Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7627

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/520
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie Noord-Zuidlijn.

Schade geleden door huurder tengevolge van funderingsherstel. Sluiting horeca onderneming gedurende 10 maanden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een schadeperiode van 5 maanden. Bij de berekening van de schade dient te worden uitgegaan van de feitelijke duur van het funderingsherstel, tenzij blijkt dat het funderingsherstel te lang heeft geduurd. Dit is hier niet aan de orde. Voor het geval niet van de feitelijke duur maar van een “naar objectieve maatstaven normaliter te verwachten duur” van het funderingsherstel dient te worden uitgegaan, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat die 5 maanden bedraagt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de schade die is geleden na heropening van het bedrijf in het geheel niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onvoldoende gewaarborgd dat de compensatie van de resterende schade voldoende anderszins is gewaarborgd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met registratienummer AWB 06/520 BELEI

van:

de besloten vennootschap café bistro De Fles B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M. Dorgelo, R. van den Hoven van Genderen,

R. Rooze en mr. R.E. Faijdherbe.

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door prof. mr. B.P.M. van Ravels.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 25 januari 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 14 december 2005 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 7 juni 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres huurt de bedrijfsruimte in het souterrain van het pand aan de Vijzelstraat 137 en exploiteert aldaar een horecaonderneming in de vorm van een café/bistro. In verband met de aanleg van de Noord-Zuidlijn is de fundering van het pand op 2 januari 2002 geclassificeerd als een klasse IV-fundering hetgeen betekent dat de fundering vanwege een ernstige houtaantasting van de palen in onvoldoende staat verkeert, zodat funderingsherstel wordt geadviseerd. Eiseres heeft haar bedrijf in verband met het door de eigenaar verrichten van funderingsherstel moeten sluiten van 15 juni 2002 tot en met 11 april 2003.

Op 13 juni 2002 heeft eiseres verzocht om toekenning van schadevergoeding in verband met de aanleg van de Noord-Zuidlijn wegens gederfde inkomsten en herinrichtings- en opslagkosten.

Op 11 januari 2005 heeft de Schadecommissie Noord-Zuidlijn (hierna: Schadecommissie) het advies uitgebracht eiseres een schadevergoeding toe te kennen ten bedrage van € 35.626,- met vergoeding van wettelijke rente en kosten.

Verweerder heeft dit advies overgenomen en aan het primaire besluit van 24 januari 2005 ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft tegen dit besluit tijdig bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, met dien verstande dat aan eiseres de deskundigenkosten ten bedrage van € 7.500 wordt vergoed.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de schadeperiode ten onrechte heeft vastgesteld op vijf maanden gelet op de noodzaak, de feitelijke duur en de wijze van het funderingsherstel. Verder betoogt eiseres dat alle schade in aanmerking komt voor vergoeding ingevolge de Verordening. De nadeelcompensatie staat in geen verhouding tot de werkelijk geleden schade. Er had een hogere schadevergoeding toegekend dienen te worden. Een ambtenaar met de naam Punt heeft toegezegd dat de geleden schade volledig zou worden gecompenseerd. Verweerder heeft bij de vaststelling van de schade ten onrechte geen rekening gehouden met de kosten die verband houden met de doorbetaling van het personeel, de omzetschade die is geleden doordat minder investeringen door eiseres werden gedaan in verband met de naderende sluiting en de omzetschade die is geleden na de sluiting omdat de onderneming geheel opnieuw moest opstarten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, gelet op de aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen voor de stelling dat het bestreden besluit procedureel niet in overeenstemming met de Verordening dan wel anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschade Noord-Zuidlijn (Gemeenteblad 2000, afd. 3, volgn. 89, hierna: de Verordening) kent de gemeenteraad de verzoeker die als gevolg van de aanleg van de Noord-Zuidlijn nadeel ondervindt, voor zover het nadeel redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk II van de Verordening, nadeelcompensatie toe, indien is voldaan aan de in de Verordening gestelde voorwaarden en voor zover de compensatie van dat nadeel niet of niet voldoende anderszins is gewaarborgd.

De Schadecommissie heeft - voor zover van belang - overwogen:

1. dat de door eiseres aan de orde gestelde schade verband houdt met het herstel van de fundering van het pand waarin eiseres haar onderneming heeft gevestigd;

2. dat er een causaal verband bestaat tussen de aanleg van de Noord-Zuidlijn en de gevolgen van het vervroegd funderingsherstel;

3. dat de schade wegens funderingsherstel niet kan worden aangemerkt als planschade, omdat het funderingsherstel ook had kunnen worden uitgevoerd zonder de ten behoeve van de aanleg van de Noord-Zuidlijn gecreëerde of te creëren nieuwe planologische grondslagen;

4. dat eiseres als huurder van het pand, anders dan een eigenaar, niet geacht kan worden het risico van een slechte fundering van het pand te hebben aanvaard;

5. dat eiseres een privaatrechtelijke aanspraak jegens de verhuurder heeft op compensatie van de geleden schade voor zover de duur van de herstelwerkzaamheden de grens van een naar objectieve maatstaven normaliter te verwachten duur heeft overschreden;

6. dat de huurder alleen voor een schadeperiode die overeenkomt met de normaliter te verwachten duur van het in de toelichting op artikel 1 van de Verordening bedoelde funderingsherstel een aanspraak op vergoeding op grond van de Verordening geldend kan maken van hetgeen niet anderszins burgerrechtelijk op de verhuurder en/of eigenaar verhaald kan worden;

7. dat voornoemde schadeperiode op vijf maanden wordt vastgesteld, te rekenen vanaf 15 juni 2002;

8. dat een gedeelte ter hoogte van 20% van deze schade als normaal maatschappelijk risico voor rekening van eiseres dient te blijven;

9. dat de schade wegens winstderving, te vergoeden krachtens de Verordening wordt vastgesteld op € 35.626,- en dat de gestelde inrichtingskosten en opslagkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de vergoeding daarvan onder het bereik van de Bijdrageregeling valt.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het door de schadecommissie opgestelde rapport, dat verweerder, met uitzondering van de vergoeding van de kosten van deskundigen, heeft gevolgd.

Met betrekking tot stelling van eiseres dat een ambtenaar van de gemeente met de naam [...] zou hebben toegezegd dat de schade geheel of vrijwel geheel zou worden vergoed, overweegt de rechtbank dat ter zitting niet duidelijk is geworden in welke hoedanigheid en op welke wijze de heer [...] de gestelde toezegging zou hebben gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

Bij de vaststelling van de schade heeft de Schadecommissie zich gebaseerd op de door eiseres verstrekte jaarrekeningen, jaarrapporten, brutowinstcijfers, dagomzetten, omzetspecificaties en afschriften uit de salarisadministratie. De besparing op de personeelskosten is berekend aan de hand van de door eiseres verstrekte gegevens. Uit deze personeelsgegevens is gebleken dat al het personeel gedurende de schadeperiode uit dienst is gegaan. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat verweerder bij de vaststelling van de schade de door eiseres gestelde kosten in verband met de doorbetaling van het personeel niet heeft verdisconteerd.

Eiseres heeft evenmin haar stelling, dat zij vóór de sluiting omzetschade heeft geleden doordat zij in de aanloop naar de sluiting minder investeringen heeft gedaan, nader onderbouwd.

De rechtbank deelt wel de stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte slechts is uitgegaan van een schadeperiode van vijf maanden, omdat de vergoeding van de schade anderszins voldoende zou zijn gewaarborgd als bedoeld in artikel 2 van de Verordening.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat bij de berekening van de schade dient te worden uitgegaan van de feitelijke duur van het funderingsherstel, tenzij blijkt dat het funderingsherstel te lang heeft geduurd. De Verordening noopt niet tot een ander uitgangspunt. In dit geval zijn er geen aanwijzingen dat het funderingsherstel langer heeft geduurd dan noodzakelijk.

Voor het geval niet van de feitelijke duur van het funderingsherstel doch van een “naar objectieve maatstaven normaliter te verwachten duur” van funderingsherstel dient te worden uitgegaan is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van de schadecommissie, niet toereikend heeft gemotiveerd dat de normaliter te verwachten duur van het funderingsherstel van dit pand vijf maanden bedraagt. Als gevolg van de Noord-Zuidlijn diende de fundering van meerdere panden te worden hersteld, te weten de panden Vijzelstraat 131 tot en met 137. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat voor aanvang van de funderingswerkzaamheden niet bekend is wat zich onder de bestaande fundering bevindt, omdat daarvoor destructief onderzoek noodzakelijk is. In dit geval werden tijdens de werkzaamheden kelders onder de kelders aangetroffen, waardoor herberekeningen noodzakelijk waren. Als gevolg hiervan hebben de herstelwerkzaamheden in totaal 10 tot 11 maanden geduurd. Zonder nadere motivering vermag de rechtbank niet in te zien dat de duur van het funderingsherstel in dit geval de naar objectieve maatstaven normaliter te verwachten duur heeft overtroffen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, zelfs als de verhuurder aansprakelijk zou zijn voor een deel van de winstderving tijdens de noodgedwongen sluiting van het bedrijf van verzoekster, niet op voorhand aannemelijk is dat de verhuurder alsdan ook aansprakelijk is voor de gehele vervolgschade, bestaande uit de aanzienlijk lagere omzet en winst na het opnieuw opstarten van de onderneming van eiseres na de sluiting van 11 maanden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom de schade die is geleden na de heropening van het bedrijf, in het geheel niet op grond van de Verordening voor vergoeding in aanmerking komt.

Naar het oordeel van de rechtbank is mitsdien niet, althans onvoldoende gewaarborgd dat de compensatie van het nadeel, bestaande uit resterende schade geleden door de sluiting van het bedrijf van eiseres als gevolg van het funderingsherstel, voldoende anderszins is gewaarborgd als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening.

Eiseres is noch in de gronden van het beroep noch in de pleitnota ter zitting ingegaan op de aftrek van 20 % wegens het maatschappelijk risico. De rechtbank kan daar niet ambtshalve over oordelen. De rechtbank kan deze grond evenmin aanmerken als te zijn vervat in de wel aangevoerde beroepsgrond dat de schadevergoeding niet redelijk is.

De rechtbank is ten slotte met eiseres van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft onderzocht of er aanleiding is om de hardheidsclausule als vervat in artikel 17 van de Verordening toe te passen. De motivering als vervat in het bestreden besluit is op dit punt ontoereikend, omdat daarin niet wordt ingegaan op de specifieke omstandigheden van dit geval. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij een bruin café exploiteerde met een traditionele sfeer en een specifieke inrichting die het handelsmerk was van de onderneming. Het bruin café was, doordat het is gevestigd in een souterrain, niet gericht op toeristen of toevallige passanten, maar was en is ook thans nog voor haar voortbestaan afhankelijk van een vaste klantenkring. Deze klantenkring is eiseres door de sluiting van bijna 11 maanden geheel kwijtgeraakt. Dit is niet alleen het gevolg van de langdurige sluiting maar voorts van de omstandigheid dat als gevolg van de funderingsherstelwerkzaamheden, de kelder waarin het bedrijf van eiseres was gevestigd, geheel werd leeg gehaald en gestript, waardoor de kenmerkende, oude bruin café-inrichting verloren is gegaan. De noodzakelijkerwijs geheel nieuwe inrichting had niet de kenmerkende traditionele uitstraling van de oude, waardoor de voormalige klantenkring zich kennelijk niet langer aangetrokken voelde tot de zaak van eiseres. Hierdoor heeft eiseres na heropening een zeer langzame start gekend en was de omzet tot aan de zitting in beroep nog niet op het vroegere niveau gekomen. Eiseres heeft deze stelling onderbouwd met stukken, waaronder de stukken gevoegd bij de brief van eiseres aan verweerder van 8 juni 2005. De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee in het geheel geen rekening heeft gehouden en, conform het advies van de schadecommissie, slechts is uitgegaan van algemene uitgangspunten. Deze doen evenwel geen recht aan de bijzondere omstandigheden van dit geval. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd of er in het onderhavige geval aanleiding was tot toepassing van de hardheidsclausule.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond verklaard dient te worden en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder in de proceskosten van eiseres te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 322). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiseres neemt, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

4. veroordeelt burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op € 644 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiseres;

5. bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2007 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. L.C. Bachrach en A.E.J.M. Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.Y. van Arnhem-Chau, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B