Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7722

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/2596, 06/3982 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. Voor kosten manuele therapie zijn Zorgverzekeringswet en Besluit Zorgverzekering in beginsel passende en toereikende voorziening. Het recht op bijstand strekt zich niet uit tot kosten die in die voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever hiermee niet heeft bedoeld om ook voor kosten die vanuit budgettaire overwegingen niet zijn opgenomen in de voorziening het recht op bijstand uit te sluiten. De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting op de Regeling paramedische hulp ziekenfondsverzekering blijkt dat aan het buiten de voorziening laten van deze kosten niet een (slechts) budgettaire overweging ten grondslag ligt, maar dat (ook) een beslissing wordt genomen over de noodzakelijkheid.

2. Dat geen concreet bedrag is genoemd is geen reden om het besluit te vernietigen. Eiser heeft verzocht om toepassing van de verruimde regeling, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2004, en heeft niet eerder dan ter zitting gesteld dat ook de oude regeling niet op hem was toegepast. Of dit inderdaad niet is gebeurd en of eiser hier wel recht op heeft kan de rechtbank binnen het onderhavige geschil niet beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de gedingen met reg.nrs. AWB 06/2596 en 06/3982 WWB

tussen:

[Eiser], wonende te Amsterdam,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Geffen,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijman.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 16 mei 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 4 april 2006, verzonden op 5 april 2006 (hierna aangeduid als: bestreden besluit I). Voorts heeft de rechtbank op 31 juli 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 20 juni 2006, verzonden op 21 juni 2006 (hierna aangeduid als: bestreden besluit II). Bij besluit van 22 maart 2007, verzonden op 23 maart 2007, (hierna aangeduid als: bestreden besluit III) heeft verweerder bestreden besluit II herzien.

Het onderzoek is in beide procedures geschorst ter zitting van 31 mei 2007. Nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek in beide procedures gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Procedure AWB 06/2596 WWB

Bij besluit van 20 januari 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van manuele therapie afgewezen.

Het bezwaar van eiser hiertegen heeft verweerder bij bestreden besluit I ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat in artikel 15 van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat, voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Tevens wordt overwogen dat het recht op bijstand zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. De vergoeding van eisers zorgverzekeraar Anderzorg is volgens verweerder passend en toereikend. Dat deze na een aantal behandelingen niet meer verstrekt wordt, kan niet gecompenseerd worden door de verlening van bijzondere bijstand. Verweerder ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de WWB om anders te beslissen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ter nadere toelichting gesteld dat de kosten van manuele therapie voor zover deze niet vergoed worden door de verzekeraar bewust buiten deze voorziening gehouden zijn en om die reden niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

Hiertegen heeft eiser aangevoerd dat verweerder fysio- en oefentherapie kan vergoeden met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB indien deze therapie noodzakelijk is. Eiser stelt dat hij vanwege zijn arthrotische nek- en schouderklachten een noodzakelijke behandeling ondergaat die bestaat uit manuele therapie, massage, mobilisaties en oefentherapie. Anderzorg vergoedt volgens eiser slechts negen behandelingen per jaar, de overige dient hij zelf te betalen en deze kosten gaan de draagkracht in zijn inkomen en vermogen te boven. Eiser is derhalve van mening dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de medische noodzaak van zijn therapie en in de motivering van het bestreden besluit hieraan geen aandacht heeft besteed. Ten slotte stelt eiser dat, mocht artikel 15 van de WWB aan bijstandverlening in de weg staan, er sprake is van een dringende reden om toch bijstand te verlenen. Deze dringende reden is volgens eiser gelegen in zijn slechte gezondheidssituatie.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan verweerder bijstand kan verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft indien zeer dringende redenen, gelet op alle omstandigheden, daartoe noodzaken.

Gelet op vaste jurisprudentie dienen, voor kosten die verband houden met een medische of paramedische behandeling als de onderhavige, de Zorgverzekeringswet en het Besluit Zorgverzekering in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd (zie bijvoorbeeld, weliswaar met betrekking tot de destijds geldende Ziekenfondswet, de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 26 september 1995, JABW 1996/4).

Gebleken is dat eiser slechts een gedeelte van de kosten vergoed heeft gekregen van zijn zorgverzekeraar, krachtens zijn aanvullende verzekering, en dat een aanzienlijk deel van de kosten voor rekening van eiser is gebleven. Eiser heeft aangevoerd dat dit deel van de kosten niet vergoed wordt vanuit budgettaire overwegingen en dus niet vanuit overwegingen omtrent de noodzakelijkheid. Artikel 15 zou daarom volgens eiser niet in de weg staan aan bijstandverlening.

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46) blijkt dat de wetgever met de tweede volzin van het eerste lid van artikel 15 van de WWB niet heeft bedoeld om ook voor kosten die vanuit budgettaire overwegingen niet zijn opgenomen in de voorliggende voorziening het recht op bijstand uit te sluiten. Het moet volgens de wetgever gaan om een bewuste beslissing over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. De CRvB heeft geoordeeld (uitspraak van 3 juli 2001, JABW 2001/149) dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van kosten die in de voorlopige voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, de focus niet op de aanvullende ziektekostenverzekering ligt maar op de wettelijke ziektekostenverzekeringen in het kader waarvan bewuste beslissingen zijn genomen over de omvang van medische of paramedische hulp.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat manuele therapie aan te merken is als paramedische zorg, namelijk als fysiotherapie / oefentherapie, zoals bedoeld in artikel 2.6 van het Besluit Zorgverzekering en dus niet aangemerkt moet worden als alternatieve geneeswijze, zoals verweerder heeft gesteld. In de inmiddels vervallen Regeling paramedische hulp ziekenfondsverzekering is per 1 januari 2004 de vergoeding van de kosten van fysiotherapie beperkt tot chronische aandoeningen vanaf de tiende behandeling. Dit is overgenomen in de huidige wettelijke zorgverzekering. Blijkens de toelichting bij voornoemde regeling is hiermee getracht een evenwicht te vinden tussen de omvang en de noodzaak van de voorzieningen, de kwaliteitseisen die daaraan gesteld moeten worden en de betaalbaarheid. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat, aan het buiten de voorziening laten van de kosten van fysiotherapie voor niet chronische aandoeningen niet een (slechts) budgettaire overweging ten grondslag ligt, maar dat hiermee wel degelijk (ook) een beslissing wordt genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening. Er is naar het oordeel van de rechtbank derhalve sprake van kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt en ingevolge artikel 15 van de WWB niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank voorts geen dringende reden om op grond van artikel 16 van de WWB toch bijzondere bijstand toe te kennen. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46) dient daarbij namelijk gedacht te worden aan een acute noodsituatie. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder terecht heeft besloten om de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van manuele therapie af te wijzen.

Procedure AWB 06/3982 WWB

Op 12 december 2004 heeft eiser, met een beroep op de regeling chronisch zieken en gehandicapten, een aanvraag gedaan om verruiming van zijn bijzondere bijstand voor dieetkosten en bewassings- en slijtagekosten met terugwerkende kracht. Bij bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar tegen de fictieve afwijzing hiervan gegrond verklaard en besloten om eisers bijzondere bijstand te verhogen met 20% over de maand juli 2004 en met 40% vanaf augustus 2004.

Naar aanleiding van het door eiser hiertegen ingediende beroepschrift heeft verweerder bij bestreden besluit III bestreden besluit II herzien in die zin dat verweerder besloten heeft om eisers bijzondere bijstand met ingang van 1 januari 2004 te verhogen met 40% met een geïndiceerd maximum van € 56,00 en aan eiser een afgerond forfaitair bedrag aan wettelijke rente toe te kennen van € 30,00.

In beroep heeft eiser hiertegen, voor zover nog van belang, aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft aangegeven welk bedrag aan bijzondere bijstand concreet aan eiser is toegekend. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser hieraan toegevoegd dat de regeling chronisch zieken en gehandicapten reeds vanaf 1 juli 2000 bestond, met dien verstande dat het ophogingspercentage tot 1 januari 2004 geen 40% maar 20% bedroeg. Nu eiser reeds sinds 1 juli 2002 bijzondere bijstand ontvangt voor slijtage- en bewassingskosten had hij, zo stelt de gemachtigde van eiser, reeds per eerdere datum recht op een ophoging. Nu eiser verzocht heeft om toepassing van de verruimde Regeling chronisch zieken en gehandicapten had verweerder volgens hem ook moeten beoordelen of hij wellicht eerder al recht had op een verhoging.

Verweerder heeft zich ten aanzien van deze laatste beroepsgrond op het standpunt gesteld dat dit buiten de omvang van het geding valt, nu slechts verzocht is om ophoging per 1 januari 2004 en ook in het bezwaar- en beroepschrift slechts gronden naar voren zijn gebracht ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2004.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit III een besluit is als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Hoewel bestreden besluit III geheel tegemoetkomt aan het initieel door eiser ingediende beroepschrift tegen bestreden besluit II, heeft eiser nadere beroepsgronden ingediend die zich (mede) richten tegen bestreden besluit III. Het beroep van eiser wordt dan ook ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit III.

Nu verweerder bij het bestreden besluit III een nieuw besluit heeft genomen op eisers bezwaar, dat in de plaats is gekomen van het bestreden besluit II, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit II. Een procesbelang kan zijn gelegen in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van schade, maar gesteld noch gebleken is dat eiser schade heeft geleden tengevolge van het bestreden besluit II. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit II zal dan ook vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid tot veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser voor zover gemaakt in verband met het beroep tegen bestreden besluit II, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 322,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).

Ten aanzien van bestreden besluit III overweegt de rechtbank dat dit besluit slechts voor één uitleg vatbaar is. Het bedrag dat aan eiser hiermee wordt toegekend kan op basis van het genoemde percentage worden uitgerekend. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het besluit te vernietigen vanwege het feit dat hierin geen concreet bedrag genoemd is.

Ook de stelling van eiser dat verweerder bij bestreden besluit III een besluit had moeten nemen omtrent de toepassing van de Regeling chronisch zieken en gehandicapten over de periode voor 1 januari 2004 volgt de rechtbank niet. Eiser heeft verzocht om toepassing van de verruimde regeling, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2004, en heeft niet eerder dan ter zitting gesteld dat ook de oude regeling niet op hem was toegepast. Of dit inderdaad niet is gebeurd en of eiser hier wel recht op heeft kan de rechtbank binnen het onderhavige geschil niet beoordelen. Verweerder zal hier eerst onderzoek naar moeten doen en hierover een primair besluit moeten nemen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht of veroordeling in de proceskosten ten aanzien van bestreden besluit III ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de voor het beroep tegen het bestreden besluit II gemaakte proceskosten van eiser, begroot op € 322,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond.

Deze uitspraak is gewezen op 17 oktober 2007 door mr. A.C. Loman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Speksnijder, griffier, en bekend gemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: A