Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7733

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/4603
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de CBGV de NUFFIC om een onderwijskundige waardering van de door eiseres in Polen gevolgde opleiding tot fysiotherapeut heeft gevraagd. De NUFFIC heeft zich bij deze waardering gebaseerd op een door Polen zelf gegeven beoordeling van de opleidingsinstelling. Tevens heeft de NUFFIC de duur, inhoud en opzet van het opleidingsprogramma meegewogen. De CBGV is vervolgens, mede op grond van deze waardering, tot de conclusie gekomen dat de Poolse opleiding wezenlijk anders is dan de Nederlandse. Voorts is volgens de CBGV de beroepservaring van eiseres onvoldoende om dit verschil te kunnen compenseren. Op grond van de adviezen van de NUFFIC en de CBGV heeft verweerder aanvullende eisen gesteld voor toelating tot het beroep. Teneinde een verklaring van vakbekwaamheid te kunnen krijgen, dient eiseres met goed gevolg een aanpassingsstage te doen dan wel een proeve van bekwaamheid af te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de adviezen van de CBGV en de NUFFIC zorgvuldig voorbereid en voldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank is voorts niet gebleken van partijdigheid bij de totstandkoming ervan. Verweerder kon deze adviezen dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. De rechtbank voegt hier nog aan toe, dat door eiseres ook niet is aangegeven in welk opzicht die adviezen feitelijk onjuist zijn. Weliswaar is in de stukken sprake geweest van het gegeven dat eiseres niet een diploma als fysiotherapeut, maar als activiteitenbegeleider heeft behaald, maar in de oordeelsvorming is verweerder uitgegaan van een diploma als fysiotherapeut. Of de typering als activiteitenbegeleidster feitelijk juist was, kan en zal de rechtbank daarom in het midden laten.

De grief van eiseres, dat door verweerder ten onrechte niet de getuigschriften vanuit de beroepsgroep bij de besluitvorming zijn betrokken, slaagt niet. Immers, de door verweerder gevolgde procedure vloeit rechtstreeks voort uit de toepasselijke wet- en regelgeving. Het feit dat aan verweerders besluitvorming slechts een papieren beoordeling ten grondslag ligt maakt het bestreden besluit dan ook niet om die reden onrechtmatig. Gelet op de beoordelingsvrijheid die verweerder toekomt acht de rechtbank het niet onredelijk dat hij de door eiseres aangedragen oordelen van referenten, die onontkoombaar subjectieve elementen bevatten, niet doorslaggevend heeft laten zijn. Van meet af aan zijn overigens aan eiseres ook mogelijkheden geboden waarbij op onpartijdige wijze haar feitelijke bekwaamheid kon worden getest: het volgen van een aanpassingsstage dan wel het afleggen van een proeve van bekwaamheid. Verweerder heeft derhalve praktische handreikingen gedaan aan eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/4603 WET

tussen:

[Eiseres], wonende te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door A. de Vogel,

en:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zetelend te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mrs. H.J. Stoop en R.S. Gobind.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 8 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 augustus 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres is in Polen opgeleid tot fysiotherapeut. Op 16 mei 2004 heeft zij een aanvraag ingediend bij verweerder voor een verklaring van vakbekwaamheid. Met deze verklaring kan zij in het in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) bedoelde register van artsen worden ingeschreven, zodat zij in Nederland zelfstandig als fysiotherapeut kan werken. Bij besluit van 3 oktober 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 3 oktober 2005 gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet BIG – voor zover hier van belang – worden er registers ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage worden ingeschreven als fysiotherapeut.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van de Wet BIG wordt de inschrijving geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG wordt in afwijking van het in artikel 6, aanhef en onder a, bepaalde, aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd, indien Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en de op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan.

Uit de circulaire Verklaring vakbekwaamheid buitenlands gediplomeerden volksgezondheid volgt, dat de Minister of de Commissie Buitenlands Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV) een waardering van het onderwijskundig niveau van het buitenlands getuigschrift aanvragen bij, onder andere, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: NUFFIC).

Niet is in geschil dat eiseres inmiddels, via een alternatieve procedure, is ingeschreven in het BIG-register. Zij heeft dus niet langer belang bij het verkrijgen van een verklaring van vakbekwaamheid van verweerder. Eiseres stelt evenwel schade te hebben geleden in de vorm van inkomstenderving, aangezien zij zonder inschrijving niet aan het werk kon als zelfstandig fysiotherapeut. Nu niet op voorhand onaannemelijk is dat eiseres als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden, bestaat er voor haar nog belang bij een inhoudelijk oordeel. Eiseres heeft bij haar verzoek om vergoeding van schade verwijzing verzocht naar een aparte procedure, naar de rechtbank begrijpt op grond van het tweede lid van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gelet op de toepasselijke regelgeving komt de minister beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of er voor wat betreft de vakbekwaamheid van eiseres bedenkingen bestaan tegen inschrijving in het register. De rechtbank moet en zal het antwoord van de minister op deze vraag terughoudend toetsen.

De rechtbank overweegt dat de CBGV de NUFFIC om een onderwijskundige waardering van de door eiseres in Polen gevolgde opleiding tot fysiotherapeut heeft gevraagd. De NUFFIC heeft zich bij deze waardering gebaseerd op een door Polen zelf gegeven beoordeling van de opleidingsinstelling. Tevens heeft de NUFFIC de duur, inhoud en opzet van het opleidingsprogramma meegewogen. De CBGV is vervolgens, mede op grond van deze waardering, tot de conclusie gekomen dat de Poolse opleiding wezenlijk anders is dan de Nederlandse. Voorts is volgens de CBGV de beroepservaring van eiseres onvoldoende om dit verschil te kunnen compenseren. Op grond van de adviezen van de NUFFIC en de CBGV heeft verweerder aanvullende eisen gesteld voor toelating tot het beroep. Teneinde een verklaring van vakbekwaamheid te kunnen krijgen, dient eiseres met goed gevolg een aanpassingsstage te doen dan wel een proeve van bekwaamheid af te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de adviezen van de CBGV en de NUFFIC zorgvuldig voorbereid en voldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank is voorts niet gebleken van partijdigheid bij de totstandkoming ervan. Verweerder kon deze adviezen dan ook aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen. De rechtbank voegt hier nog aan toe, dat door eiseres ook niet is aangegeven in welk opzicht die adviezen feitelijk onjuist zijn. Weliswaar is in de stukken sprake geweest van het gegeven dat eiseres niet een diploma als fysiotherapeut, maar als activiteitenbegeleider heeft behaald, maar in de oordeelsvorming is verweerder uitgegaan van een diploma als fysiotherapeut. Of de typering als activiteitenbegeleidster feitelijk juist was, kan en zal de rechtbank daarom in het midden laten.

De grief van eiseres, dat door verweerder ten onrechte niet de getuigschriften vanuit de beroepsgroep bij de besluitvorming zijn betrokken, slaagt niet. Immers, de door verweerder gevolgde procedure vloeit rechtstreeks voort uit de toepasselijke wet- en regelgeving. Het feit dat aan verweerders besluitvorming slechts een papieren beoordeling ten grondslag ligt maakt het bestreden besluit dan ook niet om die reden onrechtmatig. Gelet op de beoordelingsvrijheid die verweerder toekomt acht de rechtbank het niet onredelijk dat hij de door eiseres aangedragen oordelen van referenten, die onontkoombaar subjectieve elementen bevatten, niet doorslaggevend heeft laten zijn. Van meet af aan zijn overigens aan eiseres ook mogelijkheden geboden waarbij op onpartijdige wijze haar feitelijke bekwaamheid kon worden getest: het volgen van een aanpassingsstage dan wel het afleggen van een proeve van bekwaamheid. Verweerder heeft derhalve praktische handreikingen gedaan aan eiseres.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om een verklaring van vakbekwaamheid in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Het verzoek om schadevergoeding komt om die reden, gelet op artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, niet voor vergoeding in aanmerking. Toepassing van het tweede lid van dit artikel is dan ook niet aan de orde.

Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 9 oktober 2007 door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. H.P. Kijlstra en A.E.J.M. Gielen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Doc: B