sprake zal zijn van een slecht windklimaat, kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen, gericht op het treffen van passende maatregelen.

Uit de plankaart blijkt dat ter plaatse van het geplande bouwwerk een maximale bouwhoogte geldt van 30 meter.

Ingevolge het vijfde lid van voornoemd artikel is bebouwing slechts toegestaan, indien meerdere losstaande woongebouwen worden gerealiseerd waartussen zichtlijnen dwars op de Ooster Ringdijk worden gerealiseerd, en indien onder de op het dijktalud gesitueerde bebouwing een zodanige openheid wordt gerealiseerd dat vanaf het verkeersareaal zicht blijft bestaan op het profiel van het dijklichaam.

Ingevolge artikel 16, eerste lid onder c, van de planvoorschriften is het verboden te bouwen op gronden welke op de kaart nader zijn aangeduid met “waterkering”, alsmede de daarmee samenhangende beschermingszones.

Ingevolge artikel 16, eerste lid onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van de bestemming ter plaatse vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder c nadat advies is ingewonnen van de beheerder van de waterkeringen.

Artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid van artikel 19 WRO bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan wordt verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Artikel 7, eerste lid, van Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005, het Besluit) bepaalt, voor zover hier van belang, dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden in acht nemen voor – onder meer – stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10) en benzeen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat in afwijking van het eerste lid de bevoegdheden mede kunnen worden uitgeoefend, indien

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Op grond van artikel 15 van het Blk 2005 gelden, voor zover hier van belang, voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 2010.

Op grond van artikel 20 van Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Op grond van artikel 23 gelden voor benzeen de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties:

a. tot 2010 januari 2010, 10 microgram per m3;

b. met ingang van 1 januari 2010, 5 microgram per m3.

In artikel 2, eerste lid, van het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit (Mrv) is bepaald dat deze regeling van toepassing is op het door middel van metingen en berekeningen bepalen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit van de uitoefening van bevoegdheden of de toepassing van wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 7 van het Besluit.

In artikel 3 van het Mrv – voor zover hier van belang – is bepaald dat vóór 15 maart van ieder kalenderjaar de volgende gegevens worden bekendgemaakt:

a. een overzicht van de grootschalige concentratiegegevens van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, ozon en benzeen van het voorafgaande kalenderjaar;

b. een overzicht van de prognoses van de grootschalige concentratiegegevens van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, ozon en benzeen van het tiende kalenderjaar volgend op het voorafgaande kalenderjaar en de jaren 2010 en 2020.

In artikel 4, eerste lid, van het Mrv is bepaald dat bij het door middel van berekeningen bepalen van de gevolgen van de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bestuursorganen gebruik maken van de gegevens, bedoeld in artikel 3. In het tweede lid van artikel 4 is bepaald dat bestuursorganen andere gegevens gebruiken dan de gegevens bedoeld in artikel 3, onder a of b, indien die andere gegevens zijn goedgekeurd door de Minister. De goedkeuring wordt in elk geval onthouden indien:

a. bij de totstandkoming van die andere gegevens, de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 niet op een juiste wijze is toegepast;

b. de andere gegevens niet een beeld geven van de grootschalige concentratiegegevens en de prognoses daarvan in een bepaald gebied dat qua representativiteit ten minste gelijkwaardig is aan de gegevens bedoeld in artikel 3, onder a en b, of

c. de totstandkoming of het gebruik van de andere gegevens niet op een deugdelijke wijze is onderbouwd.

In artikel 9, eerste lid, van het Mrv is bepaald dat het bepalen door middel van berekeningen van de gevolgen voor de luchtkwaliteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij een weg plaatsvindt volgens de in de bijlage 1A beschreven standaardmethode 1, dan wel volgens de in de bijlage 1B beschreven standaardmethode 2, al naar gelang en voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van de ene dan wel de andere methode.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt – voor zover hier van belang – dat van de standaardrekenmethode 1 of 2 geheel of gedeeltelijk kan worden afgeweken, mits een andere methode waarmee wordt afgeweken passend is en gelijkwaardig aan die standaardrekenmethoden.

In artikel 10 van het Mrv – voor zover hier van belang – is bepaald dat bestuursorganen van een andere methode als bedoeld in artikel 9, tweede of derde lid, gebruik kunnen maken, indien die methode is goedgekeurd door de Minister.

In artikel 17 van het Mrv is – voor zover hier van belang - bepaald dat deze regeling niet van toepassing is op de uitoefening van bevoegdheden als bedoeld in artikel 7 van het Besluit (Blk 2005), voor zover het ontwerp van een dergelijk besluit voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling ter inzage is gelegd of een dergelijk besluit voor dat tijdstip is vastgesteld.

Ruimtelijke onderbouwing

Met verzoekers is de rechter van oordeel dat met het plan voor de Tweeling, en wel met name door de aanzienlijke overschrijding van de maximale bouwhoogte voorzien in het bestemmingsplan, sprake is van een aanzienlijke inbreuk op het bestaande planologische regime. Dat betekent dat in de ruimtelijke onderbouwing goed dient te worden gemotiveerd waarom dit project past in de toekomstige bestemming van dit gebied.

In de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit wordt beschreven dat Provinciale Staten van Noord-Holland op 17 februari 2003 het streekplan Noord Holland-Zuid hebben vastgesteld en na de zomer van 2004 het Amsterdamse structuurplan “Kiezen voor stedelijkheid” als uitwerking daarvan. De gemeenteraad van Amsterdam heeft bij besluit van 16 april 2003 ingestemd met dit structuurplan. Het bestrijkt de periode tot en met 2010. In dit structuurplan is het Science Park met de woningbouw aangemerkt als milieutype, ‘grootstedelijk wonen-werken’. Het bouwplan, voor zover afwijkend van het bestemmingsplan geeft invulling aan de visie en het beleid zoals vastgelegd in de streekplanuitwerking voor Amsterdam, te weten het voornoemde structuurplan. Met de toevoeging van woningbouw binnen het Science Park wordt inhoud gegeven aan de wens hier een “grootstedelijk woon-werkmilieu” tot stand te brengen en de wens om op korte termijn een groot aantal nieuwe woningen in Amsterdam te bouwen.

De bouwplannen vormen op geen enkele manier strijd met het streekplan c.q. de streekplanuitwerking. Middels het rapport “Aanvullend onderzoek Hoogbouw Effect Rapportage bestemmingplan WTCW, ten behoeve van de bouwplannen Tweeling en de Driehoek, DRO, december 2005” is de bestaande hoogbouweffectrapportage behorende bij het bestemmingsplan WTCW aangevuld, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

Voorts wordt in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat de Tweeling onderdeel uitmaakt van een ensemble van vijf wooncomplexen, Archipelago, dat weer een onderdeel is van het Science Park. De vijf complexen hebben ieder een eigen identiteit, die is vertaald in een krachtige vorm. De openbare ruimte blijft zoveel mogelijk onverhard. De dijk, met het water en Flevopark aan de ene zijde en het groene talud van emplacement en waterkering aan de andere zijde geven de woningen een landschappelijke setting met ecologische betekenis. Het Archipelago sluit in hoogte en maat aan bij de gebouwtypologie van het Sciencepark en wijkt duidelijk af van de typologie van het aaneengesloten bouwblok van de Indische buurt (vijf lagen met een hoekaccent aan de Valentijnkade van zeven lagen). De losse setting van de complexen markeren hiermee duidelijk het Science Park in de Watergraafsmeer ten opzichte van het hoger gelegen oostelijk deel van de stad. Het loslaten van de hoogtebeperking tot 30 meter ten opzichte van maaiveld (komt overeen met 28 meter ten opzichte van N.A.P.) voor bebouwing op de dijk die in het bestemmingsplan WTCW is opgenomen (en die in wezen stoelt op een achterhaalde stedenbouwkundige setting, waarvoor Archipelago een nieuw stedenbouwkundig kader biedt) heeft het mogelijk gemaakt om ook in de volumeopbouw meer aan te sluiten op de volumeopbouw van het Science Park, dat als regel heeft onderbouw tussen de 16 en 20 meter met op strategische plekken in het gebied hoogteaccenten die samen een sterkte compositie vormen tussen de 50 en 72 meter hoogte.

In het bestemmingsplan WTCW is op de locatie van de Tweeling voorzien in een drietal Urban villa’s van 28 meter hoog, deze zijn daarom niet in de hoogbouweffectrapportage behorende bij het bestemmingplan opgenomen. Omdat de torens in het bouwplan hoger zijn dan de maximale hoogte uit het bestemmingsplan is een aanvulling op de Hoogbouw effectrapportage opgesteld, hiervoor reeds vermeld, waarin gekeken is naar de bezonning en de situering van de torens gezien vanuit de omgeving. De conclusie daaruit is dat de beide torens stedenbouwkundig goed inpasbaar zijn en dat ze geen belemmeringen voor de omgeving tot gevolg hebben, aldus nog steeds de ruimtelijke onderbouwing.

Ter zitting is ook met beeldmateriaal geïllustreerd dat wanneer de woningbouw op de dijk ter plaatse van de Tweeling zou worden gerealiseerd binnen de volume- en hoogtegrenzen van het bestemmingsplan, een voor de omgeving minder open beeld zou ontstaan dan met het ontwerp van de Tweeling, twee relatief slanke torens met daartussen een lage plint, het geval is en dat dit ontwerp ook daarom te verkiezen is. Uitgangspunt voor verweerder blijft namelijk dat de woningbouw in de geplande omvang ter plaatse gerealiseerd dient te worden vanwege de onverminderd structurele behoefte daaraan in Amsterdam.

De rechter is van oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd waarom de afwijking van het bestemmingsplan van dit bouwplan in overeenstemming is met de huidige en toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied, bestaande uit het Sciencepark en nabije omgeving. Voorts is de rechter van oordeel dat met de belangen van verzoekers voldoende rekening is gehouden. Dat zij met name in de winter enige beperking zullen ondervinden in hun uitzicht en bezonning maakt dit niet anders.

Welstand

Uit de stukken blijkt dat de welstandscommissie na haar aanvankelijke bezwaren tegen het bouwplan, gelet op de bouwvolume’s en –hoogtes en de relatie met de bestaande oude stad alsmede het verloren gaan van landschappelijke elementen in de omgeving, na een aantal wijzigingen in het plan, een positief advies heeft afgegeven. Dit is gebeurd na uitgebreide toelichtingen die ook ter plaatse van het Sciencepark hebben plaatsgevonden en nadat zij ook nog veelvuldig over de materialisering en detaillering overleg heeft gevoerd met de bouwer/ontwerper. Verzoekers hebben geen deskundig tegenadvies overgelegd waaruit een ander standpunt volgt. Het is de rechter niet gebleken dat het advies van de welstandscommissie niet op een juiste of op een onzorgvuldige manier tot stand is gekomen.

Luchtkwaliteit

Verzoekers hebben aangevoerd dat het Mrv van toepassing is en dat het luchtkwaliteitsonderzoek van het Ingenieursbureau Amsterdam (IBA) niet voldoet aan de vereisten daarvan, nu gebruik is gemaakt van de meetgegevens van de GGD Amsterdam en niet die uit het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit die door de Minister van VROM beschikbaar worden gesteld. Voorts zou met een te oud rekenmodel zijn gewerkt en zou vanaf een verkeerde afstand vanaf de weg zijn gemeten.

Het Mrv is op 27 november 2006 in werking getreden (Stcrt. 3 november 2006, nr 215).

Verweerder heeft het voornemen om vrijstelling te verlenen van artikel 5, derde en vijfde lid, van het bestemmingsplan vanaf 1 juni 2006 zes weken ter inzage gelegd en verzoekers hebben binnen die termijn zienswijzen ingestuurd. Vervolgens is op 3 april 2007 de bouwvergunning met vrijstelling verleend voor onderhavig bouwplan. Nu blijkens de uitspraak van 4 juli 2007 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna “de Afdeling” (zie www.rechtspraak.nl LJN BA8695) de vrijstelling in het bezwaar tegen de bouwvergunning andermaal onderwerp van het bezwaar is, ook al is voor die vrijstelling de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast, is de rechter voorshands van oordeel dat ook in zake de toepasselijkheid van de Mrv bepalend is dat de bouwvergunning, waarvan de vrijstelling onderdeel uitmaakt, in dit geval niet volgens voornoemde voorbereidingsprocedure ter inzage is gelegd. Daarom is de datum van verlening van de bouwvergunning in dit geval bepalend voor het vaststellen van de toepasselijkheid van het Mrv. Op onderhavig besluit is daarom naar het oordeel van de rechter het Mrv en niet de Meetregeling luchtkwaliteit 2005 van toepassing.

Uit de uitspraken van 26 december 2006 en 9 januari 2007 van de Afdeling (zie www.rechtspraak.nl LJN AZ4811 en AZ 6450) kan worden afgeleid dat uit een in de eerste zaak gegeven deskundigenbericht blijkt dat “op dit moment niet kan worden beoordeeld of de GGD-waarden (on)betrouwbaar zijn en dat daarvoor een meer uitgebreide evaluatie van de GGD-waarden nodig is. Daarna zal blijken of de GGD-waarden een onderschatting, dan wel dat de RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne)-waarden een overschatting geven voor de betreffende locatie”. Zonder bedoelde evaluatie of nader onderzoek is blijkens deze uitspraken de Afdeling niet in staat antwoord te geven op de vraag of de in het IBA-rapport gebruikte GGD-achtergrondconcentraties, naast de RIVM-achtergrondconcentraties, als voldoende representatief kunnen worden aangemerkt.”

Uit het in onderhavige zaak overgelegde rapport inzake het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat, uitgaande van de GGD-waarde van de achtergrondconcentratie, voor stikstofdioxide op twee van de zeven meet/rekenpunten in de autonome situatie een waarde is berekend voor 2010 van 38 microgram per m3, waarbij de waarde in de plansituatie zal toenemen tot 39 microgram per m3. Deze waarden liggen net onder de grenswaarde voor stikstofdioxide van 40 microgram per m3 in 2010. In de rapportage wordt daarom terecht geconcludeerd dat de grenswaarde niet wordt overschreden.

Echter, in het IBA-rapport wordt in bijlage 2 aangegeven dat de gemeten achtergrondconcentratie van stikstofdioxide ongeveer 5 microgram per m3 lager ligt dan de op basis van de RIVM-gegevens verkregen berekende waarden. De rechter is daarom van oordeel dat zolang onduidelijkheid bestaat over de bruikbaarheid van de GGD-gegevens voor rapportages in het kader van het Besluit Luchtkwaliteit, juist vanwege het feit dat de stikstofdioxide-concentratie bij planrealisering zo dicht onder de grenswaarde uitkomt – die mogelijk te laag is vastgesteld en/of berekend – ook in dit geval niet beoordeeld kan worden of voldaan is aan de vereisten van het Besluit Luchtkwaliteit. De rechter heeft hierbij in overweging genomen het feit dat de toename van de stikstofdioxide-concentratie bij planrealisering niet alleen wordt veroorzaakt door onderhavig bouwplan maar door de realisering van vijf woningbouwplannen, waarbij de project de Tweeling staat voor ongeveer 10% van het aantal te realiseren woningen. Desalniettemin is de rechter voorshands van oordeel dat de gevolgen van de plannen voor de luchtkwaliteit vanwege voornoemde onzekerheid over de betrouwbaarheid van de hier gebruikte achtergrondwaarden onduidelijk blijft. De rechter merkt hierbij op dat het niet van belang is dat in deze zaak door verzoekers geen deskundig tegenrapport is overgelegd, zoals door de vergunninghouder is betoogd. De discussie over de (on)betrouwbaarheid van de door de GGD gemeten achtergrondconcentraties is van algemene aard en behoeft niet telkens met een tegenonderzoek gericht op de specifieke bouwlocatie aan de orde te worden gesteld.

De rechter is van oordeel dat de door verweerder en vergunninghouder overgelegde brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2007 de onduidelijkheid omtrent de GGD-achtergrondconcentratie’s niet wegneemt. De brief kan naar het oordeel van de rechter niet worden aangemerkt als een goedkeuring in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Mrv wat betreft het gebruik van andere meetgegevens en prognoses alsmede van artikel 10 Mrv wat betreft het gebruik van andere berekeningsmethodes van de gevolgen van de luchtkwaliteit. Uit deze brief blijkt ook dat de mening van de Minister is gegeven voor het gebruik van meetgegevens onder het wettelijk kader van vóór 26 november 2006, zijnde de Meetregeling luchtkwaliteit 2005.

Voor onderhavig besluit geldt echter als wettelijk kader het Mrv, zoals hiervoor is overwogen. Uit voornoemde brief blijkt dat de samenwerking tussen GGD Amsterdam en het RIVM constructief verloopt en dat voor het stedelijk gebied van Amsterdam de GCN-kaart verfijnd kan worden door gebruik te maken van het meetnet van de GGD-Amsterdam, waardoor voor de toekomst eenduidigheid over de te gebruiken inputgegevens voor luchtkwaliteitsonderzoek in Amsterdam bestaat. Niet duidelijk is of voor deze afstemming aanpassingen in de meet- en/of rekenmethodes van de GGD dan wel het IBA hebben moeten plaatsvinden. De rechter is daarom van oordeel dat – onder meer – onvoldoende duidelijk is of volgens de brief van de Minister het gebruik van oude meet- en rekengegevens, zoals in het onderzoek van het IBA in deze zaak is gebeurd, aan de orde kan zijn onder toepassing van het Mrv, dat op onderhavig besluit van toepassing is. Overigens is het de rechter ook onduidelijk waarop de in de brief door de Minister gegeven mening is gebaseerd, zodat vooralsnog niet duidelijk is of dit de ”meer uitgebreide evaluatie” dan wel “het nadere onderzoek” als bedoeld in de hiervoor geciteerde uitspraken van de Afdeling betreft.

Naar voorlopig oordeel van de rechter is daarom onvoldoende duidelijk of het onderzoek luchtkwaliteit ter onderbouwing van onderhavig bestreden besluit, voldoet aan de criteria van het Mrv alsmede of de bouwvergunning voldoet aan het Besluit Luchtkwaliteit. Wat dit onderdeel betreft ontbeert het bestreden besluit een voldoende deugdelijke motivering.

Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat het IBA heeft gewerkt met een versie van het rekenmodel dat niet conform het Mrv zou zijn. De rechter constateert dat dit ter zitting door verweerder niet is betwist. Niet duidelijk is of de door het IBA gebruikte rekenmethode wellicht passend en gelijkwaardig is aan de standaardrekenmethoden genoemd in het Mrv. Voor het gebruik van de door IBA gehanteerde methode dient echter tevens op grond van artikel 10 van het Mrv toestemming van de Minister te worden verkregen. Daarvan is niet gebleken.

Wat betreft de opmerking van verzoekers ten aanzien van de afstand tot de rand van de weg overweegt de rechter dat in artikel 8, eerste lid, onder b. en c. van het Mrv is bepaald dat de concentraties van stikstofdioxide respectievelijk zwevende deeltjes (PM10) worden bepaald op maximaal 5 respectievelijk 10 meter van de wegrand en niet op een afstand van 5 respectievelijk 10 meter, zoals betoogd door verzoekers.

Windschermen en waterkering

De rechter is van oordeel dat uit de tekeningen behorende bij de bouwvergunning blijkt dat de windschermen bij de bouwvergunning zijn vergund. Dat het ontwerp voor de windschermen nog een nadere uitwerking behoefde (inmiddels is deze voltooid naar aanleiding van een tweetal nadere onderzoeken van het bureau Peutz naar de windhinder als gevolg van het plan) doet daaraan niet af. Ook is in deze niet relevant dat deze nadere uitwerking nog aan de welstandscommissie zal worden voorgelegd, nu dit onverplicht gebeurt.

Omdat de windschermen zijn opgenomen in de tekeningen van bouwaanvraag en –vergunning is de rechter van oordeel dat het door het waterschap gegeven advies in het kader van de door verweerder verleende vrijstelling van artikel 16, eerste lid onder d, van de planvoorschriften, gebaseerd is geweest op juiste en voldoende gegevens. Dat in deze tekeningen de nadere uitwerking niet is opgenomen doet daaraan niet af.

Gelet op het voorgaande, waarbij wordt gedoeld op de gebreken in het luchtkwaliteitsonderzoek, ziet de rechter aanleiding de gevraagde voorziening te treffen. Het bestreden besluit zal worden geschorst tot zes weken na de datum van de beslissing op bezwaar.

De rechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt begroot op € 644,- en om te bepalen dat het griffierecht door verweerder aan verzoekers zal worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het besluit van 3 april 2007 wordt geschorst tot zes weken na de datum van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644 (zegge zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekers;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 285 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2007 door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: A