Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7566

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
13-11-2007
Zaaknummer
AWB 05/4496, 06/2463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende medewerking aan een voorziening in het kader van de WWB; afstemming van de bijstand.

De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden. Voldoende duidelijk is dat eiser het nieuwe trajectplan niet heeft willen ondertekenen en geen medewerking aan de uitvoering heeft verleend. Naar aanleiding van de weigering om het trajectplan te ondertekenen, was verweerder bevoegd om op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Afstemmingsverordening WWB de uitkering van eisers eenmalig met € 200,- te verlagen. Voorts kon verweerder krachtens artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening WWB aangaande het niet meewerken aan de uitvoering van het trajectplan de uitkering eenmalig met 100 % verlagen. Er was sprake van recidive. Hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd (eiser wilde oude trajectplan eerst uitvoeren en was niet weigerachtig maar sceptisch), biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rechtvaardiging om van het ondertekenen van en meewerken aan het trajectplan af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de gedingen met registratienummers AWB 05/4496 WWB en AWB 06/2463 WWB

van:

[Eiser], wonende te Amsterdam, eiser,

en [Eiseres], wonende te Amsterdam, eiseres,

gezamenlijk verder te noemen eisers,

vertegenwoordigd door mr. T.A. Vetter,

tegen:

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.H. Lo Fo Sang.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 3 oktober 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaarschrift van eiser van 9 juli 2005 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit I).

Bij besluit van 4 april 2006, verzonden op 5 april 2006, heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaar van eiser (hierna aangeduid als: het bestreden besluit II). Bij brief van 13 september 2006 heeft de griffier van de rechtbank aan partijen bericht dat het bestreden besluit II door de rechtbank wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) zodat het beroep van eiser wordt geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht.

Voorts heeft de rechtbank op 10 mei 2006 een beroepschrift ontvangen van eisers gericht tegen het besluit van verweerder van 4 april 2006, verzonden op 5 april 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit III).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 30 augustus 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eisers ontvangen een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna te noemen: WWB).

Bij primair besluit van 7 juli 2005 heeft verweerder de uitkering van eisers voor de maand juli 2005 met 100% verlaagd aangezien [Eiser] heeft geweigerd een trajectplan naar werk te ondertekenen en onvoldoende heeft gesolliciteerd.

Bij een tweede primair besluit van 12 augustus 2005 heeft verweerder besloten de uitkering van eisers voor de maand augustus 2005 met 100% te verlagen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat [Eiser] niet heeft mee gewerkt aan een traject naar werk.

Tegen beide primaire besluiten is bezwaar gemaakt.

Bij beroepschrift van 30 september 2005 heeft eiser beroep ingesteld tegen bestreden besluit I, het uitblijven van een beslissing op het bezwaar gericht tegen het primaire besluit van 7 juni 2005.

Bij bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit van 7 juli 2005 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de in het besluit genoemde verlaging van 100% van de uitkering dient te worden gewijzigd in een verlaging van € 200,-. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat [Eiser] heeft geweigerd een (nieuw) trajectplan te ondertekenen, zodat [Eiser] onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden om zijn kansen op het vinden van betaald werk te vergroten. Verweerder geeft aan dat ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 2 van de gemeentelijke Afstemmingsverordening WWB aan deze gedraging de sanctie is verbonden dat de uitkering van eisers eenmalig wordt verlaagd met € 200,-.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit I op de grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II.

Bij bestreden besluit III heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 12 augustus 2005 ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat [Eiser] geen medewerking heeft verleend aan een traject naar werk en om deze reden onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden. Gezien de recidive van de gedraging van [Eiser] is volgens verweerder sprake van een zeer ernstig tekortschieten. Verweerder geeft aan dat ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de gemeentelijke Afstemmingsverordening WWB aan deze gedraging de sanctie is verbonden dat de uitkering van eisers één maand wordt verlaagd met 100%.

Bij beroepschrift van 9 oktober 2006 heeft eiser aanvullende gronden bij het reeds lopende beroep tegen het bestreden besluit II ingediend. Voorts hebben eisers bij beroepschrift van 9 mei 2006 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit III.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat ten onrechte geen aandacht is besteed aan het reeds door [Eiser] ondertekende trajectplan van 10 januari 2005 dat tot 7 januari 2006 geldig was. Het nog geldige trajectplan weerhield [Eiser] er namelijk van het nieuwe trajectplan te ondertekenen. Daarnaast stellen eisers dat [Eiser] geen weigerachtige houding geeft aangenomen ten aanzien van het nieuwe trajectplan. Hij heeft slechts zijn ongenoegen willen uiten tegenover de medewerkerster van SagEnn over de uitvoering van de door hem ondertekende trajectplannen in het verleden. Vanwege zijn slechte ervaringen in het verleden was [Eiser] sceptisch ten aanzien van de aanmelding bij SagEnn. Dit betekent volgens eisers niet dat hij geen medewerking wilde verlenen aan het nieuwe trajectplan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het bestreden besluit I

Op grond van artikel 6:20, zesde lid, van de Awb kan in een situatie als dit, waarin beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, indien dat besluit alsnog wordt genomen, het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Nu met het nemen van het bestreden besluit II het procesbelang tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar is vervallen, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij gegrondverklaring van zijn beroepschrift voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Hierbij merkt de rechtbank op dat een dergelijk belang niet is gelegen in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bij de toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door eiser betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit II.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, te veroordelen in de proceskosten van eiser, begroot op € 80,50

(1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 322,-, wegingsfactor 0,25).

Ten aanzien van de bestreden besluiten II en III

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b van de Afstemmingsverordening WWB kan het college de bijstand verlagen met € 200,-, indien een belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekort geschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden of die, gezien haar aard en doel, met een

WWB-voorziening gelijk is te stellen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening WWB kan het college de bijstand gedurende 1 maand met 100% verlagen indien de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in één of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten.

Ingevolgde artikel 4, tweede lid, van de Afstemmingsverordening WWB – voor zover hier van belang – kan het college bij zijn oordeel rekening houden met eerdere gedragingen van een belanghebbende, waarin deze tekortschoot in de naleving van op hem rustende verlichtingen ingevolge de WWB.

Uit de rapportage van de Dienst Werk en Inkomen van 6 juni 2005 blijkt dat [Eiser] heeft geweigerd om het nieuwe trajectplan te ondertekenen. Verweerder heeft [Eiser] hierbij medegedeeld dat dit tot gevolg kan hebben dat zijn bijstandsuitkering tijdelijk wordt verlaagd. Verweerder heeft deze gedraging ten grondslag gelegd aan bestreden besluit II.

Voorts blijkt uit de rapportage van de Dienst Werk en Inkomen van 14 juli 2005 en uit het verslag van de hoorzitting dat [Eiser] heeft aangegeven geen vertrouwen in de reïntegratieinstantie SagEnn te hebben en geen fabriekswerk te willen verrichten. Nadat verweerder [Eiser] op de hoogte heeft gesteld van de doelstelling van het trajectplan en zijn mogelijkheden in de toekomst, volhardde [Eiser] in zijn standpunt. Verweerder heeft [Eiser] medegedeeld dat opnieuw een afstemming zal plaatsvinden indien hij niet aan het trajectplan meewerkt. Dit heeft [Eiser] niet doen besluiten alsnog zijn medewerking te verlenen. Volgend op deze gedraging heeft verweerder het bestreden besluit III genomen.

De opstelling van [Eiser] waarbij hij heeft aangegeven slechts in aanmerking te willen komen voor een functie waarvoor hij direct betaald krijgt, is in strijd met het door verweerder gehanteerde systeem. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het systeem is gebaseerd op onder meer fasering en toenemende arbeidsparticipatie en wordt afgestemd op de persoonlijke situatie en mogelijkheden van de cliënt. De rechtbank is van oordeel dat het gehanteerde systeem redelijk is te noemen en dat [Eiser] door van het systeem af te wijken het risico van afstemming over zich heeft afgeroepen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [Eiser] met zijn gedragingen de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB niet is nagekomen.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerder eerst uitvoering had moeten geven aan het reeds door [Eiser] ondertekende trajectplan van januari 2005. De rechtbank stelt vast dat het verschil tussen de trajectplannen slechts is gelegen in het feit dat in het plan van januari 2005 Maatwerk, en in het nieuwe plan SagEnn wordt genoemd als de instelling met behulp van welke het trajectplan zou worden verwezenlijkt. Deze wijziging van reïntegratieinstantie is een gevolg van het gedrag van [Eiser] aangezien hij niet heeft meegewerkt aan het opstarten van het traject van januari 2005 bij Maatwerk en dit trajectplan om die reden is beëindigd. Het risico van de wijziging van de reïntegratieinstantie en daarmee de noodzaak tot het vaststellen van een nieuw trajectplan moet dan ook bij [Eiser] worden gelegd.

Hetgeen eisers hebben aangevoerd biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende rechtvaardiging voor [Eiser] om van het ondertekenen van het nieuwe plan af te zien. De stelling van eisers dat [Eiser] geen weigerachtige houding heeft aangenomen ten aanzien van het nieuwe trajectplan, maar slechts zijn ongenoegen heeft willen uiten tegenover de medewerker van SagEnn over de uitvoering van de door hem ondertekende trajectplannen in het verleden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de gedingstukken blijkt voldoende duidelijk dat [Eiser] het nieuwe trajectplan niet heeft willen ondertekenen en geen medewerking aan de uitvoering heeft verleend.

De rechtbank is verder niet gebleken dat iedere vorm van verwijtbaarheid aan de zijde van [Eiser] ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Afstemmingsverordening WWB bevoegd om bij bestreden besluit II de bijstandsuitkering van eisers eenmalig met € 200,- te verlagen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gezien het feit dat sprake is van recidive, bevoegd was om ingevolgde artikel 3, eerste lid van de Afstemmingsverordening WWB de bijstand van eisers bij bestreden besluit III eenmalig met 100% te verlagen.

Gelet op vorenstaande kunnen de bestreden besluiten in rechte stand houden en zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II en het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond verklaren.

De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een veroordeling tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen (bestreden besluit I) niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit III ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig eurocent), te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2007 door mr. J.J. Bade, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Horio, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B